E. du Perron
aan
F.E.A. Batten

Parijs, 6 en 8 april 1936

Parijs, Maandagavond.

 

Beste Freddy,

Antwoord op antwoord 1. Ik wacht nog even op antwoord 2, alvorens te verzenden.

Al wat ik nu nog zeggen kan is dit: ik heb je dan inderdaad verkeerd begrepen, omdat je zoo ontzettend vurig over die Perk-en-Kloos-verschillen schreef. Met al dat vuur werd Kloos een kloot en Perk een held; dat schijn je niet bedoeld te hebben, en het vuur van je nieuwe brief blaast dan ook even heftig de vlammen van brief 1 (naar Lyon, of althans in Lyon ontvangen) neer. Je bent eigenlijk meer iemand met de gloed van Da Costa, je weet wel, die niet van de ‘laauwe westerstranden’ was.

Dat ik niet bepaald aesthetisch schreef, zal je nu wschl. duidelijk geworden zijn, sinds mijn laatste brief. En ik wil Perk bèst brillant vinden (het woord is van mij), waarom niet?

Jessénin is een jong russisch dichter, ‘jong’ gebleven omdat hij op jeugdige leeftijd zelfmoord heeft gepleegd. Hij was o.a. getrouwd met Isadora Duncan, die zijn moeder en misschien zijn grootmoeder had kunnen zijn. Ik dacht dat je van hem, en van Majakovsky, althans gehoord had, - maar je ziet, de sovjet-wereldreputatie mag niet overschat worden in het land van Kloos-en-Perk (= Kloozenperk).

Ik kom zeker vooreerst niet in dat land. ‘Maar je moet nooit zweren, sèh!’ Ik durf vooreerst gewoon geen plannen meer te maken. Wat ik wèl gedaan heb is: het oude lijk van Godius, een verhaal dat ik in 1930 schreef, en dat nooit goed wou worden, op kalefateren voor Groot-Nederland. Van 100 blzn. is het nu 50 geworden, maar het is nóg te traag. Het is de beroerdste, lammenadigste historie - van sfeer althans - die ik ooit geschreven heb. Als ik het nog eens opneem in mijn volgend boek, dan moet ik er nòg eens aan werken, maar dat doe ik dan pas als ik over de toon en het rhytme van de andere verhalen zeker ben.

Tot zoover. Later dan meer, als je nieuwe vuur is binnengewapperd.

***

En The Cloud van Shelley, beste Freddy, is dat dan wèl een natuurgedicht? Iris niet, maar The Cloud wel? Dat is toch om je grijze haren te bezorgen! Ik had gedacht dat The Cloud precies alles is en niet is, wat Iris is en niet is, Iris zijnde een pastiche en niets anders van deze Cloud. Maar ik voel dat er mij werelden onthuld zullen worden. Ik had gedacht dat als de dichter zich met een wolk begint te vereenzelvigen, door het simpele feit dat hij de wolk ‘ik’ laat zeggen, er meteen sprake is van een - hoe noem je dat? - persoonlijke zang of gevoelsgeluid of zoo, en niet van een natuurgedicht. Maar de grens tusschen natuurgedicht en persoonlijke zang is natuurlijk niet zoo maar te trekken, en gegeven deze gecompliceerde kwestie trek je hem in het eene geval hier en in het andere daar. Het verbijsterende is alleen dat je hem ook ergens anders trekken moet, merk ik, als het om gedichten gaat die bijna dubbelgangers zijn.

Als ik het weer verkeerd begrepen heb, graag nadere uitleg. Ik zie jou niet voor dom aan: ik twijfel aan mezelf, en deze kwesties zijn erg gecompliceerd.

***

Ik zou nu graag één ding willen weten (van meer belang voor mij in deze kwestie dan alles wat tot dusver besproken werd), nl: Hoe oud was Kloos precies toen hij zijn beste gedichten schreef? (de eerste 50 uit Verzen I). Kan je me dat precies opgeven? Vraag het desnoods aan Van Eyck; maar misschien kan je het zóó opmaken uit de eerste jaargangen van de Nwe Gids. (Opgericht 1885?) - Dat Perk Kloos beïnvloed heeft, zegt mij, bij deze resultaten, geen bal: als Kloos niet bv. 10 jaar heeft gehad om die invloed te doen ‘rijpen’ (en zelfs dàn), dan was hij, in Perk's tijd al, of tennaastebij, superieur als dichter. En de volgende vraag voor mij wordt dan: hoe de band te leggen, die bestaan moet - want de grootste gemakzucht en kolder in dezen is het ‘losstaand geval’ - tusschen Kloos' persoonlijkheid en dichterschap? Niet Perk is hier dan interessant - want bij hem is het probleem dan opgelost - maar Kloos.

Geef me ook nog even op hoe oud Perk precies was toen hij stierf (ik meen 22), en hoe oud toen hij die zes maanden vriendschap had met Kloos.

En zijn die ‘intieme sonnetten’ op de vriendschap voor Kloos? Er is soms een erg broeierige toon bij Perk, in die sonnetten, - als ze niet vervalscht zijn. Waarin zie je, of ziet van Eyck, dat hij Kloos daarin door heeft, al ziet als een soort Moree, enz.? Deze opvatting lijkt me gebaseerd op een paar héél subtiel uitgelegde komma's en gedachtestrepen, want zoo op het eerste gezicht heb ik er niets van gemerkt. - Je ziet, ik vind de zaak erg boeiend, niet om Perk of Kloos overigens, of nauwelijks, maar om de sport.

Woensdagmorgen.

Gisteravond las ik het gedicht over dat ik uit Perk's ‘intieme sonnetten’ had overgeschreven,4135 omdat het mij zoo edel leek, zoo heelemaal op gemeene polemisten van mijn soort ook toepasselijk. Ik kreeg toen behoefte om te zien of ik nog in rijmen kon schrijven, - wat mij nu in geen 4 jaar is gebeurd. En zie, ik geloof dat ik een waardig antwoord voor Jacques wist te versonnetten.4136 Ik stuur het je nu maar op, met deze andere velletjes; maar stuur het mij terug voor het ‘echte’ gedicht op ommezijde.

Tot nader dus, teister me niet met al je vuren tegelijk en geloof me, met hartelijke groeten, je

EdP.

Ikke:
 
O zeker vriend, laat ons vooral begrijpen
 
Dat Schoonheid zelfs aan soort gebonden is:
 
Geen honger slikt zelfs d'allerschoonste kris,
 
De schoonste kaas laat niet tot kris zich slijpen.
 
 
 
Wij kunnen slechts ons eigen wijsje pijpen
 
En zij het hunne, maar hij is gewis
 
Het edelst mensch, die aan eigen gemis
 
Elk ander proeft en in zijn geest laat rijpen.
 
Want is de wereld door kijven en door keffen
 
Ooit uitgestegen tot een stouter sfeer?
 
 
 
En zijn wij menschen, zoo wij niet beseffen
 
Dat zij als wij, ach! leven slechts één keer?
 
 
 
Uw vorschend woord voert mij tot wijsheid weer:
 
Door mildheid slechts kan elk zich overtreffen!

4135Het vijfde sonnet uit ‘Nagelaten verzen’ (De nieuwe gids 9 (1894) 1 (januari-februari), p. 7), dat begint met de regels: ‘Wat zijn wij menschen toch verfijnde dieren, Als eigen-liefde 't merk is van het beest’.
4136Zie ‘Blocnote klein formaat’. In GN 35 (1937) 4 (april), p. 397-398 (Vw 5, p.229-230).
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie