J. Greshoff
aan
E. du Perron

Luxemburg, 8 april 1938

8 April '38

Luxemburg

 

Beste Eddy,

Beste Eddy, Thuiskomende uit Putten vond ik je lange brief; welke ik met opzet niet dadelijk beantwoord heb. Ik moest de inhoud eerst met mezelf verwerken, om zonder een zweem van boosheid of prikkeling te kunnen antwoorden; ik zit hier nu heel alleen in een hôtelkamer nog wat na te kuren en heb er de tyd voor je op mijn gemak te woord te staan. Het lijkt me noodig nogeens alles na te gaan. Vroeger hadden we verschil van meening, welke tot niet zelden wat al te geanimeerde discussies aanleiding gaf, doch immer op de basis van een wederzijdsche vriendschap. Daar heb je verandering in aangebracht en nu is daar mede m.i. de geheele situatie volkomen gewijzigd . Ik kan niet beter doen, om je mijn bezwaren duidelijk te maken, dan de toestand om te draaien. Er verschijnt van mij een boek "In Allen Ernst", dat ik met onnoemelijk veel plezier heb samengesteld en waar ik, voor het oogenblik nog, veel schik in heb. Als dat uitkomt stuur ik natuurlijk dadelijk per avion een ex. naar mijn beste vriend en ik popel van ongeduld naar zijn oordeel. Op een goeden dag komt het en het blijkt een afbraak te zijn, hartelijk gesteld, maar niettemin krachtig. Hoe zijn mijn reacties? Ik begin met totaal verslagen te zijn en mijn kritikus over de geheele linie gelijk te geven. Ik kan niets en ben te oud om het nog te leeren, etc: je kent die stemming. Maar na eenige ellendige dagen, begin ik tegen de stroom op te roeien en met mijn text in de hand stel ik in een brief een verweer op. Die heeft mijn vriend onderschat, dát heeft verkeerd opgevat, hier is hem een m.i. duidelijke toespeling ontgaan, ginds heeft hij niet juist gelezen. En aldus ontstaat een debat , dat hoog kan loopen en ver worden doorgevoerd. Maar het zou NOOIT en onder geen omstandigheid bij mij opkomen, hoe ik mij ook miskend en verkeerd begrepen achtte, om mijn vriend een rancuneuze lubbes te noemen, die slechts een verzachtende omstandigheid kan putten uit zijn geestelijke en moreele aftakeling. Ik citeer dit niet als een speciale braafheid mijner zijds! De zaak is anders: ik zou zooiets NOOIT zeggen, eenvoudig omdat ik het NIET meen en als ik het wel meende, zou mijn vriend mijn vriend niet meer zijn.

Nu komen we op het echte geval terug. Mijn vriend kondigt mij een boek aan, dat lees ik zooals ik alles van hem gelezen heb en lees niet zonder vooroordeel. Ik heb zoo'n vertrouwen en zoo'n genegenheid voor hem en zijn werk, dat ik a priori al begin te lezen met de overtuiging , dat het iets héél goed moet zijn. Al lezende echter voelde ik een teleurstelling bij mij opkomen. Het boek leek mij de gang van zijn vorige werken te missen en ik verveelde mij. In plaats van een ononderbroken genot, dat ik mij had voorgesteld, werd het mij een plicht. Ik kwam nu te staan voor deze kwestie, welke voor mij geen kwestie was, moet ik er losjes overheen glijden of duidelijk blijk van mijn teleurstelling geven? Ik neem graag aan, dat ik de juiste kijk op dit werkje mis, dat ik de juiste bedoelingen niet voel en de beteekenis ervan onderschat. Dat zijn dingen, welke voorkomen en waar niemand onbereikbaar voor is. Ik accepteer dus volkomen, dat mijn vriend met het vuur hem eigen, zijn werk tegen mij verdedigt. Maar, en hier komen we aan de kern van de kwestie, uitgaande van mijn goede trouw als de natuurlijkste zaak van de wereld. Discussie en zelfs terechtwijzing aanvaard ik gaarne van een vriend, dwz van iemand, die mij door en door vertrouwt en wéét dat ik ook in mijn vergissingen hoe erg ook, te goeder trouw ben. Blijkt, gelijk in dit geval, dit vertrouwen afwezig, dan is er voor mij geen aanleiding verder te redekavelen, dan de éénige basis voor een discussie, de wederzijds erkende gelijkwaardigheid vervallen.

Van je voorstellen begrijp ik dan ook niets. Wanneer we in weerwil van meeningsverschil elkaar waardeeren, is er geen enkele reden de correspondentie te staken ook al loopt die eens wat hoog. En doen we dat niet, dan is het dwaas om de briefwisseling stil te leggen teneinde een aangenamer wederzien voor te bereiden. Als ik jou een wrokkige en zwakzinnige burgerman vond, zou ik niet de minste behoefte hebben je terug te zien en in dat geval zou ik je met liefde tot je laatste snik in de tropen zien verblijven. Ik vind het niet juist, dat jij een rancuneuze lubbes zoo gaarne ongerept weder ontmoeten wilt.

Om misverstand te voorkomen, wil ik dus nogeens kort mijn bezwaar herhalen. Ik heb mij gestooten en me een leelijke wond gehaald aan het feit, dat je eenige reserves tegen je boek niet toeschrijft aan onjuist inzicht, maar dat je er rancune en lubbeserij uitdistilleert. Dat ik mij vergis ben ik bereid ten allen tijde aan te nemen; maar twijfel aan mijn goede trouw en nog wel tegenover mijn beste vriend accepteer ik NIET. Een dergelijke twijfel is voor mij het onomstootelijk bewijs van een verzwakking der vriendschappelijke gevoelens bij hem die die twijfel voelt.

Ik heb nog heel wat in het midden te brengen over de beschouwingen, welke je ten beste geeft en die mij maar matig overtuigd hebben. Doch, dat is een zaak van een geheel andere orde. Ik zou de gedachtenwisseling gaarne voortgezet hebben, maar ik wil je verder lubbussiaden besparen.

Er is echter nog wel een ander punt, dat even aangeroerd moet worden. Het is namelijk mogelijk om iedere uiting van wie ook verkeerd en in een bepaalden zin ongunstig uit te leggen. Je toont je daar heel knap in, omdat je uitgaat van de premisse, dat ik door afgunst en nijd bezield was bij het schrijven van het ongelukkige stukkie! Die inleiding is NIET bedoeld als een doekje voor het bloeden. Mijn lubbusredeneering was heel anders. Ik dacht: alvorens eenige opmerkingen over dat boekje te maken, moet ik die koeien duidelijk aan hun verstand brengen, dat zij hier te doen hebben met een prima man daardoor het debat dadelijk op een niveau brengen, dat voor hen onbereikbaar is. Verder geeft die inleiding de toon aan: oprechte waardeering en bewondering en genegenheid voor een schrijver, die mij, ditmaal voor het éérst, wat uit de hand gevallen is. Dan volgt de zonderlinge opmerking, dat ik mijn verwachtingen niet in het geding mag brengen en alléén maar te maken heb met jouw bedoelingen. Gesteld dat Menno een boek over Nietsche aankondigt en ik in mijn enthousiasme stel me daar het hoogste van voor, mag ik dan, als het werk mij een beetje tegenvalt, daar geen uiting aan geven. Is nu plotseling de objectieve kritiek de eenig mogelijke??? Ten slotte een detail, dat echter kenmerkend voor je mentaliteit is. Wanneer iemand wie dan ook schreef: ofschoon zijn gestalte zich kwalijk tot deze vergelijking leent, moet ik toch zeggen dat de heer Greshoff zich als een hinde door het bosch der Nederlandsche Taal beweegt; zou ik mezelf nooit meer aankijken als ik dáár kwaad over werd!!! Bij het lezen van die passage uit je brief heb ik het gevoel gekregen van: wat hebben ze in dat rotte Indië van onze oude Eddy gemaakt. Wanneer dergelijke volkomen onschuldige en onschuldig bedoelde grapjes van niets onder boezemvrienden kwalijk genomen worden is er werkelijk something rotten in the state of Friendship. Dat de mogelijkheid, dat ik je op die manier zou willen kwetsen één seconde bij je opgekomen is, kan ik je moeilijk vergeven.

Het lijkt me een wat al te eenvoudige oplossing van alle problemen en moeilijkheden, wanneer je iedere afwijzing eenvoudig op de rekening van rancune en lubbussime schuift; maar wanneer je tot die maatregel overgaat moet je consequent en al die kwaadaardige stompzinnige fitters- met-bijbedoelingen uit je gezichtskring bannen.

Ik mijnerzijds kan niets anders doen dan je de verzekering geven, dat een kleine litteraire teleurstelling niet in staat is mijn gevoelens van vriendschap, noch mijn bewondering, noch mijn onaantastbaar vertrouwen aan te tasten. Bij je boek heb ik een teleurstelling gevoeld omdat mijn verwachtingen te hoog gespannen waren en andere richting dan de jouwe uit gingen. Het spijt mij, dat deze feiten, voor jouw gevoel, niet samen kunnen gaan met een volkomen goede trouw en zuivere bedoelingen.

G.N. laat ik rusten. Ook daar treffen mij weer dezelfde geforceerd ongunstige interpretaties van alle verschillen van meening.

Aty zal je dezer dagen wel eens over Gilles schrijven, want er dient raad geschaft.

Met een hartelijke hand, geheel je JAN

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie