E. du Perron
aan
L.F. Jansen

Garoet, 29 november 19375078

Garoet, Maandag 29 November 1937

 

Beste Leo,

Binnerts heeft me een uitstekende brief geschreven, die ik aan Bep meegegeven heb naar Batavia, voor het geval de zaakje - om ‘sportieve’ beweegredenen - interesseert. Als je dien brief leest en mijn antwoord daarop, wordt alles heel helder. De kwestie is dan ook van véél meer beteekenis dan dat Van Haren-verhaal, dat bloote aanleiding is geworden tot een uiteenzetting van Binnerts' standpunt ten opzichte van mijn heele stijl. Het is duidelijk dat hij die eigenlijk niet ‘mot’, uit. Ter Braak, Vestdijk, Slauerhoff, Marsman zelfs, liggen hem veel beter dan ik, al ziet hij, ‘objectief’ wel, dat ik ook wel zoo'n beetje mijn waarde hebben moet. De verklaring hiervan is in één woord gegeven: het mangelt Binnerts niet aan inzicht of smaak, integendeel, hij is veel meer dan jij in reëel contact met de literatuur, - maar hij is ‘germaansch’, dat wil zeggen volkomen onbekend met fransche waarden, en ik ben, helaas of niet, eigenlijk 80% fransch. (Zooals Vestdijk ‘Mittel-Europa’ is, zooals Antonini eens zeer perspicace opmerkte.) Een sterk staaltje hiervan was Marsman, Larbaud's Pauvre Chemisier lezend. Dat dit verhaal zoowat in iedere zin iets brengt, was hem totaal ontgaan, hij dacht dat het een wat lange grap was, 32 bladzijden om te komen tot dat sloteffect van Baru door een gaatje loerend naar het trouwfeest. Wat hij wel leuk vond! Hij was stomverbaasd toen ik hem vertelde dat hij alles gemist had; daarna is hij over gaan lezen, en nu, verdomd, heeft hij het geleerd. Zooiets is voor mij leerzamer dan al of niet een goed cijfer te krijgen; ik weet nu tenminste pertinent zeker wat Binnerts niet voelen kan. Voilà. Laat hooren over Kolff, want ik zou nu wel graag gauw een beslissing hebben. Hartelijke groeten van je

E. du Perron.

5078Brief grotendeels eerder gepubliceerd in Tirade 17 (1973) 184/185 (februari/maart), p. 151-152.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie