E. du Perron
aan
A.A.M. Stols

Amsterdam, 16 maart 1930

Amsterdam, Zondag.

 

Beste Sander,

Ik ben wèl opgelucht door je brief, al vind ik het nu verdomd beroerd voor jou. Voor jou begint de beroerdigheid nu, maar toch is alles beter dan onzekerheid. Ik hoop dat je ook tot zekerheid komt in het andere probleem dat zich nu heeft opgedaan: dat is misschien wel wat waard, al is fl. 300 véél, dat geef ik toe - ik vooral!

Ik ben onvoorzichtig geweest, soit; maar eenmaal de brief op je kantoor, heeft mijn onvoorzichtigheid er toch niet veel meer mee te maken? Je bent eenvoudigweg bestolen geworden en ik zie niet goed waarom iemand, die tot diefstal in staat is, zich zou hebben laten weerhouden door het feit dat de brief verzekerd was. Maar laat ons het niet eens daarover hebben en de zaak rustig bezien.

In de eerste plaats, hierbij de antwoorden omtrent de 2 punten die je zou willen weten:

1. Ik noteerde niet de bankbiljetten. Als ik mij niet vergis waren de fl.325 zóó verdeeld: een bankbiljet van fl. 300. (daar zijn mijn moeder, Ina, Herbert en ik het over eens) en dan: 2 biljetten van 10 en 2 biljetten van fl.2,50 - òf (volgens mijn moeder) I biljet van fl. 25.

2. Er was een korte brief bij, waarin ik je zooiets zeg van: ‘Daar ik geen antwoord van je krijg, zend ik je om tijd te winnen het geld in Holl. bankpapier, opdat je het, desgewenscht, zoo naar Maastricht kunt doorsturen, wat een kleine moeite voor je is’. Iets dergelijks. Herinner je dat ik je den dag vooraf - of liever twee dagen vooraf (den 11en, of zelfs den 10en), na het misloopen van onze ontmoeting, schreef: ‘Jammer dat je er niet was want mijn moeder had het geld voor je klaar. Hoe moet het nu verzonden worden en waarheen? Indien naar Maastricht, geef me dan het juiste adres nog eens op’. Die brief moet je dan hebben ontvangen? of ook niet?* Dat was een gewone brief natuurlijk. Je had daardoor ook kunnen begrijpen dat, toen ik een aanget. schrijven zond, daarin dat geld moest zitten (jij, of iemand die dien eersten brief zou hebben gelezen). Is dit een aanwijzing misschien?

Ik kan nu niet naar Brussel, omdat ik met griep lig. Ik zou naar Jacques zijn gegaan en alles was klaar voor het reisje toen ik eergisteravond hevig begon te hoesten, met keelpijn en koorts. Als je me dus nog noodig hebt, schrijf me dan weer; dan zou ik over een dag of vier kunnen. Schrijf dan omgaand, ik telegrafeer dan wel mijn komst (aan Jan).

Vertel mij nu even:

1. Onder welke omstandigheden is die brief op het bureau gekomen? Wie zaten daar op het oogenblik? Is jou absoluut niets van een aanget. brief gezegd?

2. Wat is dat voor een aanget. brief eveneens uit Amsterdam, waar je over schrijft. Kreeg je dien ook niet? Of dien wèl en den mijne niet? (Ook dit kan n.l. een aanwijzing zijn.)

3. Vind je niet dat - hoe dan ook - degeen die het register afteekende (vooral wanneer jij op dat oogenblik niet op het bureau was), verantwoordelijk blijft voor het wegraken van den brief? Ook als een ander - de facteur, een bezoeker of wie dan ook - den brief gestolen mocht hebben, dan nog blijft de ontvanger tegenover jou verantwoordelijk, zou ik zeggen. Dit is in ieder geval de klassieke kantooropvatting.

De ‘plainte contre inconnu’ is heel goed, maar.... stel je maar niet te veel voor van de resultaten. In de eerste plaats ben jij zelf voor de politie in principe een verdachte, en dan - ik ken die uitvraag-systeempjes in een zaak waar ieder zijn eigen lezing kan geven bij gebrek aan getuigen. Alleen het punt van uitgang lijkt mij ietwat zeker; n.l. wat heeft de ontvanger (dus mej. de C.) met den brief gedaan, nadat hij het register had afgeteekend. Hij heeft toch niet afgeteekend zonder iets te ontvangen - ik bedoel: letterlijk overhandigd te krijgen? - Je spreekt over mijn onvoorzichtigheid - maar dit zou dan èn hoogst onvoorzichtig èn hoogst slordig geweest zijn! Zonder juffr. de C. in het minst te verdenken, blijf ik de verantwoordelijkheid voor het wegraken tot nader order bij haar zoeken; zij had jou dien brief onmiddellijk moeten geven, of je onmiddellijk moeten waarschuwen toen hij vermist werd.

4. Waarom ben je van jouw kant niet direct gaan navragen toen ik je schreef of je me bevestigen wou dat je dat geld ontvangen had? Dat schreef ik je een paar dagen later, naar Londen. Op deze manier hebben we ook weer tijd verloren, en àls de brief, door verregaande slordigheid, na je vertrek misschien nog op het bureau was blijven slingeren, dan heeft X. volop de gelegenheid gehad hem weg te nemen. Of is dit uitgesloten omdat zeker staat dat de brief den 14en zelf is verdwenen?

Ik vind het voor mij ook daarom zoo pijnlijk omdat 2 van de 4 ‘verdachten’ (principieel gesproken) tot mij in groote vriendschappelijke relatie staan. Daarom is mijn aanwezigheid te Br. misschien niet eens zoo gewenscht, omdat ik toch niet onbevooroordeeld genoeg tegenover dit geval zou kunnen staan. Voor jou: alsjij bestolen bent, gaat het tenslotte om diefstal alleen; voor mij: als ik mij den bestolene moest achten, gaat het om iets veel ergers. Ik kan mij best voorstellen dat iemand, in zekere omstandigheden, zoo'n sommetje steelt, maar niet966 dat hij het doet ten nadeele van bepaalde personen. Daarom zou ik ook zoo véél mogelijk licht in deze zaak wenschen en er mij persoonlijk toch zoo weinig mogelijk mee willen bemoeien. Je begrijpt me wel, hoop ik.

Van jou echter verwacht ik dat je er geducht achter heen zit en niet om het terugvinden van dat geld alléén.

***

Op dit velletje nog andere bizonderheden.

1.Dank voor de 3 exx. Parlando die ik er nog bij kreeg.
2.Van Wessem en Binnendijk klagen over het niet-ontvangen van recensie-exx. voor De Vrije Bladen. Men kreeg daar nòch Nutteloos Verzet noch Parlando, en schijnt er nu toch zeer op gesteld die bundels te bespreken. Ik amuseer mij hier om allerlei rechtstreeksche en zijdelingsche berichten. De heeren schijnen me wél bezig hun houding en opinie (tegen)over mij te ‘reviseeren’. Dit wil volstrekt niet zeggen dat ze mij met vreugdekreten in hun kring zullen trachten te halen. Maar ik geloof dat ze zich rekenschap geven: Marsman in top, dat zij niet te doen hebben met een quantité plutôt négligeable.
3.Slau heeft zich bij mij beklaagd over de min of meer afzijdige houding, door jou ingenomen tegenover Don Segundo Sombra967. ‘Als Sander doet wat ieder actief uitgever zou doen, wordt dat boek voor hem in Holland een succes’, is ongeveer zijn betoog. En ik ben het volkomen met hem eens! Je moet als Strengholt werken: een paar flinke advertenties zetten, iemand zenden naar de boekhandels met een circulaire waarin de groote verdiensten van dat boek bezongen worden, een uittreksel van de buitenl. critiek (Supervielle, etc.) in de advertenties zetten, een paar teekeningen b.v. in D.G.W. publiceeren, enz. Het boek ook niet tè duur maken: fl.4. hoogstens. En je zult zien dat het als koek gaatje moet natuurlijk goed déze flauwe kul op den voorgrond brengen: ‘Een boek over het gaucho-leven door een meester-gaucho geschreven’, enz. Een portret van Guiraldes in gaucho-costuum laten publiceeren. Slau is - als jij meewerkt - ertoe bereid een inleiding over Guiraldes te schrijven, die vooraf in De Gids (of D.G.W.) gepubliceerd zou kunnen worden - ‘maar, zegt hij, waarom zou ik me zooveel moeite geven als Sander als uitgever er zoo lauwtjes voor voelt?’ Je werkt de Holl. onverschilligheid op die manier wel erg in de hand.

Iets anders: mag ik den tekst eens doorlezen? Ik zou dan op het ms. zelf reeds eenige slordigheden kunnen verbeteren misschien. Ook wou ik je vragen gerust over mij te beschikken voor het nakijken van je uitgaven, ook van de Fransche teksten. In de Pouchkine zaten nog allerlei fouten: drukfouten, maar vooral overal verkeerd geplaatste aanhalingsteekens e. dgl. Je krijgt ook op die manier bij de bibliophielen die lezen (en die schreeuwen voor de andere) een beroerden naam. En bij Slau's werken zou je beter doen de laatste revisie altijd door mijn handen te laten gaan. Hij verbetert zoo'n beetje au petit bonheur en heeft zoodoende kans gezien in Het Lente-Eiland dat door mij gehéél gecorrigeerd was, een paar onnoodige fouten bij te maken! Zend mij dus ook den tekst van Serenade nog eens. Maar ook voor je andere uitgaven, stel ik mij graag tot je beschikking. Ik ben nog niet heelemaal als P. van Eyck, maar al die onnoodige fouten in zulke fraaie drukwerken zijn me toch steken in 't hart. Ik zal je bij gelegenheid mijn ex. van de Pouchkine laten zien opdat je je overtuige van wat er nog allemaal in is gebleven.

Tot nader. Hartelijke groeten en de beste wenschen

van je Ed.

 

's Avonds.

 

Ik heb zoonet mijn moeder weer gesproken, die zegt dat zij er absoluut zeker van is dat het geld verdeeld was in: bankbiljet van fl. 300. (dat heeft ze expres voor jou gevraagd van de bank) en van fl.25. (dat heeft ze 's morgens in de buurt laten wisselen, voor hetzelfde doel). Voilà. Ik heb het geld in haar tegenwoordigheid zélf in den brief gedaan, maar mijn geheugen is niet zóó precies voor dit soort van zaken.

- Ik heb ook nog je brief overgelezen en lees nu weer: ‘In ieder geval kreeg ik den brief nooit in handen, noch mej. Wouters, noch Mej. de Coninck’. - Maar... mej. de C. teekende er voor af! Ik moet je zeggen: dat vind ik sterk! Hoe noem jij zooiets? Dat is heusch niet alleen onvoorzichtig dan, dat is ongeveer idioot. Ik val het arme kind misschien wat hard, maar werkelijk, ook als zij zich door een ander heeft laten bestelen, dan nog zou een ietwat zakelijk aangelegd man haar - als het geld wegblijft - verantwoordelijk stellen, dat zal ieder buitenstaander je zeggen.

E.

 

Hierbij gaat nog een blaadje van Slau, wien ik vertelde wat ik je over Don Segundo schreef, maar die je nog iets anders te zeggen had.

*Ik kreeg daarop van jou geen antwoord en zond toèn het geld, om voor jouzelf, tijd te winnen.
966Dubbel onderstreept.
967De door Slauerhoff en R. Schreuder vertaalde roman van de Argentijnse auteur Ricardo Güiraldes werd door Stols in 1930 uitgegeven.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie