Bijlage 1a

P.A. Beynon, ‘Enkele aanteekeningen over de Kangean Archipel’ in Weekblad voor Indië 16 (1919-1920) 4 (4 mei 1919), p. 51-53, bij 4115. De vier foto's en het kaartje bij dit artikel kunnen hier niet gereproduceerd worden.

 

Enkele aanteekeningen over de Kangean Archipel.

Een uitgebreide verhandeling zal over deze eilandengroep niet worden gegeven. Het doel van dit schrijven is echter, enkele bijzonderheden weer te geven. Moge de lezer er toe komen, ook eens in dien, zoo verafgelegen, voor de meesten onbekenden, doch merkwaardigen, en zeer rijken archipel, een kijkje te nemen.

Zooals op bijgaanden kaart te zien is, behoort tot den Kangean archipel een 30 tal eilandjes gelegen ten Oosten van Madoera, tussen 8o 22′ en 9o 8′ OL en 6o 30′ en 7o 18′ ZB.

Tot de voornaamste eilanden moeten gerekend worden het groote eiland Kangean en het zeer kleine schier overbevolkte eiland Sapeken.

De Loewoek, de boot die 4 x 's maands de verbinding met Soemenep tot stand brengt, voert den reiziger in 12 uren in de natuurlijken haven van Kalisangka, waarna na 3 palen oostwaarts langs uitgestrekte klapperaanplantingen en rijstvelden te hebben gereden, de tourist zich bevindt ter afdeelingshoofdplaats Ardjasa.

De pas gerestaureerde pasanggrahan biedt hem daar een goed onderdak. Tot de merkwaardigheden, die een bezoek aan deze eilanden overwaard maken, behooren: een uitstapje naar de Gowa Koening en de Gowa Peteng, twee grotten, waarvan de eerste drie palen ten Noorden van Ardjasa gelegen is en de tweede zes palen daarvan is verwijderd, hetzij per motorboot, hetzij te paard te bereiken.

De eene grot, de Gele, wellicht de schoonste van Java, is een stalagtiet-stalagmiet formatie, heeft haar naam te danken aan het lichteffect, dat erin wordt waargenomen, waardoor de druipsteen een geelachtig-groenen tint verkrijgt.

Zij is niet uitgestrekt, maar bestaat toch uit twee groote zalen, waarin de stalagtieten coulissen vormen, tusschen welke het van verscheidene zijden invallende licht een eigenaardig, feeërisch theaterdecor veroorzaakt.

Zuilengroepen, uit den bodem oprijzende pilaren, welke hier en daar besloten zijn in nissen, verhoogen dan nog den schilderachtigen aanblik.

De voorhal van dezen grot, welke behoort tot de 1e zaal, bevat een dikke druipsteen, welke een frappante gelijkenis vertoont met een opgestapelde hoop padie, wordt daarom dan ook de ‘Loemboeng’ genoemd.

Volgens zeggen, heerschte vroeger bij de Kangeaners het bijgeloof, dat de Hollanders van deze grot zouden afstammen. Want, iedere Hollander gaat, bij een bezoek aan Kangean, steeds naar zijn afstammingsplaats ter bedevaart.

De tweede zaal omvat de geheele Oostzijde van den grot, door een nauw gangetje van de eerste gescheiden.

De stalagtieten, laaghangend, hebben hier den vorm van geplooid kantwerk. Ter linkerzijde opgaande langs groote stalagmieten, komt men aan den rand van het schaarsch begroeide bosch, en verder dalende tot een diep gat, welke volgens de gids, de uitmonding vormt van een gang, die de 2 grotten met elkaar verbindt, en wel 100 M. diep onder den beganen grond ligt.

In den Oostelijken zaal bevindt zich nog een druipsteen, die de vorm heeft van een ingebakerd kind, hetgeen natuurlijk het noodige bijgeloof heeft doen ontstaan.

Het eigenaardige is nog, dat de jonge stalagmieten van een doorschijnende lilagekleurden harden steensoort gevormd zijn.

De tweede of de zwarte grot is wellicht wel even mooi, maar kan slechts met licht van stormking lampen of toortsen betreden worden, ligt ten Noorden van de havenplaats, nabij het Noordelijk zeestrand, voorbij den N.W. hoek van het eiland.

De opening ligt schier op den heuveltop, die vooraf beklommen moet worden, waarvandaan een indrukwekkend gezicht geboden wordt. In tegenstelling met de eerste is deze grot uitermate groot. Strekt zich, volgens zeggen, uit, tot het midden van het eiland. Na de vóórvestibule te zijn doorgegaan, komt men ter rechterzijde aan een donkere spelonk, die vrij steil benedenwaarts gaat. Dit is het eigenlijke begin van de grot.

Een weinig ter zijde treft men een kleine druipsteen aan van merkwaardigen vorm, alwaar meestal wierook gebrand wordt, om de grotgeesten gunstig voor de bezoekers te stemmen.

Een glibberig steil afdalend pad verbindt boven genoemd gedeelte met een reusachtig grooten zaal, ter linkerzijde waarvan, zich een door den natuur gevormde waterbak, in een druipsteen kegel ingehouden, bevindt.

Deze djeding (waterbak) moet, als de geesten den bezoeker goedgunstig gestemd zijn, vol water zijn.

Het Kangeansch bijgeloof wil, dat dat glasheldere water door den bezoeker, bij wijze van vriendschappelijken daad, gedronken wordt. Steeds treft men verder gaande nog kleinere in druipsteenen uitgehouden waterbakken aan.

De groote en zware stalagtieten beletten dan een weinig het dieper doordringen.

Al dalende, komt men in een grootere en ruimere zaal, waarvan het gewelf ± 30 meter hoog is.

Zooals bij de meeste grotten, is ook bij deze grot de grond bedekt met guano, in het bijzonder deze zaal, terwijl in het midden er van iets ter linkerzijde zich een 5 meter hooge berg vleermuizenmest bevindt. De vleermuizen, die zich in ontelbaren getale in deze grot ophouden, vliegen door het licht in hun rust gestoord, heen en weer tegen het licht op, en het is dan alsof een orkaan woedt.

Het dieper doordringen is meestal onmogelijk. Ook hier, zijn de druipsteenen van ontzaglijke schoonheid: de melkwitte, en groenachtig gele kegels, schitteren in honderde kleuren, waarin het rosa overheerschend is, bij het toch flauwe licht der stormkings, leveren een fantastischen aanblik.

Terwijl de jonge stalagmieten der gele grot van een licht-lila doorschijnende steen gevormd schijnt, zijn die in deze grot grijswit.

Het gevaarlijke bij het bezoeken van deze grot is het veelvuldig voorkomen van slangen. De bevolking beweert, dat er twee heele groote in huizen, en dat, bij het tegenkomen er van, den bezoeker zeer veel geluk en voorspoed te beurt zal vallen.

Ook dat moet den tourist veel waard zijn. Allicht zullen er wel lezers gevonden worden, die zich alleen daardoor laten overhalen, een bezoek aan het onbekende eiland ten Oosten van Madoera te brengen. De zeer interessante tocht naar Tambajangan in het midden van het eiland gelegen, alwaar zich op 100 voet hoogte een Pasanggrahan van het boschwezen bevindt, is vooral ten zeerste aan te bevelen. Een karretje brengt den tourist tot Paseraman, vier paal ten Oosten van Ardjasa, terwijl daarna de verdere tocht (d.w. acht paal) te paard gedaan moet worden. In den Oostmoesson echter is de boschweg bijna in zijn geheel met een bendy te bereiken.

De uitgestrekte rijst-velden hebben op paal 4 opgehouden; men komt in een oerwoud, waarin de zoo bekende veel kostende Kangeaner boschhaan huist. Het typische gekraai is van verre reeds te hooren.

Na 4 palen door dit dichte oerwoud gereden te hebben, komt men, steeds stijgende, aan een prachtig djatibosch: de weg zwenkt om, breekt door een geweldigen steenrots heen, en loopt verder langs den Zuidrand van den Kangeaner bergrug. Van hier ziet men over de djatiboschkruinen heen de zee, die de zuidzijde van het eiland bespoelt, waarin zich verheffen de zoo vele kleine en groote groene eilanden: rechts Sepapan, dan een witten streep zee, dan recht Zuid Saoebi en tusschen Saoebi en Kangean, tal van kleinere uit zee opgerezen stukken grond. Bij goed weer is zelfs Saboenten met zijn rood gedakte huisjes zichtbaar.

De Pasanggrahan ligt even als de weg aan den Zuidkant van de bergketen.

Het vergezicht is hier vooral vroeg in den ochtend met zonsopgang onvergetelijk schoon, achter de Pasanggrahan verheft zich pijlrecht een witte kalk rotsketen, waarvan de top slechts begroeid is.

Deze witte bergketen, goenoeng Batoepoetih, is van heel ver uit zee te zien en dient ook menig visschersprauwtje tot baken.

Ten slotte zij nog even opgemerkt, dat tot de Kangeansche merkwaardigheden behooren: de statige Boschhanen, de Bagisars, een zeer fraaie haansoort gekweekt uit de paring van een boschhaan met een gewone kip, en het loophen, manoek kossong, een megapodiussoort, die een egaalrose ei legt, zoo groot als het beest zelf is (lectuur hieromtrent is te over).

Ik zou later nog wel terug willen komen op een beschrijving van de visscherij, industrie, in het bijzonder die van de Sapekensche wateren, de hoofdbron van bestaan voor de Sapekeners, welk volk in tegenstelling met het Kangeaner, een buitengewoon flink, krachtig en energiek volk is. Het is met vrij groote zekerheid te zeggen, dat Noord Bali en W. Lombok voor het grootste gedeelte de visch betrekken van uit Sapeken, welke visch, gezouten (ikan kannas), gedroogd en gezouten (ikan kering) en als pindang (gekookt en gezouten) in enorm groote hoeveelheden aldaar, een zeer goed afzetgebied vindt.

P.A. Beynon.

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie