E. du Perron
aan
A. Roland Holst

Brussel, 11 april 1928

Brussel, Woensdag.

 

Beste Adrianus, Adriaan, Jaan of Jany,339

Dank voor den langen - gegeven de omstandigheden zéér langen - brief, die mij vóór alles te verstaan geeft dat het je inderdaad beter gaat dan men van hieruit zou kunnen opmaken. Jan heeft mij eenige dingen verteld: o.a. dat je in goede handen was en vooruitging, maar het krantenbericht van die overbrenging naar een hospitaal was toch vrij onrustbarend. Ik kreeg dat bericht na mijn brief, en had niet zóó gauw antwoord verwacht. Ik heb twee maal pleuris gehad en kan mij een dubbele pleuris dus min of meer voorstellen. Ik hoop dat de ‘merdecins’ (zooals Jarry zei) je niet te veel naalden en spuitjes in je huid gestoken hebben? In ieder geval: het ergste zal nu wel geleden zijn?

Tracht werkelijk op Gistoux te verschijnen. Het banket van den poëet Karel van de Woestijne zal je wel moeten opgeven, maar neem je voor ‘zoo spoedig mogelijk later’ in deze oorden terug te komen. Buitengemeen fantastisch zal het, geloof ik, niet gauw zijn,* maar we vinden ende zullen ons althans openstellen voor wellicht àndere bekoringen. Me dunkt dat de schoone maand van Maey het aangewezen tijdvak mag heeten: - als we tenminste, na dezen vrij normalen Winter, met een vrij normaal zomertje, een niet al te Belgisch zomertje, beloond worden; waar après tout veel kans op is.

Van Ostaijen, onder ons gezegd, kan zich 1001-maal vergist hebben, maar hij was tenminste het tegendeel van een bijlooper en in hooge mate rusteloos en intelligent. Ik, die hem veel beter heb gekend dan de heer Cornette, zou niet zoo spoedig hebben durven verklaren dat hij geen ‘litterator’ was, ‘maar een beminnelijk mensch’: hij was, helaas, al te dikwijls een ‘litterator’, en welke kwaliteiten hij ook als vriend mag hebben gehad, ‘beminnelijk’ in de gewone opvatting van het woord was hij nu juist precies niet. Maar er zijn onder zijn latere gedichten - die verreweg zijn beste zijn, quoi qu'en dise de heer Coster340 - toch zeker wel een tien, vijftien voortreffelijke aan te wijzen: hoe dan ook beschouwd (mits onbevooroordeeld).

Wat je over Zo leeg een Bestaan zegt is misschien juist; ikzelf kan dat moeilijk beoordelen. Het verhaal is van Januari 1926. Jan van Nijlen, die het als verhaal zeer ‘knap’ vond, had er ook allerlei bezwaren tegen, vnl. omdat het er zoo in toeging over (en met) moorden. Maar wat mij amuseert in deze is dat het eigenlijke drama van de Wederopstanding voor mijn gevoel met het drama van Jan van Nijlen zelf verwant is! Als je dóór de Moord heenduikt om er dat uit te halen wat de heer Coster zoo afgrijselijk veel keeren de ‘menschelijkheid’ heeft genoemd, dan ben je heusch niet zoo heel erg ver van Jan van Nijlen af (dunkt me) die misschien de liefste man is dien ik ooit heb ontmoet. - Intusschen, wat je over dat vooropgezette cynisme van heel een generatie zegt is natuurlijk heel juist. Alleen: die generatie is tot dusver niet bepaald in Nederland ontbloeid, waar, zooals we met Jan hopen malen besproken hebben, ondanks alles de ethica domineert, ook - neen, vooral, bij de jongeren.

Ik heb nog vier verhalen in dialoogvorm geschreven die toch een anderen toon hebben, en die trouwens ruim een jaar na Zo leeg een bestaan ‘ontstonden’. Jan van Nijlen, die ze in ms. gelezen heeft, beweert dat ze misschien minder ‘knap’, maar ook minder ‘cerebraal’ zijn en ‘warmer van toon’. Kan dit je geruststellen? Anders is Gistoux misschien alweer de aangewezen plaats - en de Maey-maand de aangewezen tijd - om er zelf een vorschend oog in te werpen! Je kapittelt me maar vrijuit waar je dat wenschelijk oordeelt; ik ben er gevoelig voor, maar in den goeden zin van het woord.

Ik sluit hierin een gedicht, onmiddellijk geschreven na den dood van O.J. Périer.341* Zal je het ook cynisch vinden: - wie weet? maar vooropgezet is het zeker niet. Het is waarlijk wat ik ongeveer tot God te zeggen zou hebben - over den dood - als ik het soort conversatie met hem houden mocht dat de vrome mensch een wààr gebed noemt. Het is dus, ondanks alles, een gebed. En wat de wèl voor-opgezette assonances betreft, dat heb ik gedaan met het oog op menschen als Jan Walch die idiote verwijten doen aan menschen als Slauerhoff. Jan Walch schijnt nog zeer opgevuld met de rimes riches van Hugo. Dus:

 
Un soir de demi-brume à Londres
 
Un voyou qui ressemblait à
 
Mon amour vint à ma rencontre
 
Et le regard qu'il me jeta
 
Me fit baisser les yeux de honte342

is voor hem een crimineel-slecht-rijmend - en wie weet: slechtklinkend? - gedicht.

Beste Adrianus, Adriaan, Jaan of Jany, ik vrees dat het, ook al zou je het èrg mooi vinden, niet bepaald tot de verkwikkingen van het ziekbed des herstellenden zal mogen worden gerekend. Ik stuur je dus, gelijk hiermee, maar in een afzonderlijk pakket, nog wat andere lectuur. Als er iets mocht zijn wat je in 't bizonder interesseerde, geef het mij dan op, ik zal mijn best doen het je te bezorgen. Hellenz ligt zelf voor het oogenblik met koorts, en het een of andere averij in borst, longen of aanverwante deelen, te bed; maar je groeten zullen hem trouw worden overgebracht nog vóór mijn vertrek naar Gistoux (dat Zaterdag plaats heeft). Heb ik je mijn adres daar opgegeven? - het is: Château de Gistoux, Chaumont-Gistoux, (België). Want het is een dubbele gemeente, iedere gemeente behebt met een afzonderlijken veldwachter. Na dit wetenswaardigs druk ik je hartelijk de hand. En nogmaals:

Het beste!

Je EdP.*

339Met A. Roland Holst (1888-1976) had DP kort tevoren kennis gemaakt via Jan Greshoff. Aan deze brief, geadresseerd aan de R.K. Ziekenverpleging te Hilversum, moet minstens één - niet bewaarde - vooraf zijn gegaan. RH had de dichtbundels Verzen (1911), De belijdenis van de stilte (1913), Voorbij de wegen (1920) en De wilde kim (1925) gepubliceerd. Hij was redakteur van De gids.
*Je kent blijkbaar België nog niet!
340Zie de inleiding van diens bloemlezing Nieuwe geluiden, 2de. dr., p. XXXVII-XXXVIII.
341‘Gebed bij de harde dood’ (Vw 1, p. 69-74). Périer was op 22 februari aan een hartvergroting overleden.
*Op wien trouwens de heele zevende strophe slaat.
342Eerste strofe van ‘La chanson du mal-aimé’ uit de bundel Alcools van Apollinaire.
*Noot bij E: Ik heb niets tegen ‘Eduard’ - zoo heette de eerste gemaal van mijn moeder - maar ik heet eigenlijk, als Lear's goede zoon en Poe: Edgar (zonder d). En dan nog Charles, niet naar Baudelaire maar naar mijn vader. Charles-Edgar du Perron de Gistoux! (dat Jan mij nog niet bekeerd heeft tot de ‘Action Française!’343)
343Greshoff bewonderde in zijn jonge jaren de schrijver Charles Maurras, die een van de leiders was van deze ultra-rechtse beweging.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie