E. du Perron
aan
N.A. Donkersloot

Gistoux, 4 april 1930

Gistoux, Vrijdag.

 

Beste Nico,

Je brief kwam daarnet in mijn bezit. Van die herrie tusschen jou en Jan kreeg ik, bij terugkomst hier, van Jan zelf natuurlijk ook de noodige details. De ‘opdonder’ werd niet besproken, wèl vertelde hij mij dat je aan zijn woord twijfelde en dat hij toen boos was geworden en jij toen boos teruggeworden, enz. enz., en dat je tenslotte een heel behoorlijk briefje had geschreven, maar dat hij de situatie nu ook bedorven achtte, enz. enz. - Het is vervelend, maar die dingen gebeuren, en halve vriendschappen zijn pijnlijker dan heele vijandschappen. Als jullie elkaar nog eens ontmoeten, komt alles misschien meteen terecht. Ik voor mij ben er zeker van dat jullie allebei, gegeven het enorme verschil in mentaliteit en temperament, volkomen te goeder trouw waren. Jij begrijpt werkelijk niet dat Jan met dat tweede stuk een soort goede bedoeling kon hebben (hij heeft mij dit om zoo te zeggen bezworen), en hij vat op geen stukken na dat jij zijn ironie kon misverstaan. Als je Jan meer hadt hooren spreken, zou je dat wschl. ook niet hebben gedaan. Als ik zooiets lees van: ‘Ik heb juist een héél hóógen dunk van het publiek’ - dan hoor ik den toon; het is precies hetzelfde accent waarmee Jan vertelt dat hij Borel heeft geantwoord: ‘Natúúrlijk vind ik het héél prettig om met mondaine jongemeisjes in een auto te rijden’ - of zooiets. - Maar deze heele affaire is wat ‘doorgedouwd’, zou Jan van Nijlen zeggen; het beste is dus om ze voorloopig te laten voor wat ze is. - Ik heb Jan verder het aardigste stukje verteld (ik had den brief niet bij me om voor te lezen) dat in deze heele nasleep van dien ‘spijker’ geschreven werd: dat stuk uitje brief waarin je o.a. zegt: ‘Jan staat nu eenmaal als degenslikker op het programma’. Hij heeft daar erg om gelachen, en zooiets gezegd van: ‘Verdomme, waarom heeft-i dàt nou niet in de krant gezet?’

Nu over dat stukje van mij. Je doet verkeerd er een verkapte aanval op het Bulletin in te zien. Het Bulletin op zichzelf was mij nooit antipathiek; ik zou je dat dan wel gezegd hebben; ik vind zelfs dat men een erg overdreven waarde is gaan hechten aan eenige phrasen uit een soort prospectus. Afgescheiden van die phrasen, die uiteraard in prospectus-stijl waren, heb ik mij altijd zeer goed kunnen voorstellen dat je lust had een eigen (goed) critisch orgaan te hebben. Wat ik aanviel - of liever wat ik ironisch uitspeelde - was dus een soort houding (geestes-houding) achter het Bulletin. Vandaar dat ik Dr. N.A. Donkersloot nam en niet Anthonie Donker, vandaar mijn deferente toon, vandaar ook het tegenover elkaar zetten van Greshoff en Ritter, enz. Anders gezegd: èn Dr. N.A. Donkersloot èn zijn critisch bulletin waren voor mij in deze affaire een soort ‘symbool’. Misschien druk ik mij niet duidelijk genoeg uit? Ik heb - laat ons het dan zóó zeggen - in jou (meer nog dan in je Bulletin) diè eigenschappen ‘aangevallen’ - als je het zoo noemen wilt - die mij verwant lijken aan Coster, aan Havelaar, aan Ritter, aan die verdòmde geest van: ‘laat ons toch vooral wantrouwend staan tegenover alles wat niet serieus is’. Ik heb den relatieven kant willen doen uitkomen van wat dan wèl ‘serieus’ is. Overigens weet je wat ik van die manifestatie van Ritter tegen Jacques denk, en de zes of zeven zinnetjes die ik aan dien aanval* wijdde, wil ik nog altijd grààg weerlegd zien: hetzij door Ritter zelf, hetzij door jou. Het antwoord van Ritter aan Jan (dat ik niet las dan in D.G.W.) was één karakterloos, niets-zeggend en vooral niets-verklarend gelùl; de geniepigheid die ligt, juist in dat ongemerkte overloopen van zijn metaphoor in de realiteit, blijft bestaan. Als hij dat zoo niet ‘bedoeld’ heeft, is hij een ondelicate idioot. Ik laat hem geen andere keuze. Maar ik gelóóf niet aan zijn idiotie, dat is het erge; ik geloof nog altijd hier te maken te hebben met een overheerlijk staaltje van die misselijke, laffe smeerlapperij waartoe alleen een ethicus, - een ‘edeldenker’ van beroep - in staat is. Dit is ook ongeveer het gevoelen van Jacques.

Ik hoop dus van harte dat je opmerking die mijn stuk niet raakt maar alleen over Ritter gaat, geen verdediging van hem is. Laat hem zichzelf verdedigen; ik vecht oneindig liever met hem dan met jou. Bedenk overigens dat er nog iemand anders ‘beleedigd’ is in deze affaire, iemand die rustig zijn mond gehouden heeft tot dusver, maar die zich de zaak wel degelijk aantrekt, iemand die èn tot jou èn tot mij in vriendschapsrelatie staat, n.l. Jacques. Ik wil je tenminste wel bekennen dat, als de door Ritter getroffen persoon niet Jacques was geweest maar een mijnheer X., ik me niet geroepen zou hebben gevoeld om publiek op deze affaire in te gaan.

Nu in Godsnaam over wat anders. - Je spreekt van dien Indischen roman van Augusta de Wit1013, en zegt dan: ‘het viel mij toen in, dat er haast geen Indische literatuur bestaat’. Van meesterwerken, neen; van werken die minstens even goed zijn als wat er in Holland zoo specifiek over Holland verschijnt, bestaat een zéé van literatuur! Het is alleen jammer dat de beste van deze boeken niet meer herdrukt worden. Van Deyssel schreef terecht over de werkelijke kwaliteiten van de romans van ‘Maurits’ (P.A. Daum, Indisch journalist). Hij schreef eenige alleraardigste lévende romans: Uit de Suiker in de Tabak, Aboe Bakar, De Van Veltons-van der Lindens, enz. - verder bestaan er uit dienzelfden tijd eenige zeer leesbare romans van officieren: W.A. van Rees, majoor Perelaer. Maar wat verwacht je van een land waar men zelfs de werken van Couperus niet kan herdrukken?

Wat mij betreft: om een ‘Indische roman’ te schrijven, zou ik naar Indië moeten teruggaan. Ik heb, in Indië zijnde, met mijn geest zóó in Europa geleefd, dat ik mij opnieuw en ter plaatse rekenschap zou moeten geven van de specifieke groote Indische waarden. Ik denk ook wel dat ik daar nog eens heenga, al was het voor 2 of 3 jaar. Bovendien, àls ik er een roman zou moeten schrijven, zou ik die anders willen dan in het tot dusver beoefende ‘realistische’ genre. Ik kan je nòg een paar aardige Indische boeken noemen, van lateren tijd: In en om Soeka Sepi van Creusesol (Jhr. Graafland), De Paupers van Victor Ido (Hans van de Wall - dit is verreweg zijn beste boek, het handelt over de Indo's, maar op een intelligente, boeiende manier); Heilig Indië door J.B. Ruzius schijnt ook niet slecht te zijn (maar de man was onderwijzer, dus: je me méfie) - en lees er verder Johan Koning op na!1014

Dat is dat. Van hier geen nieuws. Alles is rustig en als vanouds. We zijn met Weensche dienstmeisjes uit Amsterdam gekomen en een dame voor de huishouding, wier moeder een Balineesche prinses was! Alles blijft dus ook even hybridisch. Simone maakt het veel beter, Gille is geweldig dik en spreekt een beetje Hollandsch tegenwoordig. Met mijn moeder gaat het gelukkig vrij wel; toch denken we er hard over de boel op te doeken en in de stad te wonen. Wat voer jij uit?

Met hartelijke groeten, je E.

*tegenaanval!
1013De godin die wacht (1903).
1014Johan Koning, ‘Nederlandsch-Indië in de literatuur’, in De Indische gids (1921). Zie voor de genoemde schrijvers ook DP's artikel ‘Java in onze letteren’ (Vw 2, p. 621-634).
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie