E. du Perron
aan
L.F. Jansen

Tjitoeroeg, 12 september 1937

Tjitjoeroeg, Zondag.

 

Beste Jansen,

We moeten de verlossing uit de theologie nader bespreken. Het geval van der Hoop is veel gekker (in den zin van komischer) dan het jouwe; daarom moeten we dat behandelen; wat het voordeel voor jou heeft van je ‘zacht te spiegelen’. Bij hem wordt de lust zich nergens over druk te maken n.l. gecompliceerd door de onlust van zich verdoemd te weten - wij allen zijn immers verdoemd! - en de gemengde lust-en-onlust, vermoedelijk van zich pederast te weten. Overigens: vanmorgen zond ik de kop van Marcus-Aurelius weg. Je kritiek ter harte nemend, schrapte ik (maar zichtbaar) den eersten regel (‘Als bij geen van ons een op de loop is’) en verving hem door: ‘Als het waar is dat edik geen stroop is’ - wat niet veel mooier is, maar minder ruw.4899 Dat jij nu ook al niet begrijpt wat ik bedoel met ‘essentieel’ in het geval Gide, is gek. Ik ga heusch denken dat ik hoogst onduidelijk schrijf, wat aanleiding kan geven tot ontzettend nadrukkelijk geouwehoer, als bij Multatuli in zijn lateren tijd, toen hij bij iedere stap voorzorgen wou nemen om niet door Hollanders te worden misverstaan. Ik bedoel dit: Gide's geval is in wezen, dus juist niet zoozeer qua literaire vorm, het probleem van een gewetensvol schrijver die het verdomt politiek uitgebuit te worden. Eenvoudiger kan het niet; en dat sprong in het oog, dacht ik in mijn onschuld! Van al of niet goed schrijven, dus ‘hooge plaats als kunstwerk’ is maar zijdelings kwestie; daarop zou ik moeten antwoorden, dat vooral het eerste boekje voortreffelijk is geschreven en dus 10 × beter dan rapporten van anderen, maar in Gide's werk toch niet zoo hoog staat als Les Faux Monnayeurs bijv.! - Ook bij Ter Braak 's Christenen is het essentieel de schrijver door de politiek bekneld; in Politicus z. Partij precies zoo. Dat Ter Braak en Gide goed, voortreffelijk, bewonderenswaardig enz. enz. schrijven veronderstel ik als bekend. (Dat mag niet, maar dat doe ik dan toch maar.) Rest: hun politieke situatie te behandelen. Maar deze politieke situatie is, gegeven hun wezen, essentieel een literaire aangelegenheid. Q.e.d. - Oef! Doe het me na, om dit aan No. 2. uit te leggen; wat zeg ik? tastbaar te maken. Wat je over Multatuli zegt, begrijp ik absoluut niet. Tenminste, voor zoover het de objectieve waarheid betreft, want dat je het links laat liggen of niet is een kwestie van smaak, waaraan dus niet veel valt te begrijpen. Je zegt: de geschiedenis (mooie naam!) heeft aangetoond dat Multatuli ongelijk had met het cultuurstelsel beter te vinden dan vrije arbeid. Best; maar dit zegt allerminst, dat Multatuli in zijn tijd ongelijk had. De geschiedenis toont altijd aan dat X en Y (Hegel of Marx) in het absolute - zelfs als dit absolute maar het absolute is van de geschiedenis! - ongelijk hebben. X en Y kunnen alleen gelijk hebben op de korte afstand, het korte stukje geschiedenis dat hun tijd is, of omgeeft; tot in het oneindige kunnen zij niet kijken. Multatuli heeft nooit het cultuurstelsel goed gevonden; hij heeft het alleen verdedigd als het minste kwaad toen men grooter kwaad als geneesmiddel kwam aanprijzen. Is dit verkeerd geweest? Dat men op het oogenblik én met het cultuurstelsel én met den vrijen arbeid heeft afgedaan, is iets anders. Je moet me dit uitleggen als ik me vergis. Mijns inziens is de brochure over Vrije Arbeid van Multatuli van 1863,4900 voor 1863, zeer scherpzinnig geweest, afge-scheiden van het goed of slecht schrijven. Het stuk is in zijn beste momenten overigens niet meer goed geschreven, maar schitterend, magnifique! Hij kende de landheeren, die de z.g. vrije arbeid zouden dragen trouwens te goed, lijkt me, om zich te kunnen vergissen. Maar nogmaals, als je me de dwaling kunt aantoonen, niet voor nu, maar voor toen, graag.

Ik ben - dit in tegenstelling met Bep - altijd wantrouwig tegenover den laatsten stand van de wetenschap, zooals uitgedrukt in de nieuwste druk van het leerboek. Darwin's verouderd werk over The Origin of Species is van meer belang, nu nog, voor wie ‘proevend lezen’ kan, dan de laatste herziene uitgave van Algemeene Biologie door Dr. Boeke.4901 Ik acht op dezelfde gronden Multatuli's Havelaar, Minnebrieven, Vrije Arbeid, ondanks al het gedepasseerde, onmisbaar voor het... essentieele (alweer) van Indische vraagstukken, n'en dêplaise alle toegevoegde en grootere lichten van Snouck Hurgronje over Van Vollenhoven tot Meijer Ranneft4902 of zoo. Maar jij als econoom hebt met déze essentie misschien niets te maken? Dat meisje du Perron..., als ik niet zoo'n trouw echtgenoot was, zou ik eigenlijk moeten proberen haar te doen ‘vallen’! Nu draag ik mijn verdediging maar op aan Maria Binnerts, die misschien beginnen kan met haar uit te leggen dat ik niets minder beteeken in de kultuur dan haar vader ‘Boy’ in de kultures. Maar het goede kind zal in beeldschoonheid denken dat dit eigenlijk hetzelfde is, en zal Maria haar dat kunnen duidelijk maken??? Misschien door te zeggen dat haar naam meer kans heeft door mij ‘voort te zullen leven’ dan door Pa; wie weet???

Als je zoo'n brief als deze, en zelfs als de vorige, leest, moet je toch iets begrijpen van het goede humeur waarmee ik nog steeds probeer mijn ergernis over alle opgelegde uitleggerij te kruiden! Zelfs jij begrijpt me niet â demi mot - wat? à mot souligné! - je begint met aan te nemen dat het wel onduidelijk zal zijn, net zooals je met lui-heid de gesprekken in Ducroo éénoogig hebt doorgekeken. Enfin, ik berust en zal me verder inspannen.... Dank voor het toegezegde boekwerk, het is toch niet Dorothy Sayers? want dat heb ik! Hartelijk gegroet door je

E du Perron.

4899‘De kop van Marcus-Aurelius’ en de versregel niet achterhaald.
4900Multatuli, Over vrijen arbeid in Nederlandsch-Indië, En de tegenwoordige koloniale agitatie. Amsterdam 1862.
4901J. Boeke, Algemeene biologie. 2e dr. Amsterdam 1935.
4902C. Snouck Hurgronje (1857-1936), hoogleraar te Leiden (1907-1927), vermaard oriëntalist en kenner van de wereld van de Islam; C. van Vollenhoven (1874-1933), hoogleraar in Leiden (1901-1933), specialist in het volkenrecht en het Nederlands-Indisch adatrecht; J.W. Meyer Ranneft (1887-1968), voorzitter van de Volksraad (1929-1933), vice-president van de Raad van Indië (1933-1936) en bekend publicist op het terrein van de koloniale bestuursproblematiek.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie