E. du Perron
aan
A.C. Willink

Brussel, 11 april 1925

Brux. 11-4-25.

Beste Willink, Dank voor de inlichtingen die mij zeer van pas kwamen. Zooals je nu weet is no 1 van de △ uitgekomen.60 We zullen probeeren een serie: ‘Verhalen v.d. Driehoek’ uit te geven: alles hangt v.d. drukkosten af. Daarin komt een tweetal rotesken van V. Ostaijen, jouw verhaal als het af is; mijn Een tussen Vijf. Geregeld zal de verschijning intusschen niet zijn; na Aug. misschien één verhaal per twee maanden. We'll see. Illustreeren is aardig maar kost geld, men betaalt al gauw 100 frank (en meer) voor een paar lijn-cliché's. Ik zal er V.O. eens over schrijven; misschien dat die een paar kanalen weet. Wat is die v. Wessem overigens voor een vent? Met Houwink wisselde ik een paar regels. Doe je best om spoedig wat te zenden.

Nu - de rest, de V enz. Steeds je

D.P.

60Het eerste nummer van De driehoek (april 1925) opende met een stuk van Jozef Peeters ‘Over kunst’. Paul van Ostaijen publiceerde zijn gedichten ‘Feest’, ‘Haar ogen of de goed gebruikte wensvorm’, ‘Vlerken’ en ‘Marc groet 's morgens de dingen’. De rubriek ‘Boekbesprekingen’ was verzorgd door Jozef Peeters en Duco Perkens, die de bundel Piano van Burssens en Novellen van Houwink besprak. Het nummer bevatte plastisch werk van W. Alkema, J. van de Zee, Jozef Peeters, Jos. Leonard, K. Maas en V. Servranckx.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie