E. du Perron
aan
G. Burssens

Brussel, 1 april 1931

Brussel, Woensdag.

 

Beste Burssens,

Hierbij in antwoord op jouw pessimisme, mijn antwoord, volledig, en zelfs verrijkt met een naschrift, in de heroieke Standaard.

 

Een ongemoedelijk steekspel

DE Hr E. DU PERRON ALS RECIDIVIST

 

De h.E. du Perron, hooghartige Hollandsche censor der Vlaamsche dichtkunst, wil absoluut dat we het hierna volgende kinderachtig schrijven van hem in zijn geheel plaatsen (we hadden er onder Echo's reeds een zinsnede uit gelicht):

Mijne Heeren,

Het volgende voor den fatsoenlijken hoewel anoniemen cacograaf die een zoo vurig stukje aan mij wijdde in uw blad van Vrijdag, 20 Maart.

Het kan mijn bedoeling niet zijn hem tegen te spreken: ik ben een woordacrobaat, als men hem gelooven mag, hij is onmiskenbaar een woordinvalide, die dus als zoodanig reeds recht heeft op een zachte behandeling. Alleen dit dus: ik blijf den heer Moens een martelaar vinden (hij heeft ‘twee jaren van zijn jong leven achter de tralies gezeten voor een ideaal’, mijn God! is hij dan nog geen martelaar?) en voor de rest twijfel ik er niet aan of de fatsoenlijke cacograaf dien ik helaas niet noemen kan, is een edel en weldenkend Vlaming, die zelfs in de journalistiek van nut zou kunnen zijn voor de ‘zedelijke krachten van dit land’, indien hij zich bijv. nog wat zou kunnen bekwamen in het Nederlandsch.

In afwachting van deze blijde gebeurtenis, waarvoor mijn beste wenschen, teekent, na beleefden groet,

(w. get.) E. DU PERRON.

Er was ook nog een naschrift bij, geteekend E.d.P. dat als volgt luidt:

De heldhaftige verdedigers van den heer Moens hebben het noodig geoordeeld niet meer dan één zin uit dit wederwoord te plaatsen, met een nieuw commentaar, betreffende mijn ‘smadelijke hooghartigheid’. Ik verplicht ze tot een integrale publicatie, die overigens de eenige zal zijn. ‘Smadelijke hooghartigheid’, zegt U? Uw termen zijn ditmaal gematigd! (E.d.P.)

 

* * *

We doen over 't algemeen in dit blad ons best om zoo zuinig mogelijk te zijn met het publiceeren van wansmakelijkheden. Eén zinnetje uit het proza van den h.E. du Perron leek ons al heel erg. Het spijt ons dat we op een vroolijken dag als 1 April onze lezers het bovenstaande niet hebben kunnen sparen.

Intusschen met het opgewektste gemoed ter wereld, er zijn dingen waarover een Vlaming met een normale dosis zelfrespect geen gekscheerderij verdraagt, en zeker niet van de zijde van een Brusselschen Hollander als de genaamde E. du Perron. Tot deze dingen behoort ook de gevangenschap van een jong dichter.1665

 

Ik geloof dat dit volstaat. Aan hun slotwoordjes veegt ieder behoorlik lezer zijn je-weet-wel-wat af.*

Wat Marsman zegt over het niet weten wat modern is van P.v.O. (staat dat er werkelik zó?) is natuurlik meer dan dwaas.1666 Maar bedoelde hij het zo? het artikel was als geheel toch uiterst waarderend (trouwens, ik heb met M. over P.v.O. gesproken, en hij heeft voor hem de grootste bewondering) - en wat mij vooral goed lijkt in dat artikel is dat hij niet, als Nijhoff,1667 in zijn waardering het akcent verkeerd legt, d.w.z. op Music-Hall (n.b.!) en Het Sienjaal, met bijna volkomen verwaarlozing van de latere poëzie! (Las je ooit dat stuk in De Gids?)

Wat nu betreft het proza van P.v.O. en van Marsman, ik vrees dat noch het ene noch het andere iets van ‘marmer’ heeft1668; of liever, ik hoop het - van ‘marmer’ zijn toch alleen maar de poëzijen van de hh. Leconte de Lisle en José-Maria de Hérédia. Maar het is zeker dat, ofschoon Marsman zelf vaak slecht (d.w.z. gekunsteld) proza schrijft, het proza van P.v.O. verre van goed is, d.w.z. precieus en onhandig tegelijkertijd. Dat het ondànks deze fouten, òm deze fouten zelfs, toch een bepaalde charme heeft, dankt het aan zijn persoonlikheid. Maar objektief als proza beoordeeld, schrijf jij bijv., béter dan P.v.O. (Dat verwondert je misschien?) We zullen hier op een keer langer over praten als je wilt. Laat ons van P.v.O. niet zoiets maken als de tegenw. Stalinisten van Lenin: een machine van feilloosheden. - En nu: hoe staat het met de exx. op Pannekoek? hoe met de voorgenomen uitgave van de verhalen (hiervan zou ik graag de drukproeven méé nakijken) en hoe met je komst in Brussel? Wij zijn nu in April, dus weer 1 maand verder.

Met hartelike groeten, steeds je

EduP.

 

P.S. - Let niet op mijn idioot handje: de griepmikroben van mijn keel zijn in mijn ogen gekropen, wat mij bij het lezen en schrijven nogal hindert. Ik heb al 3 dagen melankolieke, zwemmende, rode ogen.

 

Origineel: Letterenhuis, Antwerpen

1665Knipsel uit De standaard (B) van 1 april 1931, dat DP tussen de brieftekst had geplakt.
*Een andere vraag is of er veel ‘behoorlike lezers’ bestaan van De Standaard!
1666In het in 782 n 3 genoemde artikel schreef Marsman: ‘over het vraagstuk der moderniteit denkt hij geweldig simplistisch. Vroeg hij zich ooit nader af wat zijn moderniteit zoo al inhield? [...] Ik heb den indruk, dat hij modern is geweest, omdat hij het wilde, zonder te weten wat het eigenlijk was. Benijdenswaardige kerel...’
1667M. Nijhoff, ‘Moderne dichters. Paul van Ostaijen’. In De gids 93 (1929) 12 (december), p. 355-303.
1668Marsman had geschreven: ‘dat dikwijls zoo dorre, kromme, stekelige proza van hem, dat rhytmisch letterlijk iedere fleur en zwierigheid mist, dat erbarmelijk slecht klinkt - ironisch noodlot voor een zoo bijziend monomaan der lyriek - dat geen adem of smaak heeft, dat vermoeit door zijn horten en door zijn engte beklemt.’ In de brief waar DP op reageert had Burssens geschreven: ‘Tegenover het vlakke om niet te zeggen platte proza van Marsman staat het proza van V.O. vol relief, of als je wilt, het marmeren blad van een cafétafel tegenover een marmeren relief.’
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie