E. du Perron
aan
N.A. Donkersloot

Amsterdam, 1 maart 1930

Amsterdam, Zaterdag.

 

Beste Nico,

Het is vriendelijk van je dat je mij dadelijk geantwoord hebt; maar denk niet dat ik in een bepaalde stemming verkeerde toen ik je mijn brief schreef. Ik ben een van die ontzèttende literatoren die blijkbaar de persoon niet zóó van de ‘literaire qualiteiten’ weten te onderscheiden - althans op het gebied van (om ook eens een Costerlijke term te gebruiken:) ‘geestelijke vriendschap’. En vriendschap, of zelfs sympathie, tusschen jou en mij is, hoop ik, niet gebaseerd op het feit dat wij elkaar ‘sympathiek’ genoeg vinden om samen een borrel te drinken of zoo? Ik zou nooit met Coster willen omgaan, omdat de man niet anders kan zijn dan zooals hij schrijft. En toen ik jou schreef zooals ik het deed, was dat het gevolg van een gevoel van - laat ons zeggen: wederzijdsch onbegrijpen - dat ik al lang had. Toen ik dus je bespreking van Erts930 zag, en merkte dat je mij geen enkele maal genoemd had, ging er eerst in mij om dat mijn 3 verzen wederom je goedkeuring niet hadden verworven en vond ik dit op zichzelf niet erg, maar toen ik merkte dat je aan het spreken was gegaan over het nieuwe proza, en in dat verband letterlijk iedereen noemde die eenigszins te noemen viel, tot Van Duinkerken en Theun de Vries toe; toen heb ik duidelijk den indruk gekregen dat inderdaad iets tusschen ons mislukt was. Ik hoop dat je me begrijpt en me niet van een stupide reclame-zucht verdenkt, want die verdenking zou erg voor jou zijn. Neen, beste Nico, wat zich hier afspeelde, ging geheel tus-schen jou en mij. (Ik wist immers dat je het proza van die andere heeren ook niet zoo hoogelijk bewonderde of zoo warm goedgezind was; waarom dan het verzwijgen van alleen mijn naam?) - En nu, aan den anderen kant: geloof mij als ik je zeg dat het niet-waardeeren of afbreken van mijn werk door de meesten van de andere jongeren mij dikwijls onverschillig is en soms aangenaam streelt, maar van jou vond ik dit doodzwijgen pijnlijk, want de bevestiging van het onbegrijpen dat ik meer en meer voelde tusschen ons.

Ik neem het je ook niet kwalijk; ik vind alleen dat het dan niet noodig is elkaar lange brieven te schrijven. Mijn ‘persoonlijke gevoelens’ voor jou zijn zoo dat ik je altijd gaarne de hand zal drukken of een borrel met je drinken, maar ‘geestelijk’, denk ik, hebben wij niets aan elkaar. Ik schreef je, omdat ik de behoefte had aan een miseau-point. Eenmaal vastgesteld dat er geen samengaan tusschen ons kan zijn, is het mij ook hetzelfde of je me doodzwijgt, afbreekt of op een andere wijze je onbegrijpen te kennen geeft. En komt het tot een treffen, dan hebben we als ‘geestelijke vijanden’ misschien méér aan elkaar dan nu.

 

***

 

Nu het geval Greshoff.

Ik zal hem je brief niet laten lezen, omdat ik het niet noodig vind de vurige gevoelens die jullie elkaar nu over en weer misschien toedragen nog wat op te rakelen. Antwoord Greshoff nog weer in DGW. of elders, als je dat noodig vindt; ik voor mij vond deze hééle staart niet zoo erg interessant. De eerste boutade van Gr. was, zooals je zegt: wat erg fel, maar als uiting op zichzelf, vermakelijk*; - maar dan komt wat meestal gebeurt in zulke dingen, men wordt door zijn vuur meegesleept en gaat te ver. Ik geloof overigens niet dat, voor hen die lezen kunnen, de staart van het geval iets tot de zaak toe- of af-doet. Je bent nu razend over dat citaat uitje particuliere correspondentie, en inderdaad had Gr. misschien beter gedaan die er niet in te betrekken, maar vergeet niet dat hij voor de tweede maal zegt dat alleen spijt bij het zien dat ‘een hoogbegaafd jonkman’ enz. zich aan deze werkjes wijdde, hem zijn boutade ingegeven had, zoodat van een coûte-que-coûte benadeelen toch geen sprake kan zijn. Eerder van een coûte-que-coûte gelijk willen hebben, wat bij een fel debator méér voorkomt. Toon hem zijn ongelijk aan, wanneer je daar behoefte toe gevoelt en er kans toe ziet; het eenige wat ik ertegen zou hebben is dat het dan zoo'n lange historie wordt; vooral als Greshoff dan weer antwoordt. Maar ik heb hier als buitenstaander makkelijk praten, natuurlijk, ik die niet in de hitte van het gevecht heb verkeerd. Als zooiets mij overkwam, zou ik wschl. ontzettend ‘doordouwen’, zooals J.v. Nijlen zegt.

Bon - doe wat je noodig acht en verscheur elkaar nog wat meer, als het moet. Ik zal Greshoff, als ik hem weer schrijf, meedeelen dat je ernstige grieven tegen hem hebt* (als hij dit tenminste vóór dien tijd niet uit een publiek geschrift van jezelf merkt), maar ik vind het minder prettig om voor postillon-de-fureur te spelen, als men het zoo zeggen kan.

Wat mijn Open Brief betreft, ik heb Kramers gevraagd jou, gelijk met mijzelf, de eerste drukproef ervan te doen toekomen. Ik heb er geen kladje van, anders zond ik het je. De kwestie is deze: ik speel Greshoff, den boutade-schrijver en niet-bulletin-schrijver, uit (met zijn voortreffelijke karakteristiek van Jo Küller) tegen Ritter, den criticus (door jou zoo voortreffelijk gevonden dat jij hem zelfs in een vijfmanschap der Nederl. kritiek wilde opnemen) en citeer dan: zijn lullige karakteristiek van Havelaar (‘hij vertegenwoordigde de heele en half-intellectueele burgerij’, enz.) en zijn méér dan schandalige houding tegenover Jacques. Want dat is niet alleen, zooals je zegt: er naast, dat is: intensvuilen poenig.931 - En hier speel ik dus jou tegen Ritter uit, àls je tenminste antwoordt. Mijn toon is die van den eerbiedvollen dilettant tot den zeer bevoegden heer Dr. N.A. Donkersloot, directeur van het Critisch Bulletin. En ik wil je er wel bij vertellen dat ik je in zekeren zin een val heb gelegd (altijd: àls je antwoordt) - n.l. ik brand van verlangen om te zien hoe je antwoorden zal. - Ik bedoel: als een doctor, als een directeur, als een diplomaat, als een welwillend mensch, als een philosoof, als... ga nog maar wat door, of als een vènt. Geef hier nu eens ‘leiding’; in den goeden zin v/h woord.

Het kan nu ook nog dat in een volgend nr. de heer Ritter mij persoonlijk antwoordt.932* Ik hóóp dit zelfs. Want voor dien meneer heb ik één karwatsstriem over, maar die hem zijn smoel zal open halen van het eene oor tot het andere, daar geef ik je mijn hand op.

Ik eindig hier. Beste groeten van je

EdP.

 

- O jee, o jee, wat wordt de Gulden Winckel een arena gelijk, als dat zoo nog wat voortgaat! Maar jij zou de sterkste van allen moeten zijn, met Martheli achter je, die je ‘de lendenen omgordt’. Als Jacques er zich maar niet mee bemoeit. Die moet een hautain stilzwijgen bewaren tegenover het geïnsinueer van dien schoft.

933Mijn adres is voor eenigen tijd: Museum-pension, P.C. Hooftstr. Maar Willink is veiliger: Keizersgracht 538.

930Donker noemde van de dichters in Erts (1930) Bloem, Buning, Nijhoff en Marsman en deed de anderen af met de opmerking: ‘voor het overige staan er veel zwakke verzen in het boek’.
*en hartelijk in zijn boosheid!
*over dat citaat uitje correspondentie -
931Enz. (zie mijn vorige ontboezeming!)
932Dat is niet gebeurd, evenmin is een republiek van Donkersloot bekend.
*Hij zou bijv. kunnen zeggen: ‘Wat heeft de heer du P. den heer Donkersloot noodig als hij mij wat te zeggen heeft?!’
933Tekst op de envelop.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie