E. du Perron
aan
N.A. Donkersloot

Gistoux, 1 en 2 mei 1929

Gistoux, 1.5.29.

 

Beste Donker,

Zooeven naar Brussel gaande er je brief gevonden. Ik antwoord, op mijn beurt, punt voor punt.

Neen, àl die titels bevallen mij niet. Ik houd niet erg van slotwoorden op -ing. Ik zal een geheel àndere titel moeten vinden; trouwens, als ik mij eenigszins fit voel geef ik liever den geheelen roman ineens (300? 400 blzn?) met als titel: De Onzekeren. Alleen, ik heb voor 't oogenblik de omstandigheden niet mee. Enfin, afwachten...

Ik begin te begrijpen wat betreft die dissertatie-kwestie. Het idee dat je zoo heelemaal in de poëzie zit, d.w.z. in de kritiek en geschiedenis der poëzie, geeft me iets anders in: zou jij niet voor D.G.W. de kroniek der poëzie willen overnemen, die Herreman op het oogenblik heeft?592 Greshoff zoekt eigenlijk al lang iemand anders, maar hij wil ‘een geschikt iemand’. Schrijf mij of je in principe zoudt willen; ik spreek er Gr. dan over. Hij kan H. natuurlijk niet direct opzij zetten, maar men moppert er over 't algemeen over, geloof ik (zie maar Den Doolaard) en vroeger of later zal het er toch wel van komen. Maak je overigens geen gewetensbezwaren: Herreman krijgt dan wel een andere ‘rubriek’.

Die novellen van je. Ik geef je groot gelijk dat je de intelligentie van Marsman (die ik niet gering acht) af en toe consulteert, maar, alvorens je te laten ontmoedigen, bedenk één ding: dat hij de sinistere manie heeft ieder ‘kunstwerk’ tot een formule te willen herleiden, en dat, wat telt, daar altijd ver over uit gaat. Het is ten slotte meer dan treurig wanneer men zich moet gaan zitten afvragen: hoe schrijf ik een novelle, en hoe een roman? Men gaat zitten en schrijft. Hoe meer ik schrijf, hoe grooter mijn vertrouwen wordt in de spontaniteit van de eerste redactie. Die opwerken: best; die overwerken: daar kijk ik bezorgd. Tenzij hier en daar een pagina bepaald mislukt is. Ik heb nooit proza van je gelezen (verhalend, wel te verstaan), ik weet dus niet wat jij slordig noemt. Misschien hééft Marsman volkomen gelijk. Maar je z.g. fout: je aflaten drijven op het gegeven-lijkt mij iets zeer sympathieks, en zelfs iets heilzaams, voilà. Ik heb ook nog altijd in het geheugen dat prozaverhaal van Marsman, en laten wij het er rustig over eens wezen dat een dergelijk verhaal geen enkel belang heeft, al laat het zich misschien tot het laatste atoom in ouwels of poeders onderverdeelen. - Deze proza-kwestie (of prozaprincipen-kwestie) heb ik met Jany Holst ook zoo dikwijls besproken: ieder prozaverhaal van Holst is voor mij eigenlijk een mislukt gedicht. Tot De Afspraak toe, dat zich misschien ontpopt had tot een prachtig gedicht,* als Holst zich eenigszins ‘op slag’ had gevoeld. - Laat ons een van de cracks nemen op kùnst-prozagebied: Walter Pater. Dat is een imposant man! Welnu, ik zou compleet lak hebben aan alle proza-theorieën van Walter Pater, als ik Stendhal was. Ik zou weten dat ik hem als mensch, als kenner van het leven, volkomen zou domineeren. De kwestie komt dus altijd weer hierop terug: òf men heeft iets uit te drukken, coûte que coûte, en hoe sterker deze behoefte is, hoe minder wij in staat zijn gesteld op de ‘kunstigheid’ van ons proza te letten; òf wij zijn makers van prozadingen, en dan staat de deur open voor allerlei theorieën: die van de soberheid, van de arabeske, van het zwaargolvende rhythme en het hortende dito, van de zuivere taal en van de ornamenten, enz. enz. - Maar afgescheiden daarvan, geloof ik aan twee dingen: 1. men kan schrijven: d.i. men heeft de behoefte, de drang, het vermogen, het talent, wat je wilt, van te schrijven, eerder dan wat anders te doen; en 2: men is als mènsch de moeite waard, men heeft, als mènsch, iets te zeg-gen. - Of nogmaals anders: er zijn betrekkelijk onbeduidende menschen die met vlijt werken aan hun stijl; en er zijn menschen die, vóór alles, aan zichzelf werken; en daarna schrijven, par force majeure.

In cahier 5 staan eenige blzn. die je dit misschien duidelijker zullen maken (naar aanleiding van den Nederlandschen roman).593-Ik geef overigens voorloopig die cahiers-schrijverij op594; ik had 40 blzn. klaar voor cahier 6, waaronder een antwoord aan Herreman, ik heb die boel verscheurd. Ik heb voortdurend de behoefte n.l. mij over dergelijke dingen te uiten, maar ik verlies geen oogenblik het besef dat het allemaal erg relatief is, in de eerste plaats van belang-en dan nòg!-voor onszelven, dat wij er in laatste instantie niets van weten: maar dan Marsman (met zijn pharmacopae van de schoone letteren) precies even weinig als ik (met mijn ‘egotistische’ aanteekeningen). Het is ten slotte altijd weer als in dat versje:

 
‘-U wéét het niet? Ha! aan mijn borst, mijnheer!
 
Vergeef me 't sentiment van dit wat oud gebaar-
 
maar zóó'n woord, over kùnst, strekt ons te zeer tot eer!
 
Wij weten er niets van. Wij kunstenaren maar.’595

Je houdt het mij ten goede dat ik mezelf citeer, het gebeurt langs mijn neus weg, met een glimlach op m'n facie. Ik wou hièrop neerkomen: àls je novelle - de ‘grootscheepsche mislukking’ - ressorteert onder het proza dat Marsman interesseert,* dan heb je wschl. gelijk met je op zijn oordeel te verlaten. Maar als je schrijft als ik-ik spreek nu niet van Bij Gebrek aan Ernst, of alleen van het laatste deel daarvan, ik denk meer aan de 5 verhalen van Nutteloos Verzet die je niet kent, en waarvan 2 of 3 mij werkelijk ‘in de goede richting’ lijken-dan zou ik in jouw plaats dat oordeel beschouwen als te zijn van zéér relatieve waarde. Gooi in ieder geval je eerste lezing niet weg, en als je wilt, neem over een tijdje eens de proef op mij: zend mij de beide lezingen, zonder mij te zeggen welke de eerste en welke de tweede is en laat ons dan eens kijken wat mij het meeste treft.

En dan nog dit-als je mij kende zou je weten dat ik het je zeg zonder de minste zucht tot beminnelijk-zijn:-ik ken Marsman feitelijk evenmin als jou, maar ik ben ervan overtuigd dat je méér uit te drukken hebt dan hij. Dit heeft met poëtische gaven of intelligentie niets te maken, of althans treurig weinig, het betreft altijd weer den mensch. Ik vrees dat de mensch Marsman hoe langer hoe meer verdwijnen zal onder de uniform die hij al zoo parmantig draagt: je weet wel, van 1e luitenant nu, kapitein morgen, enz. - Als je een Nederl. voorbeeld wenscht voor het proza: kijk dan naar Couperus. Die wist het nooit zóó precies, en die schreef rustig voort, nààst de alwetende literaire beweging. Men zal zijn beste boeken over 100,200 jaar nog kunnen lezen of zij van gisteren waren. En o wee Van Deyssel, en Van Looy, en Ary Prins, en hoe al die krachtpatsers van het proza verder mogen heeten, de vóór-en-nà-Querido's, en de Feybriefs596 par-dessus le marché!

Heb je de Boeken der Kleine Zielen wel eens gelezen? Ik wist niet dat het zóó wijd en sterk was! Ik dacht dat het een wat meer verwaterde reprise was van Eline Vere. In werkelijkheid is het heel wat sterker, al is het slordiger misschien - slordiger? ik geloof het graag, men kiest het onderwerp van zoo'n boek niet, men wordt er toe gedrongen, men braakt het uit als men tot de hals toe vol zit van al de geborneerdheid, de lafheid, de laagheid van ‘fatsoenlijke menschen’. Het is - als je de proporties ook van de landen niet uit het oog verliest-wat Gogol's Doode Zielen voor Rusland was: een epos en een bombardement met grof geschut; maar het geldt Den Haag!

 

* * *

 

2.5.

 

Ik heb nog op allerlei dingen niet geantwoord; hier is dus het vervolg. Neen, ik heb noch de Utrillo, noch de Jarry uit de serie ‘bohèmes’, maar ze zijn geen van beide erg geslaagd. - Waarom iedereen op Coster gebeten is? Ik weet het niet! Het is een ‘reactie’, dunkt me. - Of ik meje oproep over jeugdpoëzie597 herinner? O ja; ik vond dat juist zoo aardig indertijd, ik had je haast een gefingeerd jeugdvers gezonden, uit pure sympathie. Maar ik hèb geen dichters in mijn omgeving, beste Donker. Roelants, Leroux, Herreman schijnen zich voor elkaar te schamen als je ze zooiets vraagt; ze grinniken en smoezen een beetje, beloven ‘eens te kijken’ en zenden nooit wat. Ik zal Burssens eens vragen, maar vrees dat hij niets heeft. Wil jij die menschen niet ieder eens een kaartje sturen? dat zou misschien meer uitwerking hebben. Hierbij de adressen:

Gaston Burssens, 57 Albertstraat, Wilryck-Antwerpen. Reimond Herreman, 8 rue de la Bascule, Uccle-Bruxelles. Maurice Roelants, bij Greshoff (hij is net verhuisd en woont in diens buurt, ik weet niet waar).

Karel Leroux, 32, Alexander de Craenestraat, Schaerbeek-Bruxelles.

Ik zal persoonlijk aan Jan van Nijlen vragen, maar die is eigenlijk al zoo héél lang geleden jong geweest...

Hieronder een gedichtje van mijn 17e jaar:

 
De avond kwam den dag bekronen,
 
Het nietsdoen schoof het werk op zij.
 
Ik luister naar de weeke tonen
 
Van Schumann's Traümerei.
 
 
 
Het lamplicht, achter steeds meer ruiten,
 
Verving het stervende avondrood;
 
En mèt stierf ook de drukte buiten
 
Een langgerekten dood.
 
 
 
Toen danste een meisje, slank en schoone,
 
Mijn kamer in, onmenschlijk vrij,
 
En vroeg met blozen op de koone:
 
‘Hoû je van mij?’
 
 
 
Toen zeide ik, lusteloos en loome:
 
‘Waarom? De Liefde kent mij niet’.
 
Ze zei: ‘k Ben één die je volkomen
 
Begrijpt en je doorziet.’
 
 
 
‘Ik kom de zwarte fee onttroonen’,
 
Zoo sprak ze, hupplend naderbij,
 
‘Die zóó lang in je hart dorst wonen.’
 
En zat toen aan mijn zij.
 
 
 
Zij sprak en sprak tot 't morgengloren,
 
Schoon, zooals elfentroost kan zijn:*
 
'k Zal steeds die woorden blijven horen
 
Als een refrein.
 
 
 
Toen was ik blijde en opgetogen;
 
Toen was zij vóór mijn blik vervlogen:
 
Een hersenschim; geweest; voorbij...
 
Ik luister (met mijn matte oogen)
 
Naar Schumann's Traümerei.598

Ik had toen een literaire vriend die het héél mooi vond, maar die er toch bezwaren tegen had dat ik naar zoo'n stukje muziek luisterde met mijn oogen. Vandaar de haakjes. - Bon! Veel mooiers heb ik niet.

Greshoff heeft sedert lang je adres.

Ik zend je eerstdaags weer een Melville.

Met hartelijke groeten, je

EduP.

592D aanvaardde het voorstel en verzorgde deze rubriek van februari 1930 t/m februari 1931.
*het is trouwens poëzie, ook zooals het is!
593Vw 2 p. 156-160.
594In november 1929 zou DP zijn Cahier-aantekeningen voortzetten.
595De laatste strofe van het zestiende gedicht uit Het boozige boekje.
*Ik bedoel: in de huidige phase van zijn literator-schap interesseert.
596Feylbrief (J. van Oudshoorn).
597In DGW 27 (1928) 2 (febr.) p. 58.
*Of: zoo schoon als elfentroost kan zijn (was het, geloof ik).
598Opgenomen in De behouden prullemand (1927), niet herdrukt in Vw.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie