E. du Perron
aan
V.E. van Vriesland

Brussel, 21 augustus 1930

Brussel, Donderdag.

Bould. Brand Whitlock 104.

 

Beste Vic,

We schrijven 21 Augustus. Mag ik op je rekenen dat je eind dezer maand, dus laat ons zeggen: eind van de volgende week, naar Coenen gaat om hem kort en goed te vragen of hij den roman plaatst of niet; en zooniet, dat je met de copy onder je arm zijn Museum verlaat? - Wil je hem dan meteen zeggen dat ik hem geschreven heb1216 over: 1. mijn partijtje gedichten (De Wachtende en 2 andere verzen1217) en 2. mijn vertaling van dien chanson de geste van De Drie Ridders en het Hemd,1218 maar dat ik geen antwoord kreeg en dat ik jou daarom verzocht heb hem daar ook naar te vragen, d.w.z. op zijn hoogmogend antwoord aan te dringen. Ik zou je voor dit alles zeer dankbaar zijn.

Entre nous: ik heb liever dat je met alles (behalve misschien de verzen) het redactiebureau verlaat. Als het zoover komt, roep Bouws dan in Amsterdam (Everard Bouws, Zeekant 110, Scheveningen) en geef hem alle copy, tenzij je zelf de Ridders nog lezen wilt. De kwestie is dat er misschien nog wel kans is die rommel elders onder dak te brengen, desnoods tegen minder, of geen betaling, wat mij betreft. Die zure mijnheer Coenen, die tegenwoordig bovendien volmaakt geestloos is, bevalt mij eigenlijk niets, en ik hem niet, mogen we veilig aannemen: wat doen wij dan bij elkaar?

Als hij die verzen al een plaats heeft ingeruimd - ik kreeg hierop n.l. een heelen tijd geleden een toezegging, maar zag zelfs de drukproeven niet - laat hij die dan houden, maar wat de rest betreft (roman en vertaling), zie het zóó aan te leggen dat je ze terugkrijgt. Je kan gemakkelijk de schuld aan mij geven; zeg maar dat ik een lastig en vervelend ventje ben enz. - dan spreek je meteen de waarheid - enfin, doe wat je kan om de heele rommel uit het Museum te krijgen en van dien verzuurden pieskous vandaan.

Het is eigenlijk een pijnlijke historie met die Holl. tijdschriften. Coen is terecht, zooals je misschien weet; maar ik zou wel eens weten wààr dat nu een onderkomen zou moeten vinden. De Vrije Bladen zijn vol goeden wil, maar te klein; Groot-Nederland laat je jaren wachten, en De Gids is, geloof ik, voor jaren zwanger van de productie van mevrouw Nijhoff. God-god, wat een zielig, would-be cosmopolitisch en wereldwijs gedoe! leve de keukenmeiden die zich tot culinaire zaken bepalen. Ik heb zelden zoo'n onbeduidende rotrommel als interessant voorgedraaid gekregen; Pom kondigde er nog wel bijna een nieuwe aera voor het proza mee aan! Waar blijft het onderscheidingsvermogen van sommige intelligente menschen, in sommige omstandigheden? Zou hij nu wèrkelijk niet inzien dat het een bedroevend misbaksel is?

Schrijf me eens en vergeef dit vluchtig krabbeltje over niet erg superieure aangelegenheden. Arme kerel, jij die al zooveel te doen hebt. Wil ik er anders Willink heenzenden, met een briefje van jou bijv.? - als hij tenminste in Holland terug is. Ik hoorde in tijden niets van hem.

Nu, dagdag, en houd je taai. Een poot van je

Ed.

1216Coenen was conservator van het Amsterdamse Museum Willet-Holthuyzen. Er zijn geen brieven van DP aan hem teruggevonden.
1217Met ‘Een vrouw’ en ‘Gli amanti’ werd ‘De wachtende’ in het novembernummer van GN geplaatst.
1218DP's vertaling van Jacques de Baisieux, Des trois chevaliers et del chamise is in 1931 in DVB verschenen (afl. 3, p. 84-91). In 1932 werd de bewerking gepubliceerd als het eerste deel in de serie Folemprise, met de nieuwe titel Het zijden harnas.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie