E. du Perron
aan
C. de Hart

Den Haag, 31 december 1939

Den Haag, 31 Dec. '39.

 

Geachte Heer De Hart,

Veel dank voor uw expresse-brief met portret erin. Ik kende dit (uit De Gruyter).6568 Ik had graag het andere willen zien, waarop dit dan minder zou hebben geleken dan op Tine! - Die mr. Tromp Meesters is een heerlijk klungeltje van een komedianterig Hallemannetje met zijn gejammer over het verloren ‘idool’.6569 Ik ben nu al over blz. 350 en ben misselijk, niet van Multatuli, maar van dit ongemeen lage fussoenstuig,* dat hier voor rechtertje speelt en ondertusschen schuimbekt van rancune. Wat de lady van Leggeloo over ‘mevrouw Mimi, de maîtresse’ uitspuugt is vernietigend voor de ‘lady’ zelf; jammer voor haar dat ze dat niet beseft. Ze is zoo zeker van haar ‘claque’, dat ze zich voortdurend blootgeeft, hoewel rusteloos voor rechter spelend. Dit is de ‘waarheid’ voor de burgerij!

Nieuws, feitelijk nieuws over Mult. staat er jammer genoeg niet in.6570 Dat hij ‘zoo was’, weten de menschen wel die Marie Anderson lazen, en de Brieven waar mr. Tromp Meesters zoo van geschrokken is. Dwz. dat hij ook wel zoo was; de lafheid van zoo'n boek als dit is natuurlijk dat, volgens deze ‘bloemlezing’, men zou denken dat hij altijd zoo was, bijna uitsluitend zoo. Maar hij schreef toch wel prachtig, oreert de schoondochter. Jammer dat zulk fussoenstuig niet verklaren kan waar die mooie ideeën, gevoelens, waarheden etc., waar die mooischrijverij van vol staat, dan wel vandaan kwamen? Hoe werpt een zoo slechte boom zulke goede vruchten af? Voor deze lieden schijnt er geen verband te bestaan tusschen mensch en auteur; alsof je als auteur er al komen zou als je maar een acteur was. Maar daar zit nu juist het verschil: de acteur kan in schijn voelen wat anderen hem voor-gevoeld hebben, volstaat dus met na te voelen; bij een auteur gaat dat niet op, als die iets nadoet wordt het nooit eersterangs. En het typische van Multatuli is dat zijn stijl dat nu wèl was; waar haalde hij die eersterangs-stijl, die ook zoo eersterangs-waar klinkt, vandaan, zooniet uit zichzelf? De groote waarde van Mult.'s schrijverschap erkennen, is erkennen dat M. ook als mensch niet inferieur kòn zijn; maar dergelijke mevrouwen van de fussoensparade geven zich daar geen moment rekenschap van, omdat ze geen moment beseffen wat schrijven beteekent; dus kakelen ze er maar op los van dat volmaakte onderscheid tusschen ‘schrijver’ en ‘mensch’.

‘Mensch’ beteekent bovendien bij hen dan zooiets van: brave burger; Hallemannetje. Multatuli zou zelf gevoeld hebben dat Edu ‘als mensch’ zijn meerdere was! 't Is om je te bedoen! Alsof uit den mensch Mult. niet 10 Edu's gingen!

Het mensch - om het woord nog eens in een anderen zin te gebruiken - is overigens zoo door het dolle heen, dat ze den braven dr. Pée zelfs zoowat verwijt Tine in een slecht daglicht te hebben geplaatst, dat ze zèlfs tegen hem uitspeelt dat hij indertijd die brieven van haar heeft gepubliceerd (in 1895 al, meen ik),6571 en dat alleen... omdat Pée verzuimt Mimi zwart te maken. Dit mensch leeft zóó in de partijdige rancune, dat appreciatie van Mimi voor haar al gelijk staat met verguizing van Tine. En toch kakelt ze maar over ‘eerlijke en objectieve literatuur-historie’!

Ze schrijft Ter Braak voor, dat het zoo mooi is als iemand ongelijk erkent en een meening herroept en dat hij 't dus óók zou moeten doen - maar als hij 't ergens gedaan heeft - zooals waar hij Pée een verwijt maakt van Edu weer te betrekken in een korte voorrede over Multatuli, dan schuimbekt ze nog eens van woede over zijn laaghartig loslaten van Pée!6572 't Is dus eenvoudigweg nooit goed bij deze razendgeworden schoondochter-weduwe-lady met eindelijk losgebroken rancunes van 50 jaar oud, - o neen, pas op! van 1896 af misschien pas, dat is dan nog maar 43 jaar! (Ze is in 1896 nl. met Edu getrouwd, toen was ze 26 en hij 42, heb ik nagerekend; Multatuli heeft ze niet gekend, dus alles wat ze nu onthult, op 70-jarige leeftijd, komt van Edu.)

Ik hoop morgen met de lectuur van dit kwaadsappig gekwebbel klaar te zijn en hoop van harte dat Pée haar met bewijzen zal kunnen troeven. Want een feit is, dat zij hem op een paar punten wel heeft kunnen slaan: hij heeft dingen ‘gecamoufleerd’, zooals ze 't zegt, en inderdaad moet hij van Edu wel alle slechte inlichtingen geloosd hebben die hij vernomen heeft, terwijl hij met de goede geen rekening heeft gehouden. Pée's houding om niets goeds te willen erkennen in Edu is zwak, zelfs voor ‘multatulianen’, laat staan voor den ‘objectieven’, dwz. au fond onverschilligen, lezer. En ik moet zeggen - hoe ellendig ik het mensch dat de ‘mevrouw’ van Edu werd ook vind - dat de wijze waarop Edu nog terecht is gekomen, de wijze waarop deze jongen leeraar is kunnen worden, in de wiskunde eerst, later in fransch en italiaansch (die diploma-kwestie6573 kan me niet eens schelen) wel degelijk voor hem pleit. Normaliter had hij koetsier moeten worden of op zijn best gids bij Cook, met de opvoeding die hij als kind had. En deze kant van zijn karakter is door Pée als volkomen waardeloos behandeld, wat die lieden een troef in handen speelt.

Ik zou willen weten òf Pée zijn antwoord al voorbereidt en wanneer dat uitkomt,6574 omdat ik eig. niet op dit boek zou willen reageeren zonder eerst te weten hoeveel Pée er weer van kan logenstraffen.* Op het gebied van ‘Lebak’ kan ik dit gekwebbel op ieder punt tot nul reduceeren; maar deze familierel is èn onsmakelijker, èn oneindig delicater, omdat eigenlijk geen mensch recht heeft daarover te oordeelen, zelfs niet - misschien vooral niet - zg. objectieve literatuur-historici. Waarom een vader en een zoon elkaar haten, waarom Mult. zich als man en vader misdroeg, hoe hij zich voelde, hoe werkelijk gemarteld die man was en in hoeverre hij toch weer komedie speelde, wie zal 't in godsnaam werkelijk kunnen uitmaken? Je kunt 't op zijn best zoo'n beetje benaderen, met heel veel tact, - en die tact is nu allang onmogelijk geworden, omdat alle kampioenen en advokaten van nù ook allang partij zijn geworden, en elkaar zijn gaan haten. Het is nu dus allang een kwestie geworden wie de beste advokaat zal zijn; en iedere partij luistert natuurlijk het graagst naar de advokaat die aan het woord is contra de tegenpartij.

Hier is een mooi kwatrijn van een perzisch dichter dat ik het fussoensrapalje à la de lady van Leggeloo wil ‘toezingen’:

 
‘Wie nooit één nachtwaak naar de waarheid taalden,
 
Geen voetbreed buiten eigen kleinheid dwaalden,
 
Zij wandlen rond in zachte kleederen
 
En schimpen op hun meerderen die faalden.’6575

Het zijn kalkoenen, kakelend tegen een gekwetste en gehavende adelaar. Als Multatuli maar geld gehad had, zouden al deze familie-grieven 80% minder zijn, omdat hij dan van allerlei had kunnen ‘arrangeeren’ wat nu, door zijn armoede, volkomen een hel geworden is. Maar dat zoo'n ‘mevrouw’ dat allemaal eventjes denkt te kunnen verklaren volgens de waarheid, en al schuimbekkend van beleedigd fussoen - voor de burgerwacht immers, vandaar dat ze Ter Braak haast nog erger haat dan Pée, want Pée deed 't maar in een boek, maar Ter Braak in een krant6576 - dat is eigenlijk hoogst koddig; 't is alleen jammer dat het nog veel walgelijker is.

Die Wybrands haalde bakzeil6577 (natuurlijk met een ei, deze malle verschrijving met ij overkomt me sinds ik met een uitgever te maken had die Zijlstra heette, - als ik nu Mult. was zou de dame van Leggeloo zeggen: ‘dat liegt-ie!’) - dat bakzeil halen dan van dien Wybrands, was niet tegenover Multatuli, maar ten opzichte van de waarden waar hij eerst, à la Multatuli, in de koloniën voor vocht, recht voor den Javaan bijv. Later vond hij zijn bankboekje en de achting van de koloniale burgerij heel wat belangrijker om voor te vechten. Dàt bedoelde ik. De man komt in Het Land v. Herk. voor - nu u dat ‘abjecte boek’ toch leest - onder den naam Wouter Doornik, in het hfdstuk dat De Maatschappij6578 heet en waarin ik van den tijd vertel toen ik als jongmaatje onder dezen revolver-journalist diende. Toch had hij wel iets grappigs, een Hallemannetje was hij bijv. weer niet.

Ik wensch u het allerbeste met 1940. Steeds gaarne uw

EduP.

6568J. de Gruyter geeft in Het leven en de werken van Eduard Douwes Dekker (Multatuli). Amsterdam 1920, deel I, tegenover p. 136 als portret van Tine de afbeelding van de franse actrice Juliette Lamber (vgl. 3931 n 3).
6569Tromp Meesters schreef 15 november 1937 aan de weduwe van Edu, dat hij bijna geheel tot de opinies van ‘De Kock en Saks, of nog erger’ over Multatuli was gekomen: ‘mijn idool was slechts een idool. Het gaat me meer aan mijn hart dan ik U zeggen kan’, De waarheid over Multatuli en zijn gezin, p. 82. Zie ook Multatuli en de luizen, p. 38 (Vw 4, p. 581-582 en 585).
*Dit is geen zeemansterm; het lijkt mij de juiste schrijfwijze voor het fatsoen van zulke menschen.
6570O ja, ze insinueert dat hij zijn dochter heeft willen ‘belagen’! Maar zooiets staat, meen ik, bij Marie Anderson ook al.
6571Tine. Brieven van mevrouw E.H. Douwes Dekker-van Wijnbergen aan mejuffrouw Stefanie Etzerodt, later mevrouw Omboni, uitgegeven door dr. Julius Pée. 's-Gravenhage 1895.
6572Menno ter Braak, ‘Multatuli in Vlaanderen’ in Het vaderland van 7 februari 1938 (av.) over Julius Pée en L. Roelandt, Multatuli de beeldenbreker. Brussel (1938). Het commentaar van Annetta Douwes Dekker in De waarheid over Multatuli en zijn gezin, p. 408-409.
6573Pée had van het ministerie van onderwijs, kunsten en wetenschappen vernomen dat Edu aan de universiteit van Padua diploma's behaald had (Multatuli en de zijnen, p. 346), maar Edu was nooit ingeschreven bij deze universiteit (p. 349). Annetta Douwes Dekker drukte in De waarheid over Multatuli en zijn gezin, p. 139-144 enkele getuigschriften af over aanstellingen van Edu als leraar in Italië.
6574De Hart informeerde bij Pée; deze stelde blijkens een brief van De Hart aan DP op 4 januari 1940 voor om gezamenlijk te antwoorden.
*Bovendien ben ik nu bepaald ongeduldig dat ze gauw haar antwoord krijgt.
6575Zie P.C. Boutens, Rubaiyat, honderd kwatrijnen van Omar Khayyam (1913) in Verzamelde lyriek, Tweede deel, 1922-1943. Amsterdam 1968, p. 936. Boutens heeft ‘Die’ voor ‘wie’ en ‘hoe’ voorafgaand aan ‘die faalden’.
6576Menno ter Braak, ‘Nieuwe publicaties over Multatuli's leven, De verhouding tot zijn kinderen, Geen schuld, maar fatum’ in Het vaderland van 18 februari 1937 (av.).
6577De Hart had DP in zijn brief van 30 december 1939 op deze spelfout in brief 3931 geattendeerd.
6578Het land van herkomst. Amsterdam 1935, p. 294-301, (Vw 3, p. 327-335).
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie