E. du Perron
aan
W.L.M.E. van Leeuwen

Parijs, 19 juli 1935

Parijs, 19 Juli '35.

 

Zeer geachte Heer van Leeuwen,

Ook nog vóór ik uw naschrift en de bespreking3822 gelezen had - waarvoor veel dank - zou het niet in mij opgekomen zijn uw brief hatelijk te vinden. Een andere vraag is of ik werkelijk bevredigend kan antwoorden in een brief - wat immers altijd iets geheel anders blijft dan een gesprek, en des te meer tusschen menschen die elkaar nooit gezien hebben.

In de eerste plaats zou ik willen zeggen dat uw brief de correctie is op uw stuk, omdat ik van mijzelf met de beste wil niet kan aannemen dat ik zóó vol goede eigenschappen en zoo ‘edel’ zou zijn als u het in dat stuk voorstelt. Een gemeenheidje hier en daar lijkt mij in dit beeld bepaald noodig! En als u dit ook zoo lijkt, bij nadere beschouwing, dan hèbt u eigenlijk het antwoord al op uw vragen.

Toch kan ik u natuurlijk ook meer ‘technisch’ antwoorden, d.w.z. probeeren u op dit gebied tevreden te stellen.

Vooreerst dan de bestaande personen. Wat menschen daarvan denken die ze niet kennen, zou ik ook erg graag willen weten, maar voor zoover ik dit heb trachten te onderzoeken waren de uitkomsten onbevredigend. Goeraëff is over het algemeen de minst bekende; met Arthur Hille, die iedereen erg levend vindt, terwijl iedereen Heverlé het onduidelijkst vindt. Over Goeraëff verschillen de meeningen, sommigen zien hem slecht (Greshoff en u), anderen vinden hem erg duidelijk. Dat Heverlé onduidelijk is, neem ik direct aan: 1o was hij te dicht bij, d.w.z. mijn buurman terwijl ik schreef (wat Wijdenes niet eens was), 2o had ik, om hem ook levend te maken, allerlei details moeten vertellen, in het soort dat u mij bij Wijdenes verwijt; er was trouwens een 3 × zoo goed beeld van Hille te maken geweest als ik om dezelfde reden niet een flink stuk had moeten verzwijgen. En dit brengt ons op het geval van Menno. Hier komt het gewoon neer, dunkt mij, op de verschillende kijk die u en ik hebben op het geval. Ik vind die juffrouw heel matig sympathiek (zielig is nog wat anders dan sympathiek) en haar mama heelemaal niet, het idee aan die menschen hoefde mij dus niet te geneeren; Menno heeft mijn stuk gelezen en had alles erin kunnen laten veranderen dat hem niet aanstond; bovendien vergeet u één ding dat in dit verband (het opteekenen van die belevenis) van werkelijk belang is, nl. dat Menno Dr. Dumay geschreven heeft, met ‘deszelfs’ laatste hoofdstuk! Wat de ouders betreft: ik ken ze niet, en, sterker, ik heb ze niet beschreven, want het heele geval van het voorlezen aan tafel en van ‘Otje’, komt uit een geheel andere familie. De vraag is nu of de menschen gelijk hebben, die voor zichzelf uitgemaakt hebben dat dit boek geen roman is, en die dus alles nalezen om een soort historische waarheid te leeren kennen; die in dit geval dus moeten constateeren dat ik de familie Ter Braak van Eibergen schandelijk belasterd heb en mijn lezers voorgelogen. Maar ik erken het vooropgezette idee van deze menschen allerminst, en zou hen erop willen wijzen dat er niet voor niets ‘roman’ op het titelblad staat. Ook op verscheidene andere punten heb ik de waarheid geweld aangedaan; meestal om redenen die u zou bijvallen. U ziet dus dat het een kwestie wordt van het eene nog te gebruiken en het andere niet meer. Ik bedoel volstrekt niet dat alles wat er nu in het boek staat geen aanstoot zal geven aan de betrokken personen; maar ik heb overal de grenzen daar getrokken waar ik het voor mijn eigen gevoel kon verantwoorden. Ik heb altijd een stevige minachting gehad voor wat ‘men’ ervan zeggen zou, maar zonder dat, of zelfs als ik een ‘delicater’, ‘schroomvalliger’ natuur had gehad, zou ik het heele boek niet geschreven hebben. Zoodat de laatste wijsheid deze wordt, dunkt mij: dat je iemand, wiens temperament hem drijft tot het schrijven van bekentenisliteratuur, niet vragen kunt dezelfde eerlijkheid en kieschheid te hebben van iemand die zelfs zijn eigen ondervinding legt in een boek als bv. Niels Lyhne (of Malte Laurids Brigge). Het wordt een kwestie van grenzen.

Als u ten opzichte van deze dingen zegt: ‘ik mis de objectiveering van den romanschrijver’, komt u natuurlijk op het terrein waar het boek absoluut géén roman is. Maar deze kwestie (die u zelf de begrenzing, van het genre roman dus, noemt) is voor mij alleen van belang om op te lossen in een essay van ± 20 blzn. (In hoeverre zijn Adolphe, Max Havelaar, Barnabooth, Brigge, Point counter Point - ik geef u expres verschillende graden - romans, of niet? In hoeverre zijn zelfs de Confessions van Rousseau en de mémoires van Casanova géén roman? en wat moeten we precies denken van den ‘romancier’ Proust?) Uw bedenking tegen het verwerken van werkelijke gebeurtenissen - nu zonder moreele bijbedenkingen - in romans, is geen oogenblik houdbaar, omdat u dan zelfs Dickens, Tolstoi, en hoogstwschl. iedereen (die niet bepaald fantastische vertellingen geeft) zou moeten verpletteren onder de slechte punten. En sterker: ik geloof niet dat men het leven fantazeeren kan, of verbeteren; ik geloof dat ieder groot, of belangrijk, boek dat het leven pretendeert weer te geven - of zich althans daarop baseert - alleen bestaat door het technisch arrangement van een stof die door het leven zelf gebracht wordt. - Dit arrangement is bij mij nu juist gering, zult u zeggen. Natuurlijk, geringer dan in menige ware roman. Maar veel minder gering dan u aanneemt, wanneer u zich op het standpunt stelt hier met een complete autobiografie te doen te hebben.

De vergelijking met Henny in Angèle zou nooit in mij opgekomen zijn, omdat hij eigenlijk zichzelf gestoken heeft in een omhulsel à la Jany. - Overigens is Rijkloff (bij mij) een samenraapsel van verschillende lieden, gestekt op een mijnheer à la Jany, en met enkele grapjes van hemzelf. Maar als u het tot het uiterste drijft, zou ik ook allerminst durven beweren dat Heverlé Malraux en Wijdenes Menno zou zijn. Op dit uiterste beweer ik trouwens dat Ducroo een ander is dan ikzelf. Of liever: dit is het uiterste; de vorige waarheid vindt u na 2,3 stappen!

Waarom denkt iemand dat een lezer interesse zal hebben voor dingen die alleen belang lijken te hebben voor hemzelf? - Eig. beteekent dit: waarom publiceert iemand iets? Het geloof waarmee hijzelf iets opschrijft, moet zich, bij voldoende talent altijd, meester maken van den lezer. Er zijn natuurlijk altijd onmogelijkheden van contact; maar voorwaarde is toch dat de man die schrijft, al was het alleen ‘voor zichzelf’ doordrongen raakt van de noodzakelijkheid, en dus van het ‘belang’ (ik vind dit woord eig. onuitstaanbaar) van het opschrijven. De voorouders van Ducroo zijn ‘van belang’, om dezelfde reden als een beschrijving van de tuin waarin iemand kind geweest is; om het bereiken van een sfeer, die hier door menschen ontstaat inplaats van door landschapsbeschrijving. - Ik zeg niet dat dit mij gelukt is, maar dat het zoo te verklaren en te verdedigen is, spreekt vanzelf. Er is in principe geen enkele reden waarom iemand over zijn overgrootvader zou zwijgen, en wèl de kamers beschrijven van een huis waarin hij (of een ander) gewoond heeft.

Eén bedenking, in uw stuk nu, vind ik precies ernaast; waar u zegt dat de groote Ducroo er al is, wanneer over de kleine gesproken wordt. Dit is mijn heele punt van uitgang geweest, omdat ik dit het eenige vind dat echt is. (Bij verschillende gelegenheden heb ik er in het boek zelf trouwens de nadruk op gelegd.) De reconstructie van kinderleven heb ik altijd gevoeld als iets willekeurigs en onwaars.

In uw brief staat dan nog: ‘In een roman eisch ik dat de personen elkaar naderen en verlaten. Hier zijn ze allemaal al waar ze wezen moeten of komen’. Ik kan u hierop alleen antwoorden met een wedervraag: Vanwaar die eisch? Waarom zou een roman zóó moeten zijn en niet anders? En waarom is het ‘elkaar naderen en verlaten’ dat de menschen bij mij dan in het verleden doen minder goed dan wanneer het in het heden gebeurde? - De ontmoetingen gebeuren in het heden bovendien ook; want wat u met ‘interviews’ vergelijkt is voor mijn gevoel precies het tegengestelde daarvan: in een interview gaat het om den geïnterviewde, terwijl voor Ducroo iedere ontmoeting een spiegelen is, een vergelijken van een ander met zichzelf. Dat deze ontmoetingen in woorden plaats hebben - dus ‘cerebraal’ verwerkt worden - inplaats van in gebeurtenissen (als wanneer de een bv. verliefd wordt op de vrouw van den ander) maakt natuurlijk verschil; maar ik vraag u nu welke geldige reden u hebben zou om te zeggen dat het eene niet mag (of niet deugt)?

U ziet, zoodra men deze kwesties een beetje ingrijpend gaat behandelen is eig. een gesprek noodig, want ik heb u nu 6 blzn. geschreven en wschl. bent u niet voor de helft ‘bevredigd’. - Ik denk nog wel in Holland te komen, maar wanneer is de vraag; en ook of ik dan naar Delden zal kunnen komen. Maar in principe: graag. Zoo-wel Menno als Henny hebben mij van u beiden de meest sympathieke dingen gezegd; ik begin het dus als een gemis in mijn opvoeding te voelen dat ik u nooit ontmoette.

Ik zou het heel prettig vinden als u iets uit de Zandbaai3823 in uw boek opnam, en schreef Henny daar zelfs al over. Wat de strijd om Forum betreft, het ziet er nu naar uit dat de roomsche Vlamingen hun zin niet zullen krijgen, maar we zullen toch moeten afwachten.

Met vriendelijke groeten, ook aan uw vrouw en van de mijne, gaarne uw

EduPerron

3822W.L.M.E. van Leeuwen (1895-1974), die in Delden (Ov.) woonde, besprak in Tubantia van 6 juli 1935 Het land van herkomst. Van Leeuwen nam dit artikel later op in Drie vrienden. Studies over en herinneringen aan Menno ter Braak, H. Marsman, E. du Perron. Utrecht 1947.
3823Medio 1935 verscheen te Groningen Naturalisme en romantiek. Proza en kritiek in Nederland sinds 1880. Met bloemlezing. Hierin nam Van Leeuwen geen fragment uit hfdstk 10: ‘Balekambang, Zandbaai’ of elders uit Het land van herkomst op.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie