E. du Perron
aan
J. Greshoff

Amsterdam, 20 en 21 januari 1930

Amsterdam, Maandagavond.

 

Beste Jan,

Je brief kwam zooeven en deed mij half geamuseerd, half weemoedig glimlachen. Allereerst dit: als je je werkelijk uit D.G.W. terugtrekt, en ik kan er je éénig plezier mee doen, dan is het een uitgemaakte zaak dat ik er ook niet verder in publiceeren zal. - Maar ik heb zoo'n idee dat dit alles zich vanzelf en snel schikken zal. Die goede Wijnand schrijft je natuurlijk snel een briefje om te zeggen dat hij het stukje over Jo852 wèl opneemt, ongewijzigd en al, en dan is de zaak weer voor een tijdje in orde. Hij zal een bevlieging van revue-directeuren-voorzichtigheid gekregen hebben. Het idee je dat ding terug te zenden was anders wel dwaas. Of men neemt je zooals je bent, of men neemt je niet, dat is toch duidelijk.

Ik zal Kramers er overigens niet over schrijven: vooral omdat ik bijna zeker ben dat deze affaire zich tusschen jullie beiden vanzelf wel regelen zal. Na mijn stuk over Gide853, waarvan ik vanmorgen de proeven terugzond, heb ik geen copy meer ten Gulden Winckel liggen; dus - als de brouille gehandhaafd blijft, hoor ik dat wel bijtijds.

Ik dacht Donderdag naar Jacques te gaan, maar mijn moeder is weer erg benauwd en zoo - en de huisploert hier is halfgaar, wat niet bepaald zenuwstillend is, en voor mijn moeder precies wat ze niet hebben moet. Ikzelf ben met den vent éénmaal bijna slaags geraakt (ik ben zoover gegaan hem een verzoling te offreeren), en heb hem ééns, koel en bedaard en uitgebreid, verteld wat ik van hem dacht; maar hij gaat rustig voort ons op velerlei manieren te pesten, omdat hij er zelf wschl. niets aan kan doen. Vanmorgen heb ik aan zijn vrouw gezegd dat hij beter deed mij niet meer onder oogen te komen, aangezien ik op het punt stond een ongeluk aan hem te begaan. Hij is nu weer heel stil geworden en er wordt gezegd dat hij morgen voor een paar weekjes naar Zeist zal gaan. Het heele huis (er zijn behalve wij nog 3 ‘inwoners’) heeft de pest aan hem, et il? a de quoi! Ik kan mij nu voorstellen dat die masseur hem de trap heeft afgelazerd! Met zijn vrouw heb ik erg te doen: het mensch is òp van de zenuwen en wordt door hem geregeld in het vuur gezonden; zij krijgt soms nog wat van de menschen gedaan. De vent is een akelige, koppige, pèstbuil, daarbij onbeschoft en opvliegend - tot men te-rug-opvliegt, dan haalt hij bakzeil. - Maar mijn moeder is er erg van overstuur.

Overigens* doe ik niets. Ik kan er niet toe komen te schrijven - deze heele stemming is weer zoo beroerd daarvoor - en de stukken van V.d.H. vertalen trekt mij ook al niet aan. Wat zond die vent een hóóp tegelijk! En dan nog niet eens zeker weten of het geplaatst wordt, want het kaartje van Koning blijft weg.

Ik zond Coenen mijn verzen, behalve Voor S. dat Pom achterhield854. (Of schreef ik je dit reeds?)

Aan Donker zond ik Komen en Gaan. Geen antwoord; mogelijk is hij boos op mij ook. In dat geval kan hij zijn stuitje of zijn voorhout breken - als het maar geen voor-spons is, waar verdomd nog kans op is (arme Martheli!) - Van Sander krijg ik ook het diepste zwijgen en niks nie meer. Ik zal hem nu maar het geld sturen als aanget. brief - Wil je, als de oplage van N.V. nu in Brussel ligt, Germaine W. opbellen en haar uit mijn naam er aan herinneren dat ik nog 5 exx. van haar krijg? Dank; ook voor de andere bemoeienis.

Als ik Donderdag niet naar Jacques kan gaan, ga ik Woensdag misschien heen en weer tot Den Haag en hoop er dan Kramers te ontmoeten. Ik zal hem dan over deze affaire met jou spreken en zeggen hoe ik er tegenover sta. - Maar heusch, ik heb het gevoel dat ik ook dàn te laat zal komen. (Houd me op de hoogte.)

Wat heb je over Jo liggen roddelen?

Ik las 3 boekjes over China en Indië van Borel855. Goeie God, dàt is nu commis-voyageurs-mooiïgheid! Wat een hopeloze kerel! Ik onderschrijf volkomen het oordeel van Van Deyssel over dezen kwastelorum: ‘De heer Borel is niet alleen geen kunstenaar, hij is zelfs geen goed journalist. Hij is een passabel journalist.’ - En wat zijn er niet een hoop menschen geweest die hem au sérieux namen; Couperus zelfs, van wien hij het weinige aardigs, dat hij nog heeft, zoo netjes heeft afgekeken.

Ik las verder de Gedenkschriften van Van Deyssel. Dat is deftigseniel. Het is een aangenaam en nietszeggend gekout over alles wat niet van belang was in zijn leven.* - Waarom begin jij toch niet eens aan je gedenkschriften? Het zou een héérlijk werk kunnen worden. In den stijl van de spijkers, en rustig alles erin vertellen zooals je het je beste vrind in diep geheim vertellen zou. Publiceer wanneer je wil, maar wacht niet met schrijven tot je ook seniel geworden bent.

Hoe gaat het bij je thuis? vertel dààr eens iets van. Stukkies schrijven over heerenmode en gramophoonplaten856 is een lucratief bedrijf, dat weet ik, maar misschien voor je innerlijken mensch niet heelemààl bevredigend. Als de brouille met D.G.W. dus doorgaat, schrijf dan weer voor jezelf: spijkers, gedenkschriften, verzen... Schrijf nu die serie van 12 artikelen over het jongere proza (brandend vraagstuk!) voor De Groene. I. Houwink. II. Marsman. III. Slauerhoff. IV. Kuyle. V. Helman. VI. Du Perron. VII. Van Vriesland. VIII. Van Duinkerken. IX. Den Doolaard. X. Blijstra misschien. XI. Roelants. XII. Walschap. - Daar hoef je zooveel niet voor te lezen, en dat komt je allemaal nog te pas voor je studie van de Ned. Letteren (nieuwe druk).857 - Willink brandt van verlangen om je proza over hèm te lezen858.; hij vraagt me telkens: ‘Zou-d-i het nog doen?’ Waarom doe je dat nou niet? Hij verdient het toch minstens zoozeer als dat akelige mannetje Schobbaerts en die broeders Van de Velde859 (al hangt er nog geen stukje van hem bij je thuis - maar dat komt nog wel!) - En hoe is het nu met je spijkers voor De Gids? - Antwoord me uitgebreid en gezellig en ontvang met Atie veel hartelijks van de zieke Simone en den bollen

Ed.

 

P.S. Dinsdag.

Ik krijg daarnet een briefkaart van Kramers, zoodat ik een aanleiding heb om hem te schrijven. Dat doe ik dus straks.

852Voor DGW van februari 1930 had Greshoff in zijn rubriek ‘Spijkers met koppen’ onder de titel ‘Laus Mediocritatis’ Jo van Ammers-Küller gekritiseerd vanwege een interview met haar in het Franse blad Comoedia. Hij noemde haar ‘een nette banale burgerdame - literair gesproken -, die een beetje slonzig maar niet geheel onhandig met de penhouder omgaat’ en verweet haar het spreken van ‘domme, onbeduidende volzinnen’ waarbij over de belangrijkste Nederlandse schrijvers was gezwegen. Greshoffs entrefilet werd eerst geweigerd maar uiteindelijk gepubliceerd.
853Ook in het februari-nummer van DGW stond DP's artikel ‘André Gide en de Hollandsche kritiek’, dat werd geschreven n.a.v. beschouwingen over Gide van H. van Loon en J.F. Otten en nadien opgenomen in het vijfde Cahier (Vw 2, p. 180-191).
*D.w.z. behalve mij ergeren aan dezen pestbuil.
854Het vers met die titel werd voor De gids gereserveerd door de redakteur M. Nijhoff en in augustus 1930 in het blad afgedrukt.
855De schrijverjournalist en sinoloog Henri Borel was aanvankelijk tolk in China. Hij publiceerde o.a. Wijsheid en schoonheid uit China, De geest van China, De Chineesche philosophie toegelicht voor niet-sinologen. Wijsheid en schoonheid uit Indië.
*Tenminste, laat mij dat voor hem hopen!
856Greshoff schreef over deze onderwerpen in De Hollandsche revue.
857Met J. de Vries publiceerde Greshoff in 1925 een Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde.
858Herhaaldelijk drong DP er bij Greshoff, die ook geregeld over beeldende kunst schreef, op aan een artikel te wijden aan Carel Willink. Dat gebeurde in december 1932. Het stuk werd gepubliceerd in Forum van februari 1933
859De Belgische schilder Marcel Stobbaerts, en de Nederlandsche schilders Bram en Geer van Velde die later in hun land van vestiging Frankrijk nogal bekend werden. Greshoff wijdde aan hen zijn artikel ‘Deux peintres hollandais à Paris: A.G. et Gerard van Velde’ in het in Antwerpen uitgegeven tijdschrift La revue d'art van juni 1929.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie