E. du Perron
aan
V.E. van Vriesland

Amsterdam, 18 maart 1930

Amsterdam, Dinsdag.

 

Beste Victor,

Ingesloten het gisteren beloofde sonnet971. Het is overigens niet hetzelfde - dat van gisteren wou niet lukken; dit hier is een oude aanteekening (uit Gistoux, zelfden tijd als de andere), gisteravond door mij opgewerkt. Het is, vrees ik, niet veel zaaks, en nogal een grisaille, maar in zijn matheid misschien toch te verkiezen boven de mislukte aardigheden van Platen aan de Wand. Als je 't beter vindt, doe het dan op die plaats; geef het mij anders Vrijdag terug - dan zal ik een beter moment afwachten. Het moeilijke is iets te vinden dat daar past.

Vanmorgen en gisternacht nog heb ik mij bezig gehouden met het ‘samentrekken’ van je roman.972 Bij nadere beschouwing acht ik het intusschen beter de gesprekken tusschen Job en Johan zoo te laten: ze zijn wel lang, maar toch in zekere harmonie met het hoofdgegeven (niet voor jou, voor wie alles in harmonie is, maar voor den - hoe zal ik zeggen? - ‘gecultiveerden’ buitenstaander). Ook de kerk-scène behield ik als toch noodig - maar schrapte het tractaat en het gedicht. (Dit laatste als werkelijk hinderlijk voor wie het uit je verzenbundel kent.) Maar de mislukte poging van toenadering tot het geloof mag, vind ik, niet ontbreken; ook de slotscène, met de bedelvrouw en de herinnering aan den visscher is ‘goed’. Dit is de eenige passage dus waarin ik schrapte, en later, in het tweede gesprek tusschen Job en Johan, een korte passage, waarin gesproken werd over de burgerdame van het plantsoen. (Ik voegde hier een zinnetje tusschen van 7 woorden, noodig voor den overgang.) Elders sluit alles prachtig aan, vind ik. - De droom met den professor behield ik ook, na je uitleg; in het laatste deel werden dus alleen de scènes tusschen Job en Annie geschrapt. Probeer nu eens het boek met het oog van een buitenstaander te lezen. Het is nog altijd even grillig, dunkt mij, maar men laat tenminste den hoofdpersoon (en het dito gegeven) niet meer los. - Misschien staat hier en daar, bij een aandachtige lezing, nog wel een zinnetje dat wegmoet omdat het slaat op de verdwenen passages. Als jij het boek overleest, merk je dat natuurlijk veel gemakkelijker dan ik - dat laat ik dus aan jou over, voor het geval je dit heele werk eenigszins au sérieux kunt nemen. Ik voor mij zou eerlijk gezegd dit boek beter vinden dan het ‘werkelijke’, ondanks mijn sympathie voor je neiging tot mystificatie en plagen van den criticus.

Ik zend je het gemutileerd exemplaar gelijk met dezen over de post.

Tot ziens. Van harte je

EdP.

 

P.S. - Het sonnet is toch wel erg beroerd! Ik moèt een ander schrijven voor die plaats. Is dit intusschen niet ergens te plaatsen? in ‘.... (?) Rijmbende973 b.v.; ken jij die menschen? Kan jij daar bijv. ook niet eens je Kring-vers publiceeren? dat moet wèrkelijk ergens verschijnen! - Ik kan De Notaris spreekt natuurlijk alleen ergens inzenden als grap. Misschien kan dat andere ongepubl. ding er dan ook nog bij: Een Apostel.974 Donnez-moi un tuyau. Bij voorbaat dank.

971Dit zou ‘Begin van de lente’ kunnen zijn (Vw 1, p. 53).
972Het afscheid van de wereld in drie dagen, waarvan in 1936 een herdruk in verkorte vorm verscheen.
973Misschien bedoelt DP het ‘blijmoedig maandblad’ Rijnbende, dat onder redaktie van H. de Man verscheen van 1928/29 tot 1932/33.
974Samen met ‘De ronker tot de verdrevene’ werden deze gedichten als ‘Drie vergeten sonnetten’ gepubliceerd in Helikon 1(1932) 6(juni), p. 85-87.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie