E. du Perron
aan
C. van Wessem

Amsterdam, 18 maart 1930

Beste Van Wessem,

Ik keek vergeefs uit naar de beloofde nrs. van De Vr. Bladen. Wil je ze me ‘alsnog’ zenden? Wil je er dan ook bij doen, het Mrt. nr., waarin, naar ik hoor, een stukje van Marsman voorkomt over de kunne van Mien Proost975? Mag ik (eventueel) daarop antwoorden?

Ik lig met griep te bed - liep het Vrijdagavond op, zoodat ik Zaterdag niet naar Friesland ben gegaan. Ga nu wschl. eerst tegen 26, 27. - De terugreis naar België is vastgesteld op 2 April (als alles goed gaat).

Tot ziens. Met beste groeten, je

EdP.

 

Kreeg je het nr. met Cocteau976 reeds terug?

977kajoepoeti-vlekje

(niet ‘kajapoet’ zooals de Holl. scribenten zeggen)

 

Amsterdam, Dinsdag.

Mus. P., P.C. Hstr. 4.

975‘Mien Proost en ik’, een reactie op de reacties van o.a. Nijhoff en DP (‘De gemaskerde dichteres. Mien Proost is een man’, in DGW van december 1929) op Marsmans bespreking (in de NRC van 7 september 1929) van de bundel Het Middelbaar Onderwijs en andere gedichten die Hans Klomp onder het pseudoniem Mien Proost publiceerde. Marsman hield vol dat Mien Proost een meisje was, ‘zelfs wanneer zij geen eigen vrouwelijk lichaam bezitten zou’ (DVB, maart 1930, p. 323). DP heeft niet meer geantwoord.
976‘Over Jean Cocteau. De moderne gevoeligheid’, een fragment uit een lezing van Van Wessem, in DVB 2 (1925) 10.
977Met een streep naar een cirkeltje om een vlek.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie