E. du Perron
aan
H. Marsman

Bellevue, 3 mei 1933

Bellevue, Woensdag.

 

Beste Henny,

Gelijk hiermee zend ik je het ex. Coster voor Rad. Schorer. De correspondentie met V.d.M. wordt hierover voortgezet; we zijn alweer op het vanouds bekende standpunt dat ik geen kritikus ben; Jany sprak me over V.d.M.'s scholing op dat gebied - ik moet er dus misschien bij zeggen: zeer in tegenstelling met Bremmer. Enfin, het is ‘tant mieux’, hoe dan ook.

Stuur je het geld voor Coster aan Menno, of laat je Schorer dat doen?

Je brief van vanmorgen was heel wat rustiger. Ik geloof ook heusch dat je die schrapperij van me te zwaar opvatte. Erover correspondeeren hoeft niet. Behandel de rest nu heusch zelf en stuur het naar Bouws. Later, bij de boekuitgave, praten we nog eens over alles en zal ik probeeren mij daar 2 of 3 dagen geheel vrij voor te maken. Ik ben op dit oogenblik zelf nogal gedeprimeerd. Ik snak ernaar dat die Timmers Verhoeven hier komt, om met hem te kunnen beraadslagen over den rottoestand.

Jijzelf zult spoedig nu wel een ex. Coster van Van Kampen krijgen. Let op de ‘stellingen’!

Jany is gisteravond naar Théoul doorgegaan. We hebben nog over jou en je roman gesproken. Hij was het vrijwel met mij eens wat de ‘fouten’ betreft, maar ook, dat de materie waaruit het boek bestaat, je proza, onmiskenbaar een materie is (Greshoff zou zeggen: een weefsel) van standing. Alleen mag men niet meer over ‘clubfauteuils’ schrijven, volgens Jany; dat deed Menno ook, en dat was een soort elegantie van een eerstejaars-student of van een commisvoyageur. Ik weet niet meer of je over ‘clubfauteuils’ schreef, maar voor het geval....

De Kreutzersonate is inderdaad meesterlijk geschreven en ‘gecomponeerd’.

Over Dumay praten we dan nog. Die afbrekerij van menschen om één punt is kinderachtig; tenzij dat ééne punt den heelen man resumeert. Malraux zegt van zooiets: men kan iemand niet beoordeelen naar één laag van zijn wezen; dezelfde man die zich, wanneer die eene laag getroffen is, gedragen zal als een lamzak, is daarom niet integraal een lamzak, en zou het je kunnen bewijzen zoodra een andere laag getroffen wordt. Precies zoo met literaire opinies, prestaties en God weet wat al niet. Het beoordeelen van Menno naar Dumay lijkt mij stompzinnig, want de waarheid zou nog meer zijn, dat men Dumay beoordeelen moet naar Menno. En dan: wat een geklets toch over Dumay! Er is meer waarde in 30 blzn. Dumay dan in het heele esthetische prul De Stille Plantage; ook daarover zullen we dan nog eens praten. Dat ik Vic dus zou beoordeelen naar zijn zanikstukken over snertboeken onder den prachtigen titel Kroniek van het Proza is onzin; evenmin zou ik opeens integraal gericht willen worden naar de stukjes die ik voor een ‘schamele bijverdienste’ slijt aan de N.R.C. Er bestaat bovendien niet zooiets als ‘een competentie als geheel’; of alleen bij hooge uitzondering. Verreweg de bewonderenswaardigste mensch die ik ken op dat gebied is Malraux. Maar ook zijn wèrkelijke ‘competentie’ blijft beperkt. - Je revolutionaire poëmen2704 waren lang niet mis; Vooral ‘Simon van Krommenie’ was uiterst waarschijnlijk!

Een volgende keer beter. Ik moet nu weer aan allerlei rotwerk. Aan Ducroo kom ik in Mei wschl. niet meer toe. Ook Bep is soms erg moe, en die finantieele toestand op den achtergrond zit me toch ook erg dwars - al doe ik mijn best.

Hart. groeten, ook aan Rien, een hand van je

E.

 

P.S. Hierbij Drijfzand2705 terug dat ik heel goed vind. Is het voor Forum? Stuur het dan aan Bouws en zeg erbij dat ik het al zag en er voor ben; dan hoeft het niet nog eens hierheen.

2704In de rubriek ‘Panopticum’ van Forum 2 (1933) 5 (mei), p. 407-409 schreef Marsman onder de titel ‘S. Waas, mijn proletarisch dubbel-ik’ over de drie gedichten, die hij onder ps. opstuurde naar Links richten, en waarvan er één werd geplaatst. Met deze mystificatie wilde hij de stelling van Jef Last, redakteur van Links richten, als zou een burgerlijk kritikus geen revolutionaire poëzie kunnen beoordelen, ontkrachten. In zijn stuk publiceerde Marsman ook de drie ingezonden gedichten.
2705In Forum 2 (1933) 8 (augustus), p. 614-618.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie