E. du Perron
aan
R.A.J. van Lier

Parijs, 22 april 1936

Parijs, Woensdagavond.

 

 

Beste Rudie,

Het is soms zeer verkeerd om te ‘diep’ te kijken. Ik mag Fred au fond heel graag en ik zou volstrekt niet willen zeggen dat ik niet aan zijn ‘mogelijkheden’ geloof. Maar daar gaat het hier niet om.

Je vergist je als je denkt dat ik hem geschreven heb als ‘aan mijn ergste vijand’. Aan mijn ergste vijand zou ik heelemaal niet geschreven hebben; of indien ja, dan werkelijk nog wel anders.

De zaak komt hierop neer: ik kan het duPerron-toontje van Fredje niet verdragen, en des te minder als hij het tegen mij aanheft. Hij schijnt te denken dat hij mijn gelijke is (c'est le cas de le dire) als hij haantjes-achtig doet. Als hij denkt dat ik gedefinieerd word door haantjesachtigheid, is hij een idiootje. Dat is hij trouwens vaak genoeg, en dat stemt mij noch wanhopig voor zijn toekomst, noch op zichzelf boosaardig. Maar als zijn haantjesachtigheid + idiootheid hem ertoe brengt om perroniaansche impertinentheidjes tegen me uit te kramen, dan wordt dit ensemble me te brèl, om met Greshoff te spreken. En hij krijgt dan gewoon wat een haantjesachtig idiootje die zich verbeeldt du Perron te zijn verdient, d.w.z. een paar draaien om zijn ooren.

Dat is alles. ‘Dieper’ hoef je 't niet te zoeken, en over Fredje's ontwikkelingsproces etc. wil ik het best met je eens zijn.

Laten we de historie hierbij laten. Ik ga morgen met Bep voor een week op reis om wat buiten het gekrijsch te zijn van ons zoontje. - Hartelijke groeten, ook aan Fred, van je

EdP.

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie