E. du Perron
aan
J. Greshoff

Bellevue, 7 december 1932

Bellevue, Woensdag.

 

Beste Jan,

Dank voor nieuwe zendingen. Dat stuk van je over Baudelaire-en-mama2461 is toch maar kranig afgedraaid, en al staat er niets nieuws in, er staat toch ook niets wat voor onszelf onwaar is! Dat is al een heel ding. Maar ik veronderstel dat zooiets als dit dan ook een groote moreele uitspatting beteekent op journalistiek gebied. - De portretten van Florelle heb ik nog niet, ofschoon ik in eenige winkels probeerde; Donderdag a.s. zoek ik nogmaals. Bep wil in principe best iets voor Gr.Nederland schrijven; alleen: ze heeft niets. Boekbesprekingen doet ze nu in de N.R.C., verder nog een kroniek voor Coenen (zou zij daarop voorschot kunnen krijgen, vraagt ze, in Januari, met het oog op loopende en dreigende rekeningen?) en groote essays kan ze niet meer schrijven, ook al omdat de tijd ontbreekt. - Een van de leukste dingen die ik verder hoorde, is je vraag waar en wanneer die Drie Sonnetten2462 verschijnen. Het antwoord is nl.: wanneer de redacteur voor poëzie van Gr.Nederland dat zal hebben verordonneerd, want hèm werden die vaerzen aangeboden. - Je hebt 10× gelijk wat Menno betreft (die kwestie van ‘hart’). Het rijmpje2463 zelf vond ik nogal flauw - op het ‘zwarte-pietschap’ na van Helman. Nu, Jan, geniet het leven in Luxemburg. Veel hartelijks van ons bei - je

E.

 

Met Sander schijn ik mij te hebben vergist - Hierover later meer.

2461‘Baudelaire en mevr. Aupick’. In Het vaderland van 4 december 1932 (ocht.)
2462Vanaf 1933 was Greshoff redakteur voor poëzie van GN.
2463Onbekend om welk rijmpje het gaat.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie