E. du Perron
aan
J. van Nijlen

Meester Cornelis, 1 augustus 1938

Mr. Cornelis, 1 Aug. '38.

 

Beste Jan,

Eindelijk kom ik ertoe je weer te schrijven, en wel uit mijn oude huis - het ‘Gedong Lami’ van Ducroo. Ik heb hier 2 kamers gehuurd, één ervan mijn ‘kantoortje’ toen ik 12 à 13 was. Het huis wordt nu bewoond door een kleermakersfamilie die en gros werkt voor het Ned. Indische leger. Onze vroegere achtergalerij staat vol schragen en kasten met groen khaki; een van de paviljoens (bij de kali-kant) is werkplaats: daar zitten van 's morgens 8 tot 's middags 4 een 40 tal inlanders te werken met trapnaaimachines. In de kamer waar ik geboren ben, zitten een 30 inlandsche vrouwen op den grond te naaien zonder machines, gewoon met naald en draad. In het hoofdgebouw kom ik nooit, behalve om eens te telefoneeren.

De kamers waar wij in zitten, zijn de eerste van het bijgebouw: dat oude kantoortje van me + een logeerkamer waar ik vroeger altijd in 't bed kroop om verscholen allerlei detective-verhalen te genieten - deze 2 zijn tot 1 kamer gemaakt - en onze vroegere keuken, die de 2e kamer is. Alles bijeen heel ruim, koel, ouderwetsch en gezellig. Er is veel veranderd maar ook veel hetzelfde gebleven. Ik ben er soms dood melankoliek van, maar nooit op een onprettige manier. Spoken van mijn ouders, of Alimah, heb ik helaas niet gezien, al kijk ik er soms naar uit, in de duisternissen. Tegenover onze zitkamer nu is de oude badkamer, waar de gemeente ontvanger zijn gelden inde toen het hier nog gemeentehuis was, en dat nu weer badkamer terug is geworden, al is er nog steeds een loket in een van de wanden. Wij zitten 's morgens en 's middags aan den kalikant op het gras, van waaruit wij de bocht van de Tjiliwoeng overzien, van waar telkens vlotten en sampans opduiken - iets waar ik als kind al uren naar kon zitten kijken en dat Bep nu evenzeer boeit als mij toen. Alijntje loopt overal rond, als ik 35 jaar geleden, - precies berekend: hij is nu 3 jaar. Hij borrelt van vitaliteit, hoewel hij wel wat bleekjes is in Batavia; maar hij kruipt zoo verwoed en uitbundig tegen ons, over ons en onder ons door, dat wij het er beiden soms finaal tegen afleggen. Voor hem is het erf hier nog groot genoeg, al is er meer dan de helft af, met vroeger vergeleken. En alles is opengekapt, heele boomgroepen zijn weg; wat vroeger ruig en 's avonds spookachtig was, is nu zoo'n beetje parkachtig aan 't worden, hoewel dit parkachtige dan flink verwaarloosd verdient te heeten. Ons gezellige ronde koepeltje vóór, is omgebouwd tot een leelijk houterig portaaltje. Toch zou, met een beetje geld, dit huis nog heerlijk zijn om te bewonen. Binnen is weinig veranderd, en een van mijn emoties was: dat niet alleen overal dezelfde vloertegels liggen, precies in de oude kleuren, maar dat het vitrophaniepapier op de ruiten er nog steeds niet is afgekrabd. 's Avonds, als ik om 't huis loop, kan ik me soms nog voorstellen dat ‘wij’ van vroeger het nog bewonen. Dat ik nu in de bijgebouwen zit, heeft niets dramatisch, omdat ik vroeger ook altijd hield van dit plekje. In de logeerkamer heeft jaren lang een oude inlandsche vrouw gewoond, Samirah geheeten, bij wie ik graag zat. Ik schrijf dezen brief op de plek waar vroeger ongeveer haar bed stond; datzelfde bed waarin ik kroop toen het leeg was, dwz. Samirah dood en de kamer logeerkamer geworden.

Bep vindt het hier een verrukkelijk oord - vooràl de rivier; alleen het klimaat is vrijwel nog hetzelfde als in Batavia, waar dit Mr. Cornelis trouwens bij hoort als jouw Ukkel bij Brussel. Maar het is de rand van de stad, 5 minuten van hier ben je de stad compleet uit en op den weg naar Buitenzorg.

Nu onze verdere avonturen. Misschien heeft Jan je daar iets van verteld. Zoowel Bep als ik zijn eig. in Batavia doorloopend ellendig geweest; ik nog erger dan Bep, maar dat komt wschl. omdat zij niets hoefde te doen, terwijl ik van half 8 tot half 2 op 't Landsarchief zat en dan nog 's middags en 's avonds voor mezelf probeerde te werken. Behalve een litteraire kroniek voor 't Bataviaasch Nieuwsblad, heb ik daar geschreven: Multatuli, tweede pleidooi, dat nu binnenkort uitkomt en je natuurlijk zal worden gezonden. Het bestaat uit 2 dln.: het 1e een polemiek + voortzetting (gedeeltelijk) van De Man v. Lebak, op het thema: Multatuli en Jan Lubbes = de Hollander. Het 2e is niets dan bronnenpublikatie: dokumenten betreffende Multatuli's dienst op Menado en Ambon, die ik op 't Archief heb opgescharreld. Ik heb daarbij erg veel geluk gehad, want deze archivalia, die anders heelemaal in de Molukken en op Celebes hadden moeten worden opgespoord, zijn nog maar zeer kort op het Landsarchief: die van Ambon sinds 1927, maar die van Menado (die veel belangrijker zijn, omdat er allerlei dokumenten in M.'s eigen hand bij waren) nu pas, vanaf 1935 tot nu, om zoo te zeggen een maand geleden, naar Batavia opgezonden. De archivaris, die zich heelemaal tot mijn vrienden rekent, heeft me hierin laten grasduinen, terwijl die dossiers nog heelemaal braak liggen en voor het publiek ontoegankelijk zijn. Alles bijeen dus toch nogal grappig, geloof ik, al is 't niet erg belangrijk.

Verder stel ik voor den uitgever Nix op Bandoeng een bloemlezing samen uit de koloniale belletrie, die, hoewel literair onbeduidend, sociologisch en menschelijk zéér onthullend is en waaruit je de koloniale samenleving, van den Compagniestijd af, prachtig in gespiegeld zult vinden. Het 1e deel gaat van 1600-1780 en heet De Muze van Jan Companjie; dat is nu vrijwel klaar en al ter perse. Het is de Compagnies-mentaliteit dans toute son horreur, grotesk en gemeen om beurten. Het 2e deel wordt veel dikker en zal de ‘Verlichting’ weergeven, de invloed van Rousseau ten slotte, tot en met Multatuli (1780-1860). Dit zal heeten: Van Kraspoekol tot Saïdjah, je reinste Harriet Beecher-Stowe-motief. (Kraspoekol is de eerste uiting tegen de slavernij, geschreven door den vader van Gijsbert Karei van Hogendorp, die in Batavia zat.) Die boeken zitten zóo in elkaar, dat je telkens biografische en commenterende stukken krijgt van mij, in kleinere letter, en dan in grootere letter de schrijverij van die heeren zelf Heeft deel 2 succes, dan maak ik een 3e: van 1860 tot 1900; - en misschien een 4e. De uitgever Nix, een Indo die sprekend lijkt op Oom Tom zelf, is enthousiast en wil alles voor me doen. Die boeken komen uit in groot formaat en geïllustreerd met oude gravures en portretten. Wij gaan nu naar Bandoeng, eig speciaal om met Nix te werken. Ook voor Nix, ik hoop niet voorgoed voor nix, integendeel, er is veel kans op succes: iedereen hier in Indië kijkt aangenaam verrast op als ze over 't plan hooren. Verdien ik er wat aan, dan blijven we misschien nog een jaar op Bandoeng, wie weet. Ik hoop dat het klimaat daar Bep en mij (vooral nu, na Batavia) zal opfrisschen. Gaat alles slecht, nu, dan gaan we eind van dit jaar, begin 1939 misschien, terug nr. Europa. Maar plannen maken in dezen tijd....

Hier in Meester blijven we nog maar 14 dagen. Je kunt me daarna altijd bereiken aan dit adres: p/a A.C. Nix, uitgever, Landraadweg 3, Bandoeng. Schrijf eens daarheen en vertel uitvoerig hoe jullie allen het maken. Is Griet gezond en fleurig? En Sophie? En Charles, wat doe die in zijn tegenwoordige levensphase? Is hij al aan den militairen dienst toe? Denk eens aan: het is 11 jaar geleden, sinds jij en ik elkaar het eerst zagen! - Wat lees je? Ik bijna niets dan historische dingen; en litteratuur alleen voor de krant. Een héél enkele maal maar lees ik een boek uitsluitend voor mijn eigen genoegen. Mijn echte goede boeken (Stendhal, Baudelaire en zoo) heb ik niet uitgepakt sinds mijn vertrek uit Tjitjoeroeg, dus sinds October '37. Dat moet nu in Bandoeng maar weer eens gebeuren, zoodra we daar een huis hebben. Van hieruit gaan we eerst 14 dagen logeeren op Ran-tjasoeni, een theeonderneming boven Bandoeng, waar mijn vriend Adé Tissing nu administrateur is. Zoo krijgt Bep gelegenheid om rustig naar een woning voor ons in Bandoeng zelf uit te kijken.

Ziedaar. Heel veel liefs van ons 3en voor jullie 4, een stevige hand van steeds je

E.

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie