E. du Perron
aan
H. Marsman

Brussel, 25 januari 1931

Brussel, Zondag.

 

Geachte Heer Marsman,

Veel dank voor uw zoo openhartig schrijven1481; inderdaad zal ik het (zelfs in zijn afzijdig karakter) gaarne onder mijn stuk afdrukken. In menig opzicht heeft u zich toch duidelijk uitgesproken! Ik vind het alleen grappig dat u nu, zoo maar, als futiliteiten terzijde schuift wat u ons jaren lang als een in hoc signo vinces heeft voorgehouden.1482 Overigens heeft u natuurlijk eindeloos gelijk wanneer u het schrijven van eigen meesterwerkjes bijv. stelt boven het afbreken van andermansprullaria; ik zal in dezen geest een naschrift opstellen bij mijn artikel, en verder het epigonisme nog wat meer in den hoek drijven. Ik heb een infernale koppigheid, in sommige gevallen, waaronder blijkbaar dit.

Het beste is nu misschien dat u mij mijn stuk dadelijk terugzendt: Binnendijk zal er met recht ook tégen zijn, Van Wessem wschl. niet eens vóór. Ik begrijp zonder moeite uw redenen; trouwens, ik heb u dat stuk vnl. gestuurd opdat ù het lezen zoudt. De kwestie is n.l. ook dat het zeker niet vóór Maart in D.G.W. komt, omdat de Febr.-aflevering reeds een ander artikel van mij heeft, dat ook vrij groot is.1483 - Aan dit uitstel is één voordeel verbonden: dat ik eventueel zou kunnen antwoorden op het artikel van Binnendijk,1484 indien dat tenminste serieus deze kwestie raakt en niet in hoofdzaak een bestrijding is van de ‘camavalsmentaliteit’, anders gezegd: het beroerde karakter, van Ter Braak. Het zou jammer zijn niet alles zooveel mogelijk ineens af te doen; al is het ook zóó al mooi genoeg, vanuit een bepaald standpunt beschouwd. Want u zult het misschien wel met mij eens zijn dat mijn optreden in zulke gevallen ook nog gerechtvaardigd moèt zijn door een ‘diepere behoefte’ (ik zeg dit in ernst en zonder te willen vervallen in het Costerlijk hooger-leven-jargon); ik denk dat het deze is: voorgoed van mij te vervreemden, zelfs afkeerig te maken, wat mij niet verwant is. (In deze verwantheid zijn natuurlijk ook weer graden, net als in het epigonisme.)

Ik ben benieuwd hoe lang onze vijandschap zich nog zal voortzetten: u heeft een hekel aan mijn sceptisch rebelleeren, ik aan den dictatorskant dien u tot kortgeleden vertoonde. Maar ik ben het ook hièrin met u eens: het doet er eigenlijk allemaal niets toe, de werkelijke bevestiging van onze persoonlijkheid ligt elders. Eens hoop ik u min of meer te interesseeren (of te amuseeren) met een paar blzn. uit het cahier, waarvan u mij een portie, als ‘ongeschikt voor ieder tijdschrift’ zegt Van Wessem, heeft doen terugzenden: het relaas van mijn verhouding tot u, tot op eergisteren,1485 - d.w.z. tot direct na het opzenden van mijn artikel.

Ik wensch u veel succes met het belangrijker werk dat u wellicht onder handen heeft, en ben, met beste groeten, uw dienstwillige

EdP.

1481Marsmans brief van 23 januari werd in De nieuwe eeuw van 26 februari 1931 (nr. 705) afgedrukt achter DP's artikel ‘Over het “kreatieve” in onze nieuwe poëzie’ (p. 685). DP verwerkte zijn antwoord in een ‘Naschrift’, p. 685-686 (Tegenonderzoek, p. 127-130; Vw 2, p. 291-293).
1482Marsman had geschreven: ‘Zou het niet beter zijn het epigonisme te bestrijden door het schrijven van goede oorspronkelijke gedichten dan door het gekanker over de slechte van anderen?’ Enige jaren tevoren luidde zijn mening over epigonen: ‘De critiek heeft haar taak tegenover hen slecht gedaan. Want als ze hen werkelijk had verdelgd onder de terreur van haar veto, zouden de twee of drie die mogelijk ontsnapten, geen pen meer durven hanteeren. Ik geloof dat Slauerhoff gelijk heeft: wij moeten niet tegen hen schrijven, we moeten ze doodslaan.’ (De anatomische les, Bussum 1926, p. 104).
1483‘Het nationale gevoel en de kunst’.
1484‘Dogma of aesthetica?’, in DVB, januari 1931.
1485Tegenonderzoek, p. 116-125 (Vw 2, p. 283-289).
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie