[p. 153]

VIII

De roep van de heros. (Geschreven voor De Sleutel, orgaan van het Anti-fascistisch Studenten-Comité, Nov. '35.)

Het is, ondanks de verdwazing van deze tijd, onmogelijk voor studenten te schrijven, zelfs voor studenten die zich met een politiek doel georganiseerd hebben, zonder voorop te stellen dat men onder intellectuelen verkeert. De moraal van deze ‘grote tijd’ wil dat de intellectueel een verachtelijk wezen zij, in de mate waarin hij niet meedoet aan politiek. Terwijl de intellectueel de tijden zegenen mag waarin hij het juist als zijn plicht beschouwen kon zich verre te houden van gevulgariseerde ideologieën en per partijblad aangekweekte passies. De nederlandse intellectueel heeft dit voorrecht langer gekend dan die van andere landen; in zekere mate kent hij het nog. Maar het valt te bezien of hij niet geroepen is zijn politieke partij te kiezen, juist wanneer hij zijn ware bestemming: het dienen van de geest met een maximum van vrijheid, van belangeloosheid en van waarheid, niet onherroepelijk verliezen wil.

Het fascisme is de meest platvloerse en despotische aanslag, sinds tijden gedaan op de intellectuele vrijheid. Een wetenschap die tot propaganda wordt geprostitueerd, een filosofie die de oprispingen heeft te rechtvaardigen van een hysterische hordeleider, een literatuur die met de wolven moet meehuilen of in een hoekje huilen met een prop in de mond, een cultuur die voor de meest politieke doeleinden wordt omgelogen, verkwanseld en bevuild. Het fascisme is de militaire organisatie van een bourgeoisie die eindelijk haar hooghartige toegeeflijkheid-in-schijn heeft laten varen omdat zij zich werkelijk bedreigd voelt; de organisatie volgens het recept

[p. 154]

van deze tijd om eindelijk met alle cynisme dat het fatsoen tot dusver verbood, maar dat men met des te meer kracht nu ‘fatsoen’ zal noemen, te ageren tegen de ‘rooien’. Deze actie was, volgens de ‘historische wet’ waarop alle politieke ideologen zich tegenwoordig beroepen, wellicht onvermijdelijk, en is op zichzelf het bewijs van wat het georganiseerde proletariaat reeds wist te bereiken; maar de resultaten spreken het duidelijkst: het geneesmiddel is erger dan het kwaad. Het kwaad vertoont zich, hoe pijnlijk misschien op zichzelf, als de doorgang naar een betere staat; het geneesmiddel is de cynische teruggang naar alle egoïsmes. Aan de intellectueel, juist waar het zijn rol is verder te kijken dan de tijdelijke belangen, om uit te maken wat hij kiezen wil.

Het fascisme geeft geen uitzicht op een beter bestaan waarvoor het huidige misschien moet worden ingeboet, op een bevrijding van de laatste slaven waarvoor een geëvolueerd mensdom zich schamen kan, op de droom, als men wil, maar althans de schone droom, het reeds bijna metafysische ideaal van een volslagen hernieuwde mens en herordende wereld, zonder oorlog en zonder klassenstrijd. Het ‘ideaal’ van het fascisme is een kortzichtige practische maatregel, berustend op het goedkoopste ongeloof in dat alles; een ongeloof overigens dat zijn wortels minder in een pessimistische filosofie dan in een bedreigde beurs vindt. Deze bourgeoisie die haar egoïsme agressief erkent en ter hand neemt, stelt ons ten doel: de tyrannie van een politiek zonder verdere uitkomst, het oorlogsideaal van een weerbare staat en een sterk volk, de helden-opvatting van een balorige voetballer gestut door de rassentheorie van een dronken onderwijzer, en in één woord de complete en snorkende vulgarisatie van een geestesgesteldheid, toen, om prof. Huizinga te citeren, de gemiddelde dwaas van het eeuweinde sprak van den ‘Uebermensch’, alsof het zijn groote broer was.

Wat het intellect, wat de cultuur, bij deze staat van zaken te winnen heeft is duidelijk: is, precies uitgerekend, niets. Het ligt niet in mijn bedoeling om, waar ik geen communist ben,

[p. 155]

het paradijs aan te prijzen van een sovjet-cultuur. Maar zelfs de ‘bourgeois’-intellectueel die daarvan afkerig mocht blijven, kan, wanneer hij verder wil zien dan zijn onmiddellijk eigenbelang, daar de mogelijkheden zien van een nieuwe beschaving; hier doet hij beter zich meteen te wijden aan de geneugten, pour tout potage, van een ‘oorlog als normale staat’, een ‘heroïsche mensheid die elk geluk veracht’, en het loflied in alle variaties op de edele kwaliteiten van het ‘roofdier’. Het schoonste woord dat prof. Huizinga gesproken heeft in zijn Schaduwen van Morgen is: dat de mens kan willen geen roofdier te zijn. Voor de intellectueel is uiteraard het probleem vooruit opgelost: voor hem is de aanvaarding van het roofdierschap de meest contante dood.

Er zijn, naar het schijnt, toch fascistische intellectuelen: onze eeuw is nu eenmaal, zegt Benda, die van de intellectuele organisatie van alle politieke haat. Bij ons beginnen zij hun uiteenzettingen met een aanhaling uit Mussert, nauwgezet zoals dit soort knechten in het buitenland hun leiders nabrallen. Deze Mussert heeft gezegd - origineel, subtiel en onverwacht - dat wij... in een grote tijd leven. Daarom dus zullen de ware mensen uit deze tijd het heroïsme beoefenen, en mag men eerlang de zegen verwachten van een ‘gebundeld’ volk (de terminologie verraadt zichzelf: ‘gekneveld’ is beter nederlands) en de ‘klassieke deugden van zelfbeheersing en ridderlijkheid’.*

Wij hebben deze bundelarij, en vooral deze ridderlijkheid vol zelfbeheersing, uitvoerig en overtuigend aan het werk gezien, in het land vooral waar onze nationale apen hun levenshouding zijn gaan afkijken; wij kunnen deze opwindende practijken nog dagelijks waarnemen, in de dagbladen voor zover zij niet omgekocht zijn, en in de getuigenissen van lieden aan wie al dit heroïsme zich in zijn grondkarakter heeft onthuld, van een Gerhart Seger of een Wolfgang Langhoff. En wij hebben, ontaard, onheroïsch en verletterd als wij intellectuelen nu eenmaal zijn, daartegenover maar één reactie gehad: die van

[p. 156]

te vomeren. Wij noemen, zolang òns nog geen prop in de mond en een gummiknuppel als eerste leesboekje gegeven zal zijn tot juister kennis van deze ‘idealen’ en deze ‘ideologie’, zelfs in de grootste gemoedsrust een dergelijk bedrijf: lafheid, sadistische, wraakgierige, van iedere eer gezuiverde lafheid. En de wezens die, met de grijns van het nijlpaard, zich eraan overgeven, nauwkeurig niets anders dan lafaards. Wanneer ons intellectueel-zijn ons hiertoe niet voldoende het recht gaf, dan zouden wij dat ontlenen aan onze eenvoudigste menselijkheid.

Wij kennen bovendien te goed de grondslagen van al dit ridderlijk, jong en vurig optreden: de rancunes van de pantoffelheld, de raté en de kankeraar over te hoge belasting joelen zeer herkenbaar. Niemand zal zeggen dat de wereld waaruit deze karakters geboren konden worden, volmaakt is; maar het ‘ideaal’ dat een versterking-per-sadisme tot gevolg heeft van ongeveer alles wat tot de vergiftiging heeft bijgedragen, wij bedanken daarvoor uit de grond van ons hart. Wij hebben geen lust om dáárvoor ook maar iets prijs te geven van onze intellectuele of maatschappelijke vrijheid, zelfs nù, zelfs voorlopig, zelfs indien de cultuur daardoor niet verder werd bedreigd. Wij zien te goed de rol die voor ons is weggelegd in dit bestel, zoals wij het beroep op de arbeiders doorzien dat ook deze ridders moeten doen om werkelijk heroïsch, d.w.z. in de meerderheid, te zijn; en wij verachten de laffe vleierij waarmee zij de arbeider trachten te paaien, heroïsch genoeg immers ook om hem te bedotten wanneer hij onder hun hoge leiding ‘gebundeld’ zal zijn.

Ik geloof niet één woord geschreven te hebben in de voorgaande regels dat nieuw is; maar ik pretendeer dit dan ook allerminst: de waarheid, onder de nationaal-politieke schmink, is gelukkig eenvoudig genoeg en voor iedere onbevooroordeelde geest te herkennen zonder overmatige inspanning. In politieke aangelegenheden gaat het vooral om het getuigen, en een intellectueel kan prijs stellen op het ongunstige oordeel van de heroïsche geesten die hem hebben verstaan. Maar

[p. 157]

ik heb er iets aan toe te voegen, als intellectueel juist, als iemand die het als zijn voorrecht beschouwen zou zo spoedig mogelijk zich weer te kunnen wijden aan zaken die hem liever zijn, die hem hoger en beter voorkomen ook dan alle politiek; ik heb iets te constateren juist als ‘dienaar van de geest’. Het is deze bedroevende waarheid, dat de geest alleen niets vermag tegen knuppelgeweld. Een van mijn vrienden, door mij gevraagd om mee te getuigen tegen het fascisme, antwoordde: ‘Het gefemel met woorden haalt niets meer uit; wie het nu nog niet weet, zal het nooit weten’. Dit lijkt mij geen boutade, maar de taal zelf van het gezond verstand. De taal van iemand die, tegen een goedgeorganiseerde ‘gang’ in zijn stad, het verlangen te kennen geeft naar een speciale brigade van ‘G-men’.

Tegen knuppelargumenten, zèlfs van raté's, zèlfs van pantoffelhelden, heeft de geest alleen geen andere kans dan in zijn vertegenwoordigers te worden ‘gebundeld’ en vertrapt. Er is één zekerheid, waar iedere organisatie - aangezien men in deze ‘grote tijd’ daarbuiten niet meer kan - waar iedere tegen-wil, ieder tegen-streven, vroeger of later van zal moeten uitgaan: dat kracht het enige juiste betoog tegen brute kracht is. Wanneer men, op pacifistische of andere gronden, dat niet wil, zal men zich moeten organiseren met een snelheid, een preciesheid, een meerderheid niet alleen, maar een vastberadenheid, een morele kracht, die in theorie mogelijk, maar feitelijk misschien niet meer van deze ‘grote tijd’ zijn.

En toch, dàt waartoe instincten van onbenul, van landerigbeid, van rasechte minderwaardigheid en voorbeschikte bestialiteit op te drijven zijn met het wondermiddel van wat riemen en beenkappen plus een hemd, daartoe brengt ieder behoorlijk mens het ook wanneer hij de keus heeft de meester of de knecht van dit soort hervormers te zijn. Ik neem aan dat in ons land van hogerhand de fascistische manoeuvres nog niet in de hand gewerkt worden, zoals dat in Frankrijk gebeurt; dat bij ons geen schietscholen en exercitieterreinen voor dit zo warm aangekondigde heldendom worden toe-

[p. 158]

gestaan, - maar voor zover toegestaan, kunnen tegenmaatregelen het worden aan iedere organisatie uit nederlandse burgers bestaande, die verklaren kan dat zij voor de eer van Nederland dit optreden niet wil. De heroën hebben niets dan getallen in de mond: 50.000 aanhangers, 300.000 stemmen; nogmaals, zij behoren niet tot het soort dat het eigen aantal en dat van de vijand niet acht; in dit opzicht zijn zij gehéél van deze tijd, waarin ‘groot’ vooral ‘talrijk’ betekent, en nog ver genoeg van Brinio afgedwaald. Maar zij houden ‘landdag’, optochten en betogen; precies even nuttige dingen kunnen worden gedaan door wie hun manieren en hun mystiek verachten, maar er het slachtoffer niet van worden willen.

Men moet organisaties kunnen vormen waarin men zich, met alle toegestane vrijheid, doeltreffend tegen een overval van ‘roofdieren’ voorbereiden kan. Men moet dus ook zoveel mogelijk aanhangers zien te krijgen, behoorlijke Nederlanders, onheroïsch maar onverdwaasd, die zich onder een programma scharen met één doel: het moderne despotisme tot het uiterste tegen te gaan. Dat deze organisatie zich dan ook oefene in alles wat de ‘anderen’ doen, dat zij, indien nodig, weerbare lichamen stelle tegenover die kweekschool van kranigheid: men kan zich een kwaadwillende buurman, die zich dagelijks traint aan rek, ringen en op korte en lange bâton, niet van het lijf houden met de verzamelde werken van Erasmus. Dat men daarna optochten houde, niet meer maar ook niet minder dan nodig lijkt, onder slogans als deze: Heroën horen op de Mokerhei - Lach niet om ons, maar om die ons hiertoe verplichten - Weg met het roofdier, voor menselijk geweten en verstand.

En anders kan men bewijzen opsommen zoveel men wil, artikelen schrijven en toespraken houden, ideologieën afdraaien tegenover geloei, als wie sanskriet wil bijbrengen aan het bengaalse vee, - het einde zal zijn dat men zich op de weerloosheid moet toeleggen en op de enige heroïek die dan overblijft: die van zonder morren de slagen te tellen waarin de beloften van nu worden uitbetaald.

[p. 159]

Voor studenten lijkt dit soort heroïek mij dubbel misplaatst: omdat zij niet alleen het intellect vertegenwoordigen, maar de jeugd. Dat hun plaats niet aan de zijde van het fascisme kan zijn, vergt na het voorgaande geen betoog. Zij kunnen staan waar zij willen, behalve, overtuigd en radicaal, tegen het denken en het geweten, tegen alle menselijkheid en alle cultuur.

 

December.

Menno ter Braak is op het ogenblik de enige hollandse criticus, die in een dagblad een betrouwbaar - d.w.z. een zichzelf gelijkblijvend - oordeel over literatuur geeft, op een peil voor volwassenen. Zij, die in werkelijkheid niet van literatuur houden, beklagen zich dus bitter dat zijn helderheid ‘te moeilijk’ voor hen is, en verwijzen naar de vroegere critieken van de heer Borel ‘waaruit waarachtig gevoel voor schoonheid straalde’. Het is wonderlijk om te zien hoezeer mensen die zich enerzijds op hun gebrekkigheid laten voorstaan, anderzijds geen ogenblik schromen om een zo pertinente definitie te geven; en men vraagt zich af wat iemand die aan de ene kant weigert verder te gaan (‘de criticus moet niet vergeten dat wij hem niet op de toppen kunnen volgen, dat hij ons alleen maar de schoonheid moet wijzen’), iemand, te vergelijken met een zuigeling die weigeren zou het chimpansé-stadium van de intelligentie te overschrijden, aan de andere kant opeens weet van ‘gevoel voor schoonheid’, al of niet in een criticus aanwezig, en van deszelfs ‘stralen’.

Een straf staaltje van deze vervloektste mentaliteit bij lezers trof ik aan bij een heer die vol mildheid zijn hiërarchische waarheid aan de criticus openbaarde: het afbreken van middelmatige hollandse romans, meende deze denker, was te laken, omdat die romans toch allicht beter waren dan de vele vertaalde detective-verhalen, en omdat mensen die van deze romans al profijt zouden hebben er nu van afgeschrikt werden; men moest dus, raadde hij, zich geestdriftig betonen bij het goede, maar ingetogenheid betrachten bij het middelma-

[p. 160]

tige, en dat wel, was zijn slotsom, omdat niet iedereen op de hoogste toppen kon leven (de dwaasheid was: te veronderstellen dat de criticus zoiets wilde of er zelfs maar aan dacht zoiets voor te schrijven) en omdat middelmatigheid al een verheffing was boven het alledaagse en een eerste stap kon zijn tot iets hogers.

Dat het loven van middelmatigheid zwendel kan betekenen, eenvoudigweg zwendel, tegenover het goede, was in deze mildheid niet opgekomen. En zwendel ‘straalt’ uit de opmerking over die eerste stap naar het hogere, omdat het immers het kenmerkende is van dit soort geesten dat zij bij duizenden van die ‘eerste stappen’ wensen te blijven. Het goede is voor hen goed in de mate waarin het een verre reputatie blijft waarnaar af en toe wordt ‘gewezen’. En de wezenlijke bestemming van dit goede is voor hen dat het opgeofferd wordt aan de zwendel met het middelmatige, omdat dit middelmatige, ook als zij het zelf zo noemen, voor hun waarste gevoel blijft: het onvolprezene.

 

Er is een intellectuelen-wanhoop, of -ontgoocheling, of -masochisme, in de manier waarop M.t.B. telkens weer terugkomt op de onmacht van de geest en de tòch grotere kracht van de biceps. Het behoeft geen betoog dat in een directe botsing de geest niet bestaat, maar evenmin dat de geest altijd eindigt met de biceps weer te leiden zoals hem goeddunkt. Een autoriteit als Napoleon heeft dit erkend, toen hij zei: Il n'y a que deux puissances dans ie monde, le sabre et l'esprit. A la longue le sabre est toujours battu par l'esprit.

Maar het is juist dit ‘à la longue’ wellicht, dat M.t.B. ontmoedigt, en hij constateert de schade die eraan vooraf is gegaan. En dan, wat tenslotte wint, is vaak niet dezelfde geest. Als de duitse filosoof Heidegger het nazisme moet verantwoorden, minder belachelijk tegenover heel de wereld dan in Mein Kampf is geschied, betekent dit niets minder dan een triomf van de geest. De Goerings die zich Siegfrieds wanen, durven geen pas verzetten zonder een permissie geput uit de

[p. 161]

Nibelungen, zoals een eventueel hollands heldendom zich alleen zal durven misdragen onder een vervalsing, soit, maar een slaafs aanroepen tevens, van de geest van Karel ende Elegast en misschien van J.F. Oltmans, als men niets beters vinden kan. Maar het is juist de vervalsing van Nietzsche die M.t.B. treft als een nederlaag en niet als een overwinning van de geest; het feit ook dat een eventuele overwinning van de geest-van-Heidegger niets verandert aan de nederlaag die de geest-van-Marx geleden moet hebben eer het zover is.

Alleen, dit heeft niets meer uitstaande met de geest. Dat de ene geest de andere verdringt en dat geen enkele bepaalde geest definitief stand houdt, is nogmaals een overwinning, en zelfs een bestaansvoorwaarde van de geest.

 

In een interview lucht Maurits Dekker zich over de wantoestanden die gemaakt hebben dat hij, schrijver van veertien romans, nog steeds niet genoeg au sérieux genomen wordt door de critiek (ofschoon op het omslag van een van zijn romans toch de opinie geciteerd stond van een criticus volgens wie Dostojevsky nooit iets beters gemaakt had). En het straatliedje van de dag zingt ook Dekker uit volle borst: hij heeft het over de collega's ‘die misschien hersens hebben, maar zeker geen bloed’. Ontstemd over het geringe succes van zijn kinderachtige Oranje (na Dostojevsky gepasticheerd te hebben en zich zo'n bijzonder goed leerling te hebben betoond van de amerikaanse mode-auteurs heeft hij ditmaal immers weer trouw de stroming gevolgd die wil dat men, zowel in de emigratie als in Sovjet-Rusland, in oudere historische gebeurtenissen nogmaals de heerlijkheden van nu geniet en opdient), is hij vooral gebeten op Ter Braak, die in zijn twee romans veel minder ‘ver’ kwam, moet hij wel vinden, dan een schrijver van veertien romans. Het zal wel weer aan mijn vriendschap geweten worden, maar ik kan niet nalaten te voelen dat ik - juist bij nadere beschouwing - de eerste, de ‘zwakste’ roman van Ter Braak, Hampton Court, een flink stuk hoger stel dan alles wat ik van Dekker las. Het weinige

[p. 162]

bloed dat Ter Braak dan heeft vermogen af te scheiden was eigen, was eerlijker bloed, had ook minder te maken met de mode-aftapperij op dit gebied. Overigens zou deze notitie dienen te gaan over de superioriteit van bloed op hersens of andersom, maar de plompe actualiteit van het probleem schrikt mij nu eens af. Ik wil aannemen dat hersens moeilijk kunnen werken zonder bloed, terwijl men veertien romans schijnt te kunnen vullen met bloed zonder hersens. En een bloedrijk mode-auteur is tweemaal een mode-auteur, zodat het gemis aan lovende critici hier tweemaal een gemis kan worden genoemd, en zelfs een bloedig gemis; dat men in dit alles echter symptomen zou moeten zien van genialiteit lijkt mij niettemin onwaarschijnlijk.

 

Benda-Huizinga of het standpunt der ‘clerken’. Ik had een artikel willen schrijven over Huizinga's In de Schaduwen van Morgen onder de titel In de Schaduw van het Kapitalisme. Een ontmoeting met J.R. weerhoudt mij; een van zijn vrienden, zei hij, noemt het boek: In het Zonnetje van Gisteren. Het is aardiger; en bovendien heeft J. de Kadt er een artikel aan gewijd dat eigenlijk niets ongezegd laat.

Toch kan men niet zeggen dat er geen voortreffelijke stukken in het boek staan. Alleen, zij zijn voortreffelijk als samenvatting, als voorzichtige voordracht over bekende waarheden. Er is niets in Huizinga dat ik niet reeds bij Benda gelezen heb, en beter. Benda heeft het persoonlijke standpunt van de filosoof; Huizinga tracht te zien als de historie zelf, men verwondere zich dus niet dat hij vooral goed ziet wat achter ons ligt. De historie kan niets voorspellen (blz. 210). Zijn befaamd aanvaarden van de oorlog, maar niet die met bacteriën, dat op zovelen schandaliserend werkte, is op dezelfde wijze te verklaren: waren de bacteriën historie geworden, hij had ze opgenomen in de oorlog die hij aanvaardt. Benda (in Les Sentiments de Critias, blz. 65-70) betoont zich in dit opzicht heel wat vrijer.

Het verschil tussen Benda en Huizinga is er vooral een van

[p. 163]

stijl: Benda schrijft a priori beter dan onze om zijn stijl zo veelgeprezen historicus. De eerste wendt zich tot gecultiveerde lieden, tot ‘mensen van de wereld’ althans, die hij als gecultiveerd wenst te beschouwen ook als zij het niet mochten zijn (en als hij hen in de grond van zijn hart hevig daarom veracht); hij wint hierdoor aan ‘toon en stijl’. Als hij hun iets uitlegt, doet hij of hij er aan herinnert: On sait du reste que... Huizinga schrijft voor het hollandse publiek, dat hij op zijn best met zijn studenten gelijkstelt; hij doceert, en men ruikt de eerbiedige hulponderwijzers op de achtergrond. De manier van Benda verplicht tot snelheid, tot een reeks ontdekkingen (zij het kleine); die van Huizinga, docerend, veroorlooft hem al te vaak tevreden te zijn met een correcte weergave van ‘bronnen’. Het tegelijk wéinig-verrassende en o-zo-bevredigende van zijn laatste geschrift ligt hierin opgesloten.

Maar beiden zijn ‘clerken’: geleerden, denkers als men wil, met aesthetische inslag, geen werkelijke kunstenaars (die zich minder goed van het werkelijke leven kunnen losmaken). Zij denken volgens hun persoonlijke omstandigheden; hun filosofische en historische voorkeur wordt bepaald - op de meest menselijke wijze overigens en men hoeft er het marxisme niet bij te halen - door wat zij persoonlijk zijn. Iedere ‘clerc’ kan hun redeneringen bijvallen; voor iedere niet-‘clerc’ zijn zij vol lacunes, verdachte gezichtshoeken en vage conclusies. De ‘clerc’ treedt op voor rechtvaardigheid en waarheid; het spreekt dus vanzelf dat hij in deze rol blijft, ook als hij in het publiek optreedt; waar hij altijd een beetje onnozel lijkt, is echter als hij begint te veronderstellen dat zijn rechtvaardigheid en waarheid met politieke regelingen van doen hebben. Het is soms al te ontmoedigend alleen een zuivere geest te mogen (willen, kunnen) zijn. De strijd van Benda tegen de valse ‘clerken’ is dan ook nog ‘temporeel’, Spinoza maakte de Ethica.

De historicus Huizinga raakt telkens in een wagenspoor van het traditionele denken; deze wagensporen kunnen bijzonder diep zijn, diep genoeg soms om de hele denkkracht te ver-

[p. 164]

bergen die erin voortkruipt. Hij zou willen dat de politiek al historie was, terwijl zij, vanuit zijn standpunt gezien, alleen nog maar bezig is het te worden. In zijn behoefte aan een metafysisch ideaal, komt hij alleen tot wensen (de historie kan niets voorspellen), en zijn wensen hebben telkens weer een akelig christelijk bijsmaakje. Geen zweem van onderzoek, laat staan van critiek, tegenover wat verkeerd mocht kunnen zijn in het kapitalisme; als het christendom al zijn achting heeft om het ‘metafysisch ideaal’, het kapitalisme heeft misschien weer al zijn achting omdat het historisch kan worden bijgezet. Opblz. 100-101 kan men lezen wat aan de christen allemaal geoorloofd schijnt als... practische maatregelen. Dat was dan erg veel; en de griezelige hypocrisie van de moraal die dit alles rechtvaardigt, zou een ander kunnen doen snakken naar de moderne en cynische methodes van de alleen-maar-politieke belangen. Maar de menselijke wreedheid en laagheid volgens christelijke moraal zijn voor een welopgevoed, historisch gemoed weer gerust aanvaardbaar: het verleden laat zich niet ongedaan maken. Geen ogenblik schijnt het dus in Huizinga te zijn opgekomen dat de inquisitie bijv. iets zou kunnen zijn dat men afwijst met dezelfde afschuw die opstandig maakt tegen moderne concentratiekampen.

Op blz. 212 besluit hij, sprekend over de komende rampen van de wereldpolitiek, met de meest traditionele kansel-opgewektheid: Alsof een barmhartig God glimlachend zeide: houdt u maar strak, ik zal u wel kneden. Op blz. 223 vraagt hij, verzuchtend: Moeten wij door nog diepere laagten heen, om murw te worden? Dit ‘kneden’ en ‘murw-worden’, dat mij onweerstaanbaar een christelijke tante voor ogen roept met wie ik sinds lang alle relatie verbrak, zou men bij Benda althans tevergeefs zoeken. Tussen barbarie en welbehagen in murw-zijn is het moeilijk kiezen. Toch kan men ook Huizinga als ‘clerc’ met genoegen en respect lezen; evenmin als Benda behoort hij tot de grootste ‘clerken’, bij wie men tenslotte toch altijd meer profijt vindt, maar evenals Benda heeft hij nu een poging gedaan tot samenvatting van het actuele.

[p. 165]

Zolang men zich de luxe kan veroorloven deze pogingen op hun eigen terrein - dat van de geest - te volgen, hoeft men allerminst te protesteren; vooropgezet blijft dat men er precies niets aan heeft, wanneer men de naïveteit zou hebben ze te willen gebruiken als leidraad in het werkelijke leven.

 

Het is in de politiek - de zich voltrekkende historie - telkens weer de keus tussen hypocrisie en cynisme. Als men het ene kwaad maar lang genoeg ondergaan heeft, verkiest men wel het andere, zoals de man die kiespijn heeft zegt: ‘Geef mij tienmaal liever koliek!’ tot hij de koliek heeft gekregen.

 

Zich met de massa één te voelen, is metafysisch, is een geloof. Het is de vergroting van het individu in kracht, het is het wegvallen van zijn grenzen, dus bevrijding, een soort roes ook (als in de papoea-dansen); kortom, een staat die voortdurend gepreekt wordt, waarin men meent zalig te zijn, maar die gewild is, los van de individuele waarheid (althans op een hoger peil van beschaving dan dat der natuurvolken).

Geloven aan de massa is dus geloven aan een ideaal, staat gelijk met geloven aan God. Het hierin zalig geworden individu denkt ‘ik ben massa’, zoals het andere, meer of minder bewust: ‘ik ben God’. In beide gevallen komt heel wat hoogmoed, die zich natuurlijk als deemoed vermomt; trouwens, deze soort ideeën behoort uiteraard tot de trots-opwekkende. De individualist, van hovaardij beschuldigd, heeft hiernaast alleen de bittere trots (uit wrok voortkomend, uit ‘van de nood een deugd maken’) van wie de eigen grenzen beseft.

Er is bovendien een voortdurend gepraat over de grootheid van zelfvergeten, de grootheid van in de Staat op te gaan, in de Massa, in God. Het uitgebuite individu moet ergens het gevoel hebben dat de Staat, de Massa, God, zonder zijn medewerking niet zou kunnen bestaan. Zijn ware grootheid begint, als hij dit begint te geloven. De individualist, die dit niet kàn geloven, blijft van deze ‘ware grootheid’ verstoken.

[p. 166]

In Mon Premier Testament vertelt Benda hoe hij heeft leren beseffen (na de Dreyfus-zaak) dat politieke hartstochten, altijd door ideeën vertegenwoordigd, geen hartstochten zijn door die ideeën veroorzaakt, maar dat die ideeën gekozen worden voor de reeds aanwezige hartstochten. De behoefte om te haten geeft bijv. anti-semitisme; moet het object vervallen en is de haat er nog, dan moet het vervangen worden, bijv. door anti-clericalisme.

Hij komt tot de slotsom dat men dus een geschiedenis zou moeten schrijven van de ideeën, niet zoals zij in werkelijkheid zijn (bij de filosofen), maar zoals zij voor het gebruik van de massa's verbasterd zijn. Dàt is het leven van de ideeën. Het is niet fraai, zegt hij erbij.

Neen, maar tenslotte is het dit ook misschien, wat Schopenhauer bedoelt als hij zegt dat er filosofen zijn voor vakfilosofen en filosofen voor de mensheid (of de mensen). En het noodlot voor de filosofen van de tweede soort om gevulgariseerd te worden, is toch beter... Men begrijpt op deze manier althans waarom alleen de dichterlijke waarde van de filosoof van belang blijft, waarom dichters (als Homerus) op de mensheid de indruk maken van even grote denkers te zijn als de filosofen.

 

Het verschil tussen een land dat politiek gezond en een dat ongezond heet, is het verschil tussen een beerput met een behoorlijk deksel erop en een open beerput waarin geroerd wordt. De staatsburger met ietwat gevoelig reukorgaan begrijpe hòezeer hij dankbaar moet zijn voor een goed deksel en anders niet.

Maar hij houde dit weten voor zichzelf; het is onnodig erover te praten met hen die geloven aan de politiek: met hen die schreeuwen dat er nooit een beerput was en dat de stank uitsluitend komt van laster, en met hen die schreeuwen dat er geen beerput had moeten zijn en dat zij spoedig aan zullen komen met een politiek regime waarin van beerputten zelfs de idee niet zal zijn.

[p. 167]

Een beeld van de huidige beschaving, ontleend aan de wereld van de bioscoop. Een afschuwelijke amerikaanse stem kondigt bij een forecast aan: ‘All those who have seen - One Night of Love - will see and admire - Grace Moore - in Love me forever! - Grace Moore (uitspr. More) with Leo Carillo (Lio Krillo) - in the first love-part of his career. - Love me forever is not only - a high - artistic - performance - but also - a great - romantic - love-story!’

Het is jammer dat men het geluid niet noteren kan. Men wordt er een week door vervolgd, en maanden later hoort men het opeens weer. Het is in zijn kitsch-en-humbug-soort, als fabrieksromantiek, even 100 % representatief als de mystiek van het nazi-heroïsme en de rochel-hysterie van Hitler door de radio.

 

Filosofie bij Ehrenburg, Dos Passos en soortgelijke lectuur: Goedkoop zijn is de ziel van populariteit.

Formule voor het toneel: Een tweederangs-kunst met zesderangs-mensen.

 

Eenvoudige waarheid die men de z.g. marxistische criticasters niet genoeg kan voorhouden (en beter helemaal niet moet voorhouden, omdat zij toch niets begrijpen): dat een oprecht, genuanceerd getuigenis van een ‘bourgeois’, marxistisch gesproken van oneindig meer belang is, ware het slechts ter documentatie, dan een grof, banaal, conventioneel geschrift van een ‘revolutionnair’, ware deze revolutionnair doorgefourneerd ‘marxist’, wat zijn kans vermeerdert op de qualiteiten hierboven opgesomd.

*De fascistische auteur Kettmann in Volk en Vaderland.