E. du Perron
aan
J.A.A. Engelman

Den Haag, 23 januari 1940

Den Haag, 23 Jan. '40.

 

Beste Joannes,

Een groot deel van wat je over die rel zegt, onderschrijf ik, maar onderschrijft Menno persoonlijk zeker ook. Je ziet hem hier te ‘particulier’, - hij zei laatst tegen me: ‘als Van D. die stoel nu niet kreeg, zou me dat voor hem persoonlijk toch spijten’, of zooiets. Hij is hier redacteur-letteren van Het Vaderland, en de strijdwijze van De Maasbode is om iemand duivelsch te maken. Dat hij Van Eyck gelegenheid gaf tot uiting, is in geen enkel opzicht onfatsoenlijk en Van Eyck, als hij eenmaal zooiets entameert, heeft geen enkele stimulans noodig om voort te zetten; dus als je dààr een veete Menno-Van D. achter ziet, is dat bepaald onjuist.

Afgescheiden hiervan is Menno inderdaad van opinie dat Van D.'s artikelen over hem6666 hoe langer hoe ‘vuiler’ worden; iets wat ik geheel met hem eens ben, maar wat me niet in het minst verbaast omdat ik me alleen verbazen kan hoè Menno nog zoo lang aan niet ‘vuilheid’ bij iemand als Van D. heeft kunnen gelooven. Enfin, dit is een zaak die we beter bepraten kunnen dan per brief behandelen; want je kan natuurlijk zeggen dat zoo'n stuk als dat van Van D. in de Gemeenschap niet ‘vuil’ is maar ‘de bonne guerre’, - alleen: op wat voor generositeiten zou Van D. dan nog aanspraak mogen maken van Menno's kant? Ik denk dat Menno deze soort ‘bonne guerre’ voortaan ook met hem voeren zal; maar die Vondelstoel-historie is daarvan toch maar een ‘zijverschijnsel’ en komt tenslotte hierop neer: dat Menno Van Eyck niet heeft gedwarsboomd. Dat zou ook tè genereus zijn geweest, en er zijn andere belangen, die jij even goed als Van Eyck, als Van D., als Menno en als ik beseft: de kwestie van de ‘pénétration pacifique’ van de katholieken in ‘wereldbeschouwelijke’ (!) onderwerpen en dgl. Maar wat mij betreft, daar kan ik me nauwelijks warmer voor maken dan voor den leerstoel op zichzelf; ik zit dan ook niet bij de krant. Zat ik er, dan zou ik zeker door de hitte van de polemiek of zoo vervoerd worden, want ‘te goed’ daarvoor ben ik bepaald niet! (o Heere nee.)

Wil je me niet eens je stuk6667 sturen over het waarheidsboek van de Schoondochter? Dat interesseert me heel wat meer. Mijn brochure is naar een uitgever en ik zal zorgen dat die je ook ‘gewordt’. Nu ben ik goddank alweer met kracht aan wat anders bezig. Weet je dat ik ‘à mes heures’ werk aan een lange novelle in dichtvorm, genaamd De Grijze Dashond? Vestdijk is er verrukt van, en Jany was niet, zooals ik dacht, vies ervan; hij zei zelfs dat hij ‘zeer geboeid’ was. Maar de helft moet er nog bij en ik word teveel door proza afgeleid!

Tot zoover voor heden. Stuur me af en toe eens een Nwe Eeuw met wat aardigs erin.

Hartelijk gegroet, ook door Bep,

je EduP.

 

Ik heb in mijn brochure gezet dat de ‘vitaminen’ die onze natie noodig heeft, Multatuli-vitaminen zijn en geenszins Vondel-vitaminen, zoodat er een Multatuli-stoel moet worden opgericht, die bezet moet worden, niet door Van D. maar door du Perron. Als ze 't nu maar niet echt gaan doen; stel je voor!6668

6666Anton van Duinkerken, ‘De nieuwe élite’ in De gemeenschap 15 (1939) 10 (oktober), p. 465-487. Ter Braak werd ‘valsche nederigheid, de hardnekkige dwarsigheid en het tekort aan oorspronkelijkheid’ aangewreven.
6667In DNE van 18 januari 1940, p. 456-457, besprak Engelman in ‘Over Multatuli’ De waarheid over Multatuli en zijn gezin en schaarde zich aan DP's zijde.
6668Multatuli en de luizen, p. 61 (Vw 4, p. 613).
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie