E. du Perron
aan
H. Marsman

Brussel, 19 februari 1931

Brussel, Donderdag.

 

Geachte Heer Marsman,

Het beste zou zijn elkaar wèl in Rotterdam te ontmoeten, Zondag. Kunt u werkelijk nièt, schrijft u mij dan aan het adres van Bouws. Maar mijn verblijf in Holland zal kort zijn, zoodat ik niet weet of ik nog in Utrecht kom, en zoo ja, toch zeker niet langer dan een avond. Hierover later meer. In ieder geval: dank.

De invloed van Jany in A.M.B. (d.w.z. alléén van De Afspraak) manifesteert zich niet door de golving, maar door de belangrijke rol (de invloedrijke op de personages) gespeeld door het décor. Die kamer als quasi-onvervangbaar punt-van-uitgang is sterk ‘Janyaansch’. Overigens is het geen verwijt dat ik u maak; ik vind het alleen verwonderlijk dat u, die zoover van Jany afstaat, die een geheel eigen persoonlijkheid heeft en, als u maar even wilt, een geheel persoonlijke prozastijl, op deze (meerdere of mindere) punten opeens met zijn middelen werkt. Ik begrijp niet het ‘waarom’.

Gelooft u werkelijk dat ik op al die andere zottigheidjes zou reageeren als ik ze allemaal las? Ten eerste, lees ik er aardig wat; ten tweede zijn ze mij vaak een (kleine!) bron van (toch oprecht) vermaak. Maar in dit stukje steekt een voor mijn gevoel zoo typische christelijke vuiligheid dat ik behoefte voel: niet het ‘tegen te spreken’, maar éven van mijn gevoelens voor die heele bende te getuigen. Ik sta er dus inderdaad op dat u het repliek je plaatst, d.w.z. het zou mij erg tegenvallen als het niet geplaatst werd. Ik ben niet zoo Olympisch als Jany. Bovendien hoor ik bij nadere informatie dat het stukje anoniem is; zet u dus voor ‘een mij onbekend christen’, een ‘anoniem christen’. - Het is gek, maar ik had zoo'n gevoel dat het van de hand van Roel Houwink was, en Van Wessem, al maakt hij er een grap van, schijnt aan denzelfden man te denken. Hoe zou dat komen? Maar het doet er niets toe; mijn antwoord geldt niet déze broeder afzonderlijk, maar de heele broederschap. Het is duizelingwekkend, zoo walgelijk en laag humanitaire en christelijke menschen kunnen zijn; niet féroce, niet vol gezonde haat, maar, in één woord, vilein. U kent Coster - zeer goed zelfs, geloof ik -; ik niet. Welnu, ik ben er zeker van: dit geheel onder ons, - dat die man ook als mensch een pauvre sire - vol verborgen vuiligheidjes - moet zijn. Ik zag zijn portret: niet de gala-portretten, maar een kiekje, bv. dat met Boutens en Van Deyssel; en hij is precies zooals ik mij hem voorstelde. Hij moet onaangenaam ruiken, rotte tanden hebben of zoo. Ik zou zoo'n vent, ook buiten alle literatuur om, alleen met weerzin een hand geven, ik zeg het u zonder éénige aanstellerij.

Over Slauerhoff schreef ik u met potlood op de u gisteren gezonde cahier-pagina's.

Tot ziens, in Rotterdam, of kort daarna - Dinsdag? - misschien in Utrecht. Beste groeten van uw

EduP.

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie