E. du Perron
aan
J. Romein

Den Haag, 22 december 1939

Den Haag, 22 Dec. '39.

 

Waarde Romein,

Om misverstand te voorkomen: natuurlijk denk ik allerminst dat je zoo'n scriptie ‘een meesterstukje’ vindt. Ik schreef je uitvoerig, gewoon om een praatje met je te maken en om je den indruk weer te geven die het geheel op mij gemaakt had, los van de relatieve waarde ervan. Vandaar ‘de Huroon’. Je moet dezen Huroon later toch eens een scriptie laten zien, die wél goed is. In ieder geval: als ik nog eens bij je kom studeeren, reken ik op je om me genadeloos op mijn pochel te geven als ik zóóiets bij je indien, maar dat gebeurt wschl. ook wel zonder vooraanvraag. Deze heele scriptie-proef interesseert me op zichzelf, ook om wat ik nu bv. merk hij mijn ‘jongen vriend’ Batten.

Deze is 28 jaar en niet stom, vmdl. intelligenter en met heel wat meer ‘heilig vuur’ voor de letteren dan 99% van de studeerende jeugd. Welnu, hij memt over de keuze van zijn scriptie: weet nu weer niet of Van Woensel6524 (dat vertelde ik je, dat ik hem dien aangeraden had) hem wel voldoende ‘aantrekt’, of hij niet liever Bellamy nemen zal, of Nieuwland*... En als hij dan ook wèrkelijk op onderzoek uit-ging! Een vent van 28 zou althans het ja of neen dan toch in een week moeten weten! Maar neen, allerlei boeken worden thuisgehaald: Prinsen over den roman in de 18e eeuw, Kalft, de oude Theewinkel6525 etc. - met als resultaat hetzelfde quasi-verfijnde en gewetensvolle gemem. Als ik hoogleeraar was, zou ik zoo'n jongen de huid vol schelden; trouwens, hoe meer studenten ik zie, hoe meer ik begin te gelooven in de methode Bolland, terwijl ik dien man altijd een afschuwelijkerd gevonden heb, juist om die donderbasterij van hem.

Enfin, ik bèn eigenlijk een fascist die aan den anderen kant staat. Maar toch: toen jij 28 was, hoeveel had je toen al niet gedaan! Als je nu een stommeling vóór je hebt, dan is alles natuurlijk in orde, maar een jongen die je werkelijk tot de ‘begaafden’ moet rekenen als deze Batten zoo te zien klungelen tegenover zooiets eenvoudigs als een scriptie, geeft me zoo'n idee van: hoe moet het dan met 90% van de studeerende jeugd zijn? Dat gaat me ook niet an, zal je zeggen. Neen; maar toch heb ik lust om in één maand tijd zoo'n scriptie over Bellamy of Van Woensel of wien ook voor zoo'n vent in elkaar te zetten, eenvoudig om hem te laten beseffen wat een hulpeloos mannetje hij is. Dit is eigenlijk wat me het meest ergert: de hulpeloosheid van al deze studeerenden. Als ze dr. zijn, zijn ze au fond nog net zoo hulpeloos, niet?

Ik kan me voorstellen dat je die gecompliceerde kwestie van totalitairen en niet-totalitairen liever mondeling behandelt. En ongetwijfeld kan je me in dit opzicht op het eene punt na het andere wijzen dat ik niet ken of dat me ontgaan is. Maar wat mij puzzelt is: moeten wij de zaak òn-eenvoudig zien, inpl. v. juist de eenvoudige oplossing ervan te nemen, omdat die eigenlijk toch de ware is? Dat klinkt dwaas, zoo gezegd, maar je begrijpt wat ik bedoel: waar komt het tenslotte op neer? Voor jou, evenzeer als voor mij, in geen enkel opzicht minder, is een links-totalitaire oppermacht het eind van alles; dat wil er bij mij niet uit. Daar moeten we dus over praten. Ik blijf bereid de verschillen tusschen de Russen en de Duitschers te zien; het ellendige is alleen dat het met die verschillen voor alles wat je ‘humanisme’, ‘vrijheid van den geest’ enz. noemen kunt, toch op hetzelfde neerkomt. Dat een duitsche overwinning een ramp voor ons zou beteekenen en een russische niet, dat is toch iets dat iemand me bewijzen moet eer ik 't geloof.

Neem dezen brief voor wat het is: een gesprek dat ik met je zou hebben gehouden als ik je vandaag ontmoet had. Heb je geen tijd, antwoord er niet op en laten we 't gesprek voortzetten als we elkaar weer zien. Komen jullie nog in Den Haag en zoo ja, komen jullie dan bij ons theedrinken of eten?

Met beste groeten, je

EduP.

6524Batten begon onder prof. Van Eyck aan een scriptie over Jan Baptista Wellekens, maar studeerde in 1965 bij prof. Zaalberg af op een scriptie over Jan ten Brink.
*Alsof dat werkelijk van eenig ‘hooger’ belang was!
6525J. Prinsen J. Lzn., De roman in de 18e eeuw in West-Europa (1925), G. Kalff, Geschiedenis der Nederlandsche letterkunde (1906-1912, 7 delen) en Jan te Winkel, De ontwikkelingsgang der Nederlandsche letterkunde (2e druk, 1922-1927, 7 delen).
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie