E. du Perron
aan
S. Vestdijk

Brussel, 28 december 1932

Brussel, Woensdag.

 

Beste Simon,

Ik heb het pendant ontdekt van je gedicht over de regels van Emily Dickinson, hier is het (van Elisabeth Reitsma):*

 
En hij, bekoord door al haar zoete woorden,
 
Schreef haar: ‘uw brieven zijn mij als muziek’...
 
En hij vermoedde niet, dat zij hem minde
 
En dat zij hem, den lieven onbekende,
 
Met innigheid van droomen hield omvangen
 
En dat geheel haar diepste vrouw-verlangen
 
Verbloedde in die brieven ‘als muziek’....

- Neen, dat vermoedde hij niet. En dit is een vrouw, die zonder mannenhulp spreekt. En het versje heet: Tragedie.2486

Dag!

Je E.

*Uit Zingende golven (Van Dishoeck)!
2486Zingende golven, p. 29. Desgevraagd meende Martin Hartkamp, uitgever van Vestdijks Verzamelde gedichten, dat DP de vijfde strofe uit het gedicht ‘De opvolgster’ kan hebben bedoeld (gepubliceerd in Forum 1 (1932) 10 (oktober), p. 682-630).
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie