E. du Perron
aan
W.L.M.E. van Leeuwen

Parijs, 31 december 1935

Daar het Oudejaar is: ‘veel heil en zegen’ etc!

Parijs, 31 Dec. 1935.

 

Geachte Heer van Leeuwen,

Ditmaal kort, omdat ik het druk heb en ons onderwerp ook wel is uitgeput.

In de eerste plaats veel dank voor de moeite die u zich geeft om ons Carry te bezorgen. Die Gr. Ned.-nrs zijn er nog niet, maar zullen wel spoedig komen.4034 - Wat die ‘70 regels’ van me betreft, ik heb daar natuurlijk geen enkel bezwaar tegen. Kunt u me een ex. van uw boek zenden, als het uitkomt? Als u niet genoeg exx. hebt om mij er een te geven, dan gewoon ‘ter inzage’.

Uw scepticisme strekt u tot eer, en uw nauwgezetheid om de meest notore prullen zelf te onderzoeken ook. Ik schreef u al dat ik hierin soms net als u ben; het overkomt mij ook dat ik nog eens een boek van Van Gogh-Kaulbach opneem met de bedoeling het ‘mooi’ te vinden, of althans ‘goed in zijn soort’ of zoo, en om dan na 30 blzn. te zien hoe beroerd het is. Bovendien, als u inderdaad zóó sceptisch was dat u in uw ‘diepste ik’ dacht: Tolstoï is goed, maar Courts-Mahler is het misschien ook, dan zou u niet doen wat u nu doet, d.w.z. literatuurgeschiedenis schrijven. U zou dan vooruit en voorgoed gedegouteerd zijn van een vak waar zùlke absurditeiten mogelijk zijn, of als mogelijk kunnen worden gedacht. Maar het is dan gelukkig ook niet zoo, en u weet dit even goed als ik, zoodat het al absurd is om te veronderstellen dat u, over dit scepticisme, van mij ook maar iets zou kunnen ‘leeren’.

Als iemand tegen mij zegt: ‘Claudel, of Whitman, is toch een groot dichter’, lees ik hem over* om mij te overtuigen dat het best-mogelijk is, maar dat ik het niet goed verdragen kan; maar als iemand mij zegt: ‘Reddingius, of Dop Bles, is toch wel heel prachtig’, kan ik die dichters alleen maar inzien om na te gaan hoe imbeciel de man is die dat zei. Als wij dit gevoel en deze zekerheid niet hadden, verdienden wij niet ons met de literatuur bezig te houden, maar met de leestrommel.

Mijn bewijs was zoo:

‘Axioma’: Tolstoi = 10 × Goncourt.
Couperus = ½ Tolstoï.
De Meester = ⅔ Goncourt (ik flatteer hem).
Couperus = dus 7½ × De Meester (15:2).
Den Haag = 7½ × Soest (Dit neem ik aan!)

Maar u wilt ‘bewijsplaatsen’ over de onwaarde van De Meester. Het zou mij niet de minste moeite kosten die te vinden, maar dan in een artikel van ± 20 blzn. En ik schreef u al dat één Uren met Dirk Coster ruim genoeg is. Ik behandelde De Meester, zeer tot mijn eigen genoegdoening, in mijn stuk Jan Lubbes4035 Deze briefwisseling met u over hem is niet omdat hij mij interesseert, maar omdat uw werk, en daarin de ‘hiërarchie’ of hoe u het noemen wilt van onze literatuur, mij interesseert of ter harte gaat.

Voilà. Ik heb het toch nog langer gemaakt dan ik van plan was! Nogmaals dank voor het zenden van die tijdschriften. Met vriendelijke groeten, steeds uw

EduP.

De Nachtbruid las ik een jaar of 6 geleden met een zeker genoegen. Maar inderdaad, tenslotte is het niet veel. En het is veel te lang voor wat het is.

4034Carry van Bruggen publiceerde tussen 1906 en 1928 regelmatig in GN, ondermeer fragmenten uit: Een coquette vrouw?in GN 12 (1914) 12 (december), p. 700-751; Prometheus in GN 16 (1918) 1-6 (januari-juni) en 17 (1919) 1-6 (januari-juni); onder het pseudoniem Justine Abbing Uit het leven van een denkende vrouw in GN 17 (1919) 9-12 (september-december) en Het huisje aan de sloot in GN 18 (1920) 10-12 (oktober-december).
*laat ons niet overdrijven: lees ik een stuk of wat blzn.
4035DP hekelt ondermeer ‘het driftige gekwebbel van de Rotterdamse boulevardier De Meester’.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie