E. du Perron
aan
J. van Nijlen

Brussel, 1 april 1931

Brussel, Woensdag.

 

Beste oude Jan,

Ik heb hevig in de lappenmand gelegen, echte, klassieke griep ditmaal, met stormaanvallen van de microben uit het bastion van mijn keel, via de loopgraven van mijn neus, op mijn traanklieren. Verder vele en diverse koortsen. Oef! het gààt nu weer...

Ik heb je nog steeds niet bedankt voor dat uitknipsel uit De Standaard. Je hebt misschien wel gezien dat er zelfs een vervolgje op gekomen is, één tirade van mij met nieuw commentaar van die heroïeke patriotten, en tenslotte, vandaag, de slotreprise, met mijn volledig antwoord. Ik heb, grieperig en wel, dien strijd moeten voeren, en natuurlijk, om aan het woord te komen heb ik zelfs een beroep moeten doen op de ‘rechtskundige krachten van dit land’, m.a.w. een advocaat.

Maar zooals de zaak zich vandaag voordoet, vind ik het best.

Wanneer zien wij ‘ons’ weer? Hier of bij jou - maar eigenlijk, liefst hier: gegeven mijn nog wat delicate huid. Hoe maak jij het? Hoe is het thuis?

Hoû je goed en geloof me steeds

van harte je Ed.

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie