E. du Perron
aan
J. Greshoff

Batavia, 12 maart 1938

Batavia C., 12 Maart.

 

Beste Jan,

Ik krijg daar 2 geprikkelde brieven van je, waarvan ik de helft niet begrijp. Vooral al die boosheid over mijn zelfzucht inzake dat stukje over Robbers. Wat is dat? - Ik stuurde joù dat stukje uit Tjitjoeroeg nog, toen R. nog leefde. Je antwoordde niet dat je 't ontvangen had. Wschl. heb je 't direct naar Menno doorgestuurd en toen (terecht!) vergeten, maar dat kon ik niet weten. Dezer dagen - nu 14 dagen of 3 weken geleden? - vond ik een copie ervan terug en stuurde die naar Menno mèt andere stukjes. Toen eerst kreeg ik te hooren dat M. en jij er zoo'n bezwaar tegen hadden. Ik heb toen onmiddellijk geschreven: schrap R. eruit; en heb dat 3 × over moeten doen. Je zult toegeven dat je verwijten dat ik G.N. in den grond wil boren enz. een beetje overdreven zijn... - Maar ook dit alles is de schuld van den afstand; onze brieven kruisen elkaar telkens. Op dit oogenblik weten èn M. èn jij natuurlijk al 3 × dat ik geen enkele koppigheid in deze zaak betoond heb.

Je oordeel over Multatuli is ‘sans remède’. Je vindt het één schoolmeesteruitpluizerij dat geen beeld geeft van Multatuli, - soit. Je bent de eenige die er zoo tegenover staat. Ik laat het aan Henny, Menno en al die heeren die zoo kwaad op me zijn omdat ik Saks uitkafferde, maar die mijn boek toch zoo ‘vlot en vurig en jong en enthousiast’ vonden, over om er een goed woord voor te doen als dat noodig mocht blijken. Ik moet je tegenzin en zelfs je geprikkeldheid erover aanvaarden. Ik kan je alleen dit zeggen: als je morgen over mijn Van Haren-verhaal zegt dat je 't poep vindt, zal ik zeggen: ‘dat is beroerd, maar dat is best mogelijk’. Maar dit boek over Multatuli ben ik blij geschreven te hebben en zou ik in iedere omstandigheid zoo en niet anders herschrijven. Het ravijn is niet van belang op zichzelf, maar als symptoom hoè Jan Lubbes en Droogstoppel er telkens weer op uit zijn om te zeggen: hij liegt - zelfs als zij als idioten lazen. Dàt is van belang, en als er een dergelijk geval bestond, dwz. vastgehaakt was aan het aantal knoopen dat M. aan zijn gulp had, dan zou ik het mij tot een eer en een plezier rekenen om de erudieten den loef weer af te steken in het juiste tellen van die knoopen. Het is omdat ik de schoolmeesters verfoei als jij, dat ik hun wil aantoonen dat hun schoolmeesterij niet deugt; om daarin doeltreffend te zijn is hartstochtelijk blazen niet genoeg, maar tegen-erudietigheid, helaas.* Maar dat mijn Man van Lebak alleen daaruit zou bestaan, zooals jij nu doet voorkomen, ontken ik.

Verder zeg ik nogmaals dat je mij verbaast, want jij die vroeger telkens erop wees dat het minste aan een man die je belangstelling had van beteekenis was (bv. naar aanl. van Stendhal of Diderot), jij vindt de gulpknoopen van M. nu vervelend, terwijl je de discussies van de wassen poppen (voor mijn gevoel) die ‘Greco en zijn kennissen’ heeten in het 5e Zegel, over manicheërs, socinianen en derge-lijke boeiende onderwerpen verslindt!* Het is 1000 × je goed recht en ook daartegen kan ik niets aanvoeren, dan dat je me verbaast. Blijkbaar zijn we allebei bezig flink te veranderen, althans ons te verwijderen van het beeld dat wij ons van elkaar hadden gevormd.

Nu ‘zakelijks’. De Multatuli-vloed is gecaseerd. Ik schreef Q. dat hij moest drukken (brochure of zoo) en dat ik na 2 jaar 't tekort zal aanvullen als er dan een tekort is. Dat zal hij dus wel doen. Finis het probleem van G.N. in dit opzicht.

Ik houd wel degelijk rekening met jou want om je in moeilijkheden - al ware 't maar ‘technische’ problemen - te brengen, om een tekst waar je zelf niet voor voelt, dus zuiver terwille van de vriendschap òf van het onpartijdige redacteurschap, dat zou mij weer niet smaken. Zoodra ik je oordeel over De Man van Lebak kende, heb ik aan publikatie in G.N. over de rest niet meer gedacht (ik dacht er tòch al niet sterk aan, en dit niet omdat jij schuld had, maar omdat ik zelf inzag dat mijn copie wel erg ‘uitdijde’). Het principe van telkens maar 8 blaadjes vind ik daarom toch niet bizonder geslaagd voor een ‘ernstig tijdschrift’; maar dat is hier bijzaak. Als dat vervolg van Mult. nu bij Q. verschijnt, lees het dan vooral niet, want het is nog véél erudieteriger en vervelender en zonder inzicht in het essentieele van Mult. dan De M.v.L. (Ik dacht, moet je weten, dat alleen mijn naschrift van De M.v.L. al van een beetje inzicht in dat essentieele getuigd had,5261 maar ook dat schijnt een zoete illuzie te zijn geweest.)

Ik zou werkelijk willen dat je nu van mij voor héél lang rust had. Ik stel je voor om niet te schrijven, dan nadat alle brieven over en weer beland zijn. Dan weten we tenminste waar we op antwoorden. Zooals het nu gaat is 't niet alleen onprettig, maar bizonder verwarrend.

Verder ‘zakelijks’. Inzake Blocnote heb je inderdaad alles voor me gedaan wat je kon. Maar overweeg dit nu rustig, en geef toe: dat je voor langere stukken dan ook mij altijd hebt uitgesteld. Ik gaf je, op je eigen verzoek, E poi muori, nu zoowat 2 jaar geleden. Je hebt tot Juni a.s. moeten wachten om het te plaatsen, maar Pensioen van Els-schot heb je wèl dadelijk kunnen plaatsen, en dat was nog langer. Ik maak je hier geen verwijt over, maar antwoord op wat je mij verwijt. Mijn teksten over Multatuli zijn van niet veel belang, zeg je, voor je lezers (tant pis, want de N.R.F. bv. zou dolblij zijn geweest met soortgelijke ongepubliceerde en onbekende teksten over Hugo of Stendhal of Flaubert, maar soit, barbaren zijn we nu eenmaal en wat ‘literaire cultuur’ is, weet een Hollander nu eenmaal niet en daar is hij gelukkig mee); maar iets anders: toen ik je uit Tjitjoeroeg en Garoet aankondigde dat ik verhalen ging schrijven, heb je uiterst lauw gereageerd. Misschien weet je dat zelf niet; voor mij is 't een beetje pijnlijk geweest. Ook toen ik het idee ‘roman’ of verhalenreeks opgegeven had, en je schreef over aparte losse verhalen, waarvan de Van Harens no 1 en D.v. Hogendorp no 2 zouden zijn, heb je geen spatje geestdrift betoond, maar me zuiver voorgehouden dat het zoo lastig was zùlke lange verhalen in G.N. te doen, en dat je er misschien later nog wat op zou vinden enz. Ik heb je dat niet verweten en met m'n verhalen bakzeil gehaald. Maar dit alles heeft me wel ontmoedigd - ik bedoel niets meer of minder dan wat dit woord uitdrukt - ten opzichte van G.N. (Trouwens, aangezien E poi muori er nog steeds in moet verschijnen, zou ik ook gek zijn als ik wat anders dan ontmoedigd was.)

Ik hoop nu maar, ernstig, dat je niet opnieuw kwaad wordt bij dezen brief. Voorloopig ben je totaal van me af. Géén Multatulistuk, géén Van Haren- of Hogendorp-verhaal, géén kleine stukkies. Plaats de laatste reeks blocnotes mèt een geschrapte Robbers (dwz. houd in dat laatste stukje alléén de algemene tendenz over ‘intelligente’ auteurs en laat ‘men’ lullen waar Robbers geluld heeft), en caseer dan nog, zooals je zei: definitief in Juni E poi muori, omdat dit nu eenmaal gezet is, want voor mij is alle plezier eraf, en van mij is dit heelemaal geen eisch (waarbij ik bedoel dat je wat mij betreft gerust ook het ding kunt laten vervallen en het zetsel voor wat anders gebruiken), en wees ervan overtuigd dat ik me stil zal houden als een muis.

Over eenigen tijd graag wat betere brieven, over reëele grieven, als die er zijn. Het beste met Gr. N.; maar doe géén moeite om v.H. en W. nummers te krijgen die ze niet graag geven. Ik zie 't tijdschrift wel in de leeszaal van de Harmonie of zoo. Het beste met jezelf, steeds je

E.

 

P.S. - Bep zegt: vooruit, plaats het stuk, als je 't nu eenmaal gezet hebt. Maar ze vroeg Menno indertijd - toen met die mislukte historie met Schilt5262 - om het aan de N.R.C. te zenden, aan Vic dus, waar ze 't net goed genoeg voor vond. Dat het iets voor G.N. zou zijn heeft ze nooit kunnen willen, zegt ze, dus Menno moet 't mij bij vergissing naar jou hebben gestuurd inpl. v. naar Vic. Als na haar halve retraite, uit Indië opeens zóó'n stuk van haar in G.N. staat, zegt Bep, heeft ze 't gevoel dat ze met haar ‘indische déchéance’ te koop loopt. Hoe dan ook, plaats het nu, maar doe haar het plezier het tusschen allerlei stukjes te doen die er niet op aankomen, dus in het genre kritische notities, en zet er vooral ‘E. de R.’ onder, vraagt ze je, en niet de volle naam. Dat zal je toch wel willen doen.

Het is naar, dat de afstand en de brievenkruiserij vooral de boosheid in de hand werken. Geloof me toch onverminderd vriendschappelijk tegenover je gestemd. En nogmaals: het beste voor jezelf.

*Als je hier zien kon hoè veel goed dit boek aan M.'s reputatie gedaan heeft, in ambtenarenkringen enz., juist omdat het zoo compleet is en in details op de feiten ingaat, zou je dit niet betwijfelen. Maar inderdaad, wat kan joù dat schelen als jij het niet lust?
*Met de kwade ideeën die er nu over me heerschen denk je misschien dat ik ‘jaloersch’ ben op Simon's Greco. Niet in 't minst, maar het geval puzzelt me als geval, - als voorbeeld dus.
5261‘Nawoord’. In E. du Perron, De man van Lebak, [etc.]. Amsterdam 1937, p. 330-336 (Vw 4, p. 437-443).
5262Zie Bw TB-DP 4, p. 136 e.v.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie