E. du Perron
aan
P.N. van Eyck

Den Haag, 11 maart 1940

's Gravenhage, den 11. Maart 1940.

 

Beminde Professor,

Ik had het plan u nog te ontmoeten bij de Schrijfselen van Slauer-hoff,6815 maar een wreed opkomende griep heeft mij ter bedde neergesmakt en zie, ik lig er nog. Tusschen de nasale en gutturale explosies door, waaraan ik nu onderhevig ben, heb ik nagedacht over onze conversatie, en met de helderheid van een halve koorts vastgesteld dat het Geheugen ons over en weer parten heeft gespeeld, dermate, dat wij elkander feitelijk in menig opzicht hebben misleid. De eerlijkheid die altijd gebiedt, gebood mij heden U rapport daaromtrent uit te brengen.

Onderscheiden wij:

I. Misleidingen uwerzijds.

Gij hebt mij gezegd dat tusschen Jehan-Baptista Houwaart en Dito-dito Wellekens alleen maar 250 jaren lagen. Heden, in mijn bedstede, het poëtisch verzamelwerk van den uw haat zoozeer verdiend hebbenden Heere van Vriesland naslaande,6816 vind ik tusschen deze 2 Dooperjohannessen slechts een écart van ten hoogste 1½ eeuw, zoodat Gij mij, en dat nog wel ten overvloede van uw middagdisch, een eeuw te veel hebt toegereikt.

Wijders moet ik U meedeelen dat het werk van Uw collega den hooggeleerden Heer Huizinga op alle exemplaren die ik, na onze voorlaatste ontmoeting, ontmoette, getiteld is: In6817 de schaduwen van morgen. Ik voege erbij: helaas, maar mijn schuld is deze fout tegen de goede smaak niet. Ook ik zoude De Schaduwen alleen veel omineuzer en adembeklemmender geacht hebben.

II. Misleidingen mijnerzijds.

Behalve de ongetwijfeld vele andere die mijn halve koorts niet achterhalen kan, en zonder er het boekwerk des edelen Beyle-Stendhal op geconsulteerd te hebben, meen ik thans te weten dat ik een misleidende geheugenfout beging toen ik U zeide dat gezegde auteur bijna een duel had om deze frase uit Chateaubriand: ‘la cime indéterminable des montagnes’. Ziet mijn halve koorts en de daarmee gepaard gaande situatie van kwelling des lichaams doch rust des geheugens goed, dan dient dit aldus te worden gecorrigeerd: ‘La cime indéterminée des montagnes’. Het was de positieve onbepaald-heid veeleer dan het niet te bepalene van de betreffende bergkimmen of transen, dewelke den heer Beyle-Stendhal tot pistoolafschietens toe irriteerde.6818

Tenslotte nog een misleiding geenerzijds, dwz. geheel voortspruitend uit een toevallige samenloop van omstandigheden, te weten:

Gij hebt mij, beminde Professor, gezegd dat gij een lang vertoog over wijlen J.J. Slauerhoff hadt gepubliceerd, eer een zijner tijdgenooten dit verricht hadden, dezelven zich nog slechts hebbende overgegeven aan ontucht ten aanzien van Denzelfden Dichter heden overleden, en kennelijk aan korte ontucht-plegingen. Uit het telefoongesprek daarop volgende, heb ik echter moeten ontwaren - want de mij daarbij in uitzicht gestelde losse vellen zijn mij tot heden onthouden gebleven! - dat voorzegd vertoog verschenen is in den loop van den jare MDCCCCXXXI.6819 Echter is in November van het jaar daaraan voorafgaande een lange dialoog (wellicht vol ontucht) over den nu verscheiden Heere Slauerhoff geschreven en, meene ik, in December MDCCCCXXX in de Vrije Bladen geopenbaard,6820 van de hand van uw onderdanigen en gehoorzamen dienaar thans met griep beladen u deze regelen schrijvend.

Ik schrijve U dit alles slechts om tot nederigheid te stemmen ten opzichte van het geheugen en om te waarschuwen tegen de kwellingen des gewetens die van een te groot vertrouwen op dit geheugen gevolg kunnen zijn, althans in het ware wetenschappelijke gemoed.

Met vele groeten en respecten, mede aan uw Vrouw en Zoon, verblijve ik, uw onderdanige enz. enz.

EduPerron

 

P.S. Nog moet mij van het gemoed dat ik, in den keurbundel des heeren Van Vriesland het ééne verkoren vers van den heer Wellekens6821 geproefd hebbende, dezelve naar mijn smaak een grouwelijk snertpoëem bevonden heb. Maar wellicht draagt de keurbundelmaker van dit feit de grootste verantwoordelijkheid.

6815Ter gelegenheid van de boekenweek werd in n.v. Magazijn De Bijenkorf te Den Haag van 2-9 maart 1940 een tentoonstelling van de werken van J. Slauerhoff gehouden.
6816In Victor E. van Vriesland, Spiegel van de Nederlandsche poëzie door alle eeuwen. Amsterdam 1939, p. 88, Jehan Baptista Houwaert (1533-1599), en p. 275, Jan Baptista Wellekens (1658-1726).
6817Dubbel onderstreept.
6818Van Eyck vergeleek in zijn inleiding bij Hermingard van de Eikenterpen door Aarnout Drost (Amsterdam (enz.) 1939, Bibliotheek der Nederlandse letteren; door DP besproken, zie Vw 6, p. 495-497) dit boek met Les martyrs van Chateaubriand. In 1840 schreef Stendhal aan Balzac, als antwoord op diens bespreking van La chartreuse de Parme, een brief waarvan alleen de kladjes werden teruggevonden. Hij zegt daarin: ‘Je n'ai jamais pu, même en 1802 (j'étais alors officier des dragons en Piemont, à 3 lieues de Marengo), je n'ai jamais pu lire 20 pages de M. de Chateaubriand; j'ai failli avoir un duel parce que je me moquais de la cime indéterminée des forêts.’ (Stendhal, Correspondance III, 1835-1842. Parijs 1968, Bibliothèque de la Pléiade, p. 399).
6819P.N. van Eyck, ‘J. Slauerhoff I en II’ in de rubriek ‘Verschijningen en verschijnselen’ in Leiding 2 (1931) afl. 1 (15 januari), p. 84-93 en afl. 2 (15 maart), p. 173-195 (vgl. 718 n 1).
6820DP, ‘Gesprek over Slauerhoff’ in DVB 7 (1930) 12 (december), p. 337-362 (niet volledig in Vw 2, p. 240-262) (vgl. 537 n 1).
6821‘Ter bruilofte’ (enz.) in Spiegel van de Nederlandsche poëzie door alle eeuwen, p. 275-276.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie