E. du Perron
aan
F.E.A. Batten

Le Roselier-en-Plérin, 30 november 1935

Roselier, 30 Nov.

 

Beste Freddy,

Dit schrijf ik nog in Bretagne, maar ik neem het mee naar Parijs, om er daar die foto's in te doen. Graag binnenkort terug. ‘De jonge Ducroo’ werd gemaakt even voor ik reporter werd bij Wybrands; ik was dus 19. Dit is ook heelemaal de tijd van Edy, maar hij was toen net weg (naar Breda). Allerlei menschen vinden dat ik er zoo naïef uit mijn oogen kijk; in werkelijkheid keek ik de menschen in die tijd zoo ‘vol’ aan (term van Ferdy de Grave, Rudie van Geen uit Ducroo) dat ik telkens ruzie kreeg met onbekenden. Ik deed het niet altijd expres.

Eline V. houd ik liever aan tot je een andere druk gevonden hebt. Ik wil hebben: de eerste druk in dit formaat (Hollandia-bibliotheek), dus 7e of 8e. Signaleer me ook een ‘kop’-uitgave van Multatuli, als je die ontmoet.

Ik zal je zeggen wàt je aan jongemeisjes met vooruitstrevende geest moet laten innemen: een boekje getiteld Aan mijn Zusje (brief over het geslachtsleven); er bestaat zelfs een Tweede Brief aan mijn Zusje, beide van ir. Felix Ortt, behoorende tot de ‘Bibliotheek voor reiner leven’ (uitgegeven door ‘Chreestarchia’(!!) te Soest), wschl. verkrijgbaar in iedere hollandsche boekhandel die zich respecteert. Zooiets is òngehoord; daar voedt het essentieele van Holland zich mee, en daarnaast is Dirk Coster inderdaad een summum van verfijning, stijl, intellect en cultuur. Lees het, echt; geef het je ‘meisje’ cadeau op haar verjaardag. En let wel, het is erger dan pornografie. Alles wat die man zegt is eigenlijk best, maar de manier waarop is zoo, dat je je bezoedeld voelt door de aanraking. Het is het denken in de sfeer van de mossels, met deze boekjes maakt iemand menschen die nergens aan toe gekomen zijn, ‘complexenlooze’ glazen huisjes met een paar ideeën-knikkers erin. Ik kreeg dat boekje laatst toevallig in handen, en bloos er nog van: naast deze toon zijn woorden als ‘drol, piel, kut’ enz. - mits door iemand van standing gebruikt - vuurpijlen en ijsbloemen; kortom, ik had geen besef dat het zooiets gemeens was. En neem de proef, laat het eens een ‘gewoon mensch’ lezen, zonder te waarschuwen. Hij zal het wschl. niet mooi of diep vinden, maar toch heelemaal niet erg.

Àls ik er nog eens toe kwam om iemand zoo'n briefje te sturen als jij aan Van Duinkerken eens,3955 dan zou het aan dezen denker ir. Ortt zijn. De man heeft ook romans geschreven en studies over letterlijk ieder onderwerp. (Bovendien heeft hij de vrouw met wie hij eeuwig in ‘vrij huwelijk’ zou leven, doodgewoon in den steek gelaten; maar dat heeft hij zijn Zusje niet geschreven.) De moraal van de pissebedden kàn uiterlijk precies dezelfde zijn als die van Spinoza, dat is het ergste, en dat geeft absoluut nieuwe ideeën ten opzichte van een op te stellen hiërarchie. Daarom de dwaasheid van alle jonge geesten die Spinoza ‘verachten’, terwijl ze het in waarheid Felix Ortt doen. Vandaar boeken ook als Politicus zonder Partij, uiterlijk tegen ‘den Geest’ geschreven, zooals Nietzsche het deed; in werkelijkheid in het eene geval tegen den hollandschen zwendelaar-met-den-geest (Casimir, Ortt, Coster en alle ‘hooger’ levende heeren, mevrouwen en studenten), in het andere tegen de schoolmeesters onder de duitsche vakphilosofen, philologen, historici, enz. Il s'agit de distinguer. -

Ik vind dat ietwat musketier-achtige portret van Couperus3956 wel aardig, al is het wat ‘gek’. Heel wat beter althans als het monsterding van Van Wély,3957 - ofschoon dat, voor Van Wély, ook nog tot de minst-erge behoorde. Enfin, het is L.C.

Voilà. Moet je Sprokkelingen van Van Genderen Stort niet eens lezen?

Met beste groeten,

je EdP.

 

Misschien stel je prijs op bijgaande 2 handschriften van A. Roland Holst.3958 Ik stuur ze je maar.

3955Batten schreef Van Duinkerken juni 1935 een onvriendelijke brief n.a.v. diens bespreking van Het land van herkomst. Een kopie van deze brief stuurde hij aan Du Perron.
3956Zie Louis Couperus. Den Haag 1963. Schrijversprentenboek 9, p. 19, afbeelding 47.
3957Een aquarel van A. van Welie voor het eerst gepubliceerd in het Haagse societyblad De Kroniek, Geïllustreerd maandblad voor Nederland en België 2 (1916) 5 (mei), p. 233.
3958Namelijk van ‘Twee gedichten uit “Een winter aan zee”’. In De stem 15 (1935) 12 (december), p. 1169-1170. Niet opgenomen in Een winter aan zee, maar wel als ‘Uit de jaren van “Een winter aan zee”’. In A. Roland Holst, Tegen de wereld. 's-Gravenhage: Stols 1947, p. 12-13. Ook in A. Roland Holst, Verzamelde gedichten. Den Haag etc. 1971, P. 444-445. Zie M.H. Schenkeveld, Een begin van rekenschap. Assen 1970, p. 40.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie