E. du Perron
aan
G.H. 's-Gravesande

Le Roselier-en-Plérin, 8 november 1933

Le Roselier, 8 November.

 

Beste 's Gravesande,

Ik ben - wij zijn - per slot van rekening natuurlijk dolblij dat Menno ‘het’ geworden is, inplaats van die lompe Amerikanerige Scholte; ik denk dat het voor jou ook een opluchting zal zijn. Het was werkelijk anders de moeite niet om van het lijk van Borel af te zijn om er een kreng voor in de plaats te krijgen! Je zult zien (ik ben er zeker van) dat je met Ter Braak buitengewoon goed zult samenwerken; jullie zijn menschen voor elkaar, geheel verschillend, maar op één punt gelijk, dat jullie door en door ‘fatsoenlijk’ zijn - een gek woord, dat toch het beste weergeeft wat ik bedoel, als je er menschen achter denkt en niet ‘burgers’ of z.g. ‘menschen’.

Ik dank je ook nog wel voor de verdere inlichtingen. Opeens zijn natuurlijk al die kranten tegelijk gekom(m)en. Je stuk over mij verdient een bizondere dankzegging; ik was er zeer mee in mijn sas, het is een voortreffelijk stuk, lijkt mij, voor onze Vaderlandsche lezerskring. Je had niet delicater en duidelijker tegelijk kunnen zijn.

Ik werk hier nu weer stevig aan mijn boek, na eenig horten. Als ik rustig kan doorwerken, zonder telkens het idee te hebben dat ik eigenlijk iets anders moest doen omderwille van de contanten, dan denk ik omstreeks Juni volgend jaar klaar te zijn. Maar soms ben ik wee van de situatie waarin ik nog altijd zit, en die toch telkens mijn aandacht afleidt.

Ik wist niet dat je een dochter had. Toen wij in de Bagatelle zaten, na in Riche zoo prettig en vlot den heer Plasschaert te hebben laten zitten, heb je mij alleen van je eerste vrouw en zoon verteld. Maar als je dochter al studeert, moet zij ook uit je eerste huwelijk zijn. Ik hoop van harte voor je dat je plezier beleeft, zoowel aan het werken van je dochter, als aan je bundel bij Meulenhoff2973; dit laatste zou in Frankrijk grif gaan. Maar Meulenhoff lijkt me nogal een vervelend iemand. Als het daar niet lukt, kan misschien Menno nog probeeren bij Zijlstra.

Het stuk over Alexeïeff schreef ik, ook dat over ‘Milmort’. Mijn vrouw heeft die fraaie dingen dan hier en daar met een opmerkinkje van haar - ook op de typmachien - opgeluisterd; zoo beleven we er soms zelf nog eenig vermaak van! Binnenkort komt er nu weer een heel pak; ik geloof dat mijn vrouw in Parijs (ze is vanmorgen vertrokken) vanavond al ‘Les Caves du Vatican’ gaat zien2974; dat gaat dan direct weg (uit Parijs en morgen al); daarna komen de twee Salons. Als ik erg goed aan mijn boek werk in dien tijd, gaan wij misschien iets later dan 1 Dec. weg; maar ik denk het niet.

Van Marsman kreeg ik vandaag een kaart uit Biarritz. Hij is op weg naar Spanje, maar heeft ook daar vooreerst wschl. geen vast adres. Zwerflust - tot de schrijflust weer sterker wordt. El cantor va per el mondo - als ik het goed schrijf (branche Hendrik de Vries en Slauerhoff). - Alexeïeff illustreerde voor Stols - eigenlijk eerst voor mij! - die verhalen van Bjelkin, en later Usher van Poe, maar dit zijn overgenomen illustraties die voor een Fransche uitgave gemaakt werden, waarbij Stols dus de Engelsche tekst heeft gedrukt. (Dit boek is niet van de beste Alexeïeffs.) Tot zoover voor heden, andere inktarbeid wacht.

Hartelijke groeten en het beste toegewenscht van armoe tot armoe; een hand van steeds je

EduP.

2973Sprekende schrijvers. Amsterdam 1935.
2974Dit stuk werd besproken in Het vaderland van 16 november 1933.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie