12 oktober

Wij waren, alles bij elkaar, ongeveer 20 man, uitgezonden om tussentijds de verliezen aan te vullen van een compagnie die reeds twee maanden aan het front lag. Kort voor het vertrek had een kameraad ons uitgenodigd die middag nog bij hem te komen eten. Als bekwaam vakman metaalbewerker woonde hij in een vrij aardig huisje. Terwijl zijn vrouw het eten klaarmaakte, toonde hij ons zijn moestuin. De veldjes voor aardappelen en tomaten waren uitgedroogd en verwaarloosd. ‘Perdido!’ Dit was de derde keer dat hij naar het front ging, dan bleef er niemand achter die de tuin behoorlijk kon bewerken.

[p. 20]

Een meisje van vijf en een kleine bengel van drie klemden zich aan hun vader vast en klommen, onder het eten, op zijn knieen. Zijn vrouw bediende ons met roodbehuilde ogen. Maar toen we afscheid namen waren haar laatste woorden: ‘no passaran!’ (ze zullen er niet doorkomen!). En nog van de weg af konden wij haar, met opgeheven vuist, zien staan op de veranda.

‘Onze Spaanse vrouwen hebben veel geleden’, zei hij plotseling ernstig - ‘wat is eraan te doen? Er voert geen andere weg naar de vrijheid!’

Terwijl wij naar het station marcheerden zongen de kameraden de ‘Internationale’, de ‘Jonge Garde’ en ‘Bandiera roja’. Allen waren vrolijk maar niemand was dronken of luidruchtig. Tussen hen in zag ik Nicasio, die 17 jaar is en Orubio, een landarbeider uit de bergen, die drie dagen ver is komen lopen om bij ons dienst te nemen. Wij hebben die eerste dagen in de kazerne vaak om Orubio gelachen, die in zijn kort geknipte haren een gekruiste sikkel en hamer had laten scheren. Zoiets kunnen ze toch maar alleen bedenken in de dorpen! Op een middag, dat ik naast Orubio over de Avenido de la Republica liep, kreeg hij plotseling en schijnbaar ongemotiveerd een huilbui. Hij wees op een vrouw die een kleintje de borst gaf, terwijl een meisje van ongeveer twee jaar zich vasthield aan haar rokken. ‘De mijne waren ook drie maanden en twee jaar’, zei hij, ‘toen de fascisten hen, tegelijk met mijn vrouw, hebben neergeschoten. Omdat ze niet wou vertellen waar ik me had verborgen’.

Van dat ogenblik af lachte niemand meer om Orubio's sikkel en hamer. Hij zelf verklaarde het zo: ‘Wanneer de fascisten me soms vangen, zullen ze tenminste weten dat ik communist ben!’

Aan het station bij Atocha waren de lege eet- en slaapwagens der internationale treinen op dood spoor gereden. Onder de ontzaglijke overkapping stond een enkel puffend treintje, dat naar het front ging vertrekken. De tweedeklassewagens waren bestemd voor de militairen. Onze makkers namen erin plaats zoals men voorzichtig, bij een deftige familie, in de gemakkelijke stoelen gaat zitten. Er was geen krasje in het hout en geen vlek op de fluwelen zittingen te bespeuren.

In de wagon naast de onze had, tussen zijn soldaten, een

[p. 21]

luitenant-kolonel plaatsgenomen, die nog de uniform droeg van het oude, regulaire leger. Ik ging naast hem zitten en knoopte, in het Frans, een gesprek aan. Hij vertelde mij hoe hij nog, samen met Franco en Mola, in Afrika gediend had. ‘Toen de revolutie uitbrak’, zeide hij, ‘heeft men ons voor de keuze gesteld trouw aan de republiek te zweren of, met behoud van onze wedden, ons uit de dienst terug te trekken. Franco heeft trouw gezworen om des te zekerder het oorlogs-materiaal van de republiek volledig in zijn handen te krijgen. Voor mij echter is een woord een woord en een verrader een verrader. Mola heeft in Toledo 700 van onze militionairs door zijn Moren af laten maken. 700 gevangenen’. Hij wees op de kameraden om ons heen in de wagen. ‘700 jongens als deze hier. Het beste mensenmateriaal dat Spanje ooit gehad heeft. En zulke lieden noemen zich nationalisten!’

In de coupés was het nu donker. Daar wij in de eigenlijke frontzone kwamen, reed de trein verder met gedoofde lichten. Naval Perral was de laatste plaats die door onze troepen nog bezet wordt. Terwijl achter de heuvelrand de mitrailleuses nijdig blaften, bracht men ons door het donker naar een in beslag genomen landhuis. We wikkelden ons in onze deken en sliepen, zo goed het ging, op de stenen vloer met onze rugzak als kussen.

 

De stellingen bestaan uit grijze rotsblokken, die hier en daar door borstweringen van slordig gestapelde stenen zijn verbonden. Achter ons, in de diepte, ligt Naval Perral, waar de granaten voortdurend in ruikers van opgewerveld stof en stenen ontploffen. Voor ons, op de hogere bergkammen die het dorp insluiten, liggen, eveneens onzichtbaar achter hun rotsblokken, de Moren. Tweemaal is het dorp reeds in hun handen geweest, tweemaal heeft de colonne Mangada het op de vijand heroverd. Thans trachten zij voor de derde maal de ijzeren ring om ons te sluiten, die nog slechts daar, waar de pantsertrein voortdurend over de spoorweg heen en weer rijdt, een nauwe opening in de richting van Nawas del Marques heeft. Zo nauw is deze ring intussen reeds geworden, dat daar, waar wij liggen, onze hoogvlakte niet slechts door de vijand tegenover ons, maar ook door de meer toevallige kogels van links en rechts uit de flanklinies wordt bestreken.

[p. 22]

Dit wordt reeds het derde etmaal dat wij hier liggen en nog valt er van onze compagnie geen enkel heldenfeit te berichten. Na het grote bombardement van zondag, toen de vijand meer dan 2000 granaten in ons dorp wierp, verwachtte de staf algemeen een aanval van Moorse cavalerie en tuurden wij gespannen voor ons uit in het donker. Kameraden zeiden: ‘Zorg er vooral voor, dat je altijd één kogel bewaart. Wanneer de Moren ons gevangennemen, worden we niet slechts gefusilleerd, maar snijden ze ons met hun bajonet levend aan moten’. Onze patroontassen hingen open en onze hand lag op de grendel. Maar de aanval bleef uit. Het gerucht ging dat de Moren, gedeprimeerd door de koude, geweigerd hadden om te attaqueren. Later in de nacht brak, als van dol geworden honden, het blaffen der mitrailleurs telkens opnieuw op andere sectoren van het front los. Bij ons floten slechts nu en dan, als nijdige wespen, verdwaalde kogels over onze hoofden of ze beten zich met een droge smak vast in de stenen der borstwering. Onze werkelijke vijand waren niet de vijandelijke kogels, maar de koude en de regen. Die hele eerste nacht, onophoudelijk, stroomde de regen. Terwijl de spanning zakte en nog slechts de schildwacht uitkijk hield, lagen we, enkel in onze deken gehuld, rillend naast elkander op de van water glimmende stenen. Toen het morgen werd kropen nieuwe vuilgrijze wolkenmassa's van achter de bergen in het westen langzaam nader. Verloren slierten van hun mantels hulden ons telkens opnieuw minutenlang in hun ijskoude nevel. Geen ogenblik brak de zon door. Na 24 uur waren schoenen en kousen doorweekt en onze dekens wogen als lood om onze schouders. Warm eten bleef uit, daar de vijandelijke artillerie een paar granaten midden in onze keukenbatterij gejaagd had. De tweede dag, toen de vijand onze verbindingslinie met het dorp onder vuur nam, bleven ook brood, worst en wijn uit. Vanmorgen is onze sergeant op zijn buik door de vuurlinie gekropen en teruggekomen met een klein vaatje wijn en enkele trossen druiven. We krijgen ieder slechts een halve beker, ‘want’, zeggen de makkers, ‘als je met een lege maag veel drinkt, kan je niet meer zuiver schieten’.

Alsof de kogels niet dichter dan gisteren over onze hoofden floten, loopt de kleine Nicasio rustig heen en weer op de vlakte en snijdt met zijn bajonet distelstruiken, waarvan wij, achter

[p. 23]

het grootste rotsblok, een armzalig vuurtje stoken, dat meer rook geeft dan warmte...

 

Die morgen om elf uur kwam de kapitein langs. ‘We moeten het nog tot vijf uur vanavond uit zien te houden, jongens! Alle reserve is nodig voor de andere sectoren, waar de vijand voortdurend aanvalt. Ik kan alleen diegenen af laten lossen die zich absoluut ziek voelen!’

Er meldde zich niemand.

In onze volkomen doorweekte dekens hurkten we achter de rotsen en Jezus Martin Perez, een straatreiniger uit Madrid, die naast me lag, zei: ‘Het valt nog mee, om vijf uur al aflossing. Veertien dagen geleden hebben we acht dagen aan één stuk zo in de rotsen gelegen, waarvan drie zonder eten’.

 

Er kan, geloof ik, niet genoeg op gewezen worden, dat al onze militionairs zonder één enkele uitzondering vrijwilligers zijn en onze regimenten niets anders dan bewapende partijformaties. Van 10 oktober af echter gaat de militarisering in, wordt de eenheid van commando onder het ministerie van oorlog ingevoerd tegelijk met een nieuwe, democratische, maar streng militaire discipline. In vast vertrouwen op de wil van dit volk om te overwinnen stelt, midden in de oorlog, de regering het aan iedereen die met de militarisering niet is ingenomen vrij, om zijn dienstverband te verbreken en op 10 oktober naar huis te gaan.

Wij waren die middag afgelost door een compagnie die enkele uren geleden uit Madrid was aangekomen. Vrijwel allen waren vrijwilligers, die voor het eerst aan het front kwamen. Niet slechts in leeftijd, maar in hun gehele wezen hadden zij iets van kinderen. Ze namen de geweren van ons over en wij zagen hun laatste rijen zingend achter de heuvelrand verdwijnen. De regel: ‘Sabemos vencer o morir’ (wij weten te overwinnen of te sterven), uit de ‘Jonge Garde’, was voor hen allesbehalve een leuze.

Zonder wapens bleven wij in onze villa als reserve. Uit de torenkamer konden wij de gehele volgende dag de operaties volgen. De vijand zette een vertwijfeld offensief in en slaagde erin, enkele uren lang, de enige weg af te sluiten die ons verbindt met Madrid. Alleen onze kapitein had een revolver.

[p. 24]

Grimmig zeiden de jongens: ‘Als ze nou doorbreken krijgen de Moren ons toch nog levend in handen!’ Uit het noorden werd een nieuwe vliegeraanval gemeld.

Op dat ogenblik kwamen de sergeants melden dat in de grote benedenzaal onze politieke gedelegeerde zou spreken over de betekenis der militarisatie. Vijf minuten later waren de Moren en de vliegers boven ons hoofd vergeten. Fel laaiden de hartstochten op in de discussie. Er waren landarbeiders die het verschil tussen een kapitalistische en een democratische discipline niet konden begrijpen. Zij zeiden: ‘Wij zijn soldaat geweest onder de koning en we vechten juist als vrijwilligers opdat onze kinderen geen soldaat hoeven te worden’. Anderen zeiden: ‘Al beveelt men het ons tienmaal, dan zullen we nog weigeren kameraden om de een of andere domheid op hoger bevel te fusilleren’.

Dieper en grondiger waren de bezwaren der anarchisten. Een van hen formuleerde: ‘Wij zijn het bewapende volk, de strijders der revolutie en we willen niet verlaagd worden tot willoze troepen van een burgerlijke regering’.

Onze gedelegeerde wees erop, dat ook de syndicalisten in hun bladen de noodzakelijkheid van een ijzeren discipline ingezien hadden. Hij zeide, dat de samenwerking en controle der partijen de waarborg bood dat de troepen niet misbruikt konden worden. Hij wees erop, dat onze verliezen tot nog toe tienmaal zo hoog geweest waren als ze behoefden te zijn bij een militaire discipline en een behoorlijke exercitie. Hij legde de nadruk op de noodzakelijkheid om te overwinnen, wat, tegenover de militair gedrilde troepen der rebellen, slechts mogelijk zijn kon bij een strikte onderwerping aan één enkele militaire leiding.

Zonder een bepaald besluit genomen te hebben ging de vergadering uiteen. De elektrische leiding was verbroken en overal in gangen en kamers waren de luiken gesloten. Wij tastten in het donker naar ons plaatsje op de vloer om te slapen. Het geweervuur was minder geworden en we hoorden dat onze troepen hun oude stellingen hadden heroverd.

 

Drie dagen later keerde onze compagnie met verlof naar Madrid terug. Zij, die met de militarisatie akkoord gingen, konden zich twee dagen later weer aan de kazerne melden. Van-

[p. 25]

morgen, op de binnenplaats, heb ik hen allen weergezien. Orubio, José, Nicasio en onze Jezus, die de woordvoeder was der anarchisten. Eén voor één ontvingen ze hun nieuwe zakboekje. Jezus begroette mij op de wijze der anarchisten, waarbij de hand van de een om de pols sluit van de ander. Hij lachte. We zijn nu eenmaal één compagnie en we blijven bij elkander. Het voornaamste is de overwinning.

Waarschijnlijk zullen we dus, over twee dagen, weer met dezelfde ‘bandieten’ naar het front vertrekken. Men zegt ons dat er reeds sneeuw ligt in de Siera!

vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie