E. du Perron
aan
F.E.A. Batten

Bandoeng, 1 juni 1939

Bandoeng, 1 juni 1939.

 

Beste Freddy,

Ik schreef nu een lang stuk voor K. en O. over het ontslag van Ter Braak. Nemen ze dat niet op, dan heb ik ook met dit blad afgedaan. Ik heb dit Koch meegedeeld. - Komt het stuk erin, dan stuur ik onmiddellijk per luchtpost een ex. naar jou en naar Ter Braak (van wien ik overigens nog steeds geen scheet tot bescheid kreeg - spreek dat eens vlug 3 × achter elkaar uit)!

Nu je nieuwe brief. Het zou mij innig spijten als Ter Braak bleef, tenzij met volledige en grondige genoegdoening. Dat soort menschen hééft geen chic; ze doen alleen wat ze noodig vinden. Laat T. Br. dat in godsnaam niet vergeten! Dat Nijgh nu buiten gevecht is, is prachtig. Maar Swart is óók een fluim. En Schilt, - nu ja, die wordt door T. Br. zelf vaatdoek genoemd.

Van dat tooneelstuk van CSW. v.H. weet ik niets af. Maar als het in het fransch is, neem ik het zeker niet op. Schrijf het dus niet over; beschrijf alleen hoeveel het is, hoe 't eruitziet, wat het onderwerp is, en een paar details (v/h ‘verhaal’).

Laat die brieven loopen, op die eene berijmde brief6113 na, die erbij moet zijn. Wat ik voor den roman noodig heb, hoop ik dit najaar zelf te lezen. Wij zijn bezig met booten nazien enz.; het wordt heusch ernst.

Zie ook in Lakschmi 1840 of 1841 een poëzie (elegie?) van J. van Deventer Jszn. op Het Kerkhof te Batavia.

Mayer schreef mij. Volgens hem is Meyer zeldzaam - dus niet koopen, liever leenen en mij zenden of het noodige eruit overnemen - en Bandong van Nagel vmdl. in ms. Dit laatste is onzin; het staat als boek in het Nieuw Biogr. Wdbk. vermeld, met jaar van uitgave. Misschien is het wel in die ex-bibl. van mr. N.P. v.d. Berg in het Rotterd. Leeskab. Potgieters art. over Meyer6114 ken ik en kan me verdomd weinig schelen; als nagenoeg alles wat des potgieters is. Alle boeken van Nagel die je me opgaf, ken ik; alléén Bandong niet. Portret van Daalberg is niet absoluut noodig; Meyer en Van Hogendorp wèl. En W.L. Ritter! Informeer eens naar dien man bij dat Iconogr. Bureau.

Plaat uit Helmers heb ik al - hoeft niet meer.

Nieuwenhuys heet Robby, niet Rolf, is blond, en in Indië kind geweest. Een aardige vent, voor wie de literatuur leeft - Groet Hein 's Gravesande heel hartelijk van mij en zeg dat ik hem schrijven zal; had ik het niet zoo beestig druk, dan was het al lang gebeurd. - Ik ben nu zoo beroerd dat ik een week rust moet nemen (op last van den dokter) bij een verpleegster a/d Lembangweg. Toch zal ik ook daar - zij 't zachtjes - met werken doorgaan. - Zonderling dat Ter Braak, in de gegeven omstandigheden, nu hem ‘schrijven over vriendjes’ verweten wordt, De Muze aan een ander gaf, - die er dan ook een snertbeschrijving over schreef.6115 Dat zou mij nooit gebeurd zijn; ik zou òf meteen geen regel meer geschreven hebben òf per eerstvolgende beurt een mooi stuk over ‘mijn vriendje’. Enfin, ik ben Ter Braak niet. Dag! Je

E.

 

Ingesloten een briefk. aan Mayer.6116 Wil je eerst zelf op de Bibl. dat Vergeten Proces6117 zoeken en dan pas de bestelling doorgeven? Dank!

6113Een brief in proza en verzen van Willem van Hogendorp aan zijn zoons Dirk en Gijsbert Karel uit Rembang, 5 oktober 1774. Zie Een lettré uit de 18e eeuw: Willem van Hogendorp, p. 30-31 (Vw 7, p. 222-223).
6114‘Jacob van Heemskerck en vijf en twintig jaren Hollandsche poëzij’ in E.J. Potgieter, De werken, deel XIV. Haarlem 1886, p. 220-330 (oorspr. gepubliceerd in De gids van 1849) òf de bespreking door Potgieter van H.A. Meijer, De gedichten, 2 delen. Amsterdam 1860-1861 in De gids 26 (1862) 1 (januari), p. 156-160.
6115In Het vaderland van 14 mei 1939 (ocht.) onder de kop ‘Oost-Indische Compagnie en dichtkunst, Haar “Muze” in het licht gezet door Du Perron’, ondertekend met v.M.
6116Niet teruggevonden.
6117L.E. (Frauck J.G.W.C. Engelberts), Een vergeten proces. Utrecht 1925.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie