E. du Perron
aan
G. ter Braak

Gistoux, 27 juli 1931

Gistoux, Maandag.

 

Lieve Truida,

Dank voor je brief. Vervelend dat je daar nu zoo alleen zit; hoe lang moet dat nog duren? Gelijk hiermee zend ik je een krabbel1920 voor Menno, om door te sturen naar Eibergen. Kan je me zijn volledig adres niet geven? Ik dring erg bij hem aan om hier te komen; vind je dat erg? Spreek met hem af wanneer jij ook weer hier komt - want ik ontvang je (helaas alleen figuurlijk!) altijd met open armen.

Ik ben intusschen met mijn ‘be-essayeering’ van Coster begonnen en schreef vandaag en gisteren ±40 blzn. De Marginalia en Dostojevski zijn nu afgewerkt, maar twee dikke deelen Proza en dan nog allerlei kleinere essays en brochures wachten. Voor ik dààr doorheen ben; en telkens heb ik ook het gevoel dat ik mijn tijd beter kan gebruiken! Maar ook het gevoel, dat dit werk nu ééns moet gedaan worden, en dat ik er mij dan maar voor spannen zal, n'en déplaise de verheven opvattingen inzake polemiek van Elisabeth de Roos, Jo Donkersloot en nog wat anderen.

Mijn moeder is nog steeds in Brussel, in het hotel, omdat ze niet klaar is met haar dentiest, ik ben dus met Simone hierheen gegaan, omdat ik in Brussel niet kon werken; het is doodstil in huis, want Simone zorgt voor het eten! Het weer is nog altijd ellendig; af en toe een klein gekwinkeleer van vogeltjes, verder veel gedruppel en weinig gerucht.

Ik moest je schrijven, zei je, omdat alleen maar verstandige dingen doen het leven zoo vervelend maakt. Maar zelfs deze brieven zijn immers verstandig? Ik heb altijd het gevoel dat ik je van alles-en-nog-wat zou willen zeggen, maar tevens ook het vooruitziende weten (zou Dostojevsky zeggen) dat deze intimiteiten ongelukkig afloopen; ik heb heusch een vrees gekregen voor complicaties en in dit geval oneindig minder voor mezelf dan voor jou. Ik zou jou niet graag in die treurige atmosfeer weten, waarin ik nu al jaren rond-ploeter - misschien wel alleen omdat ik niet heelemààl in mijn burgerlijke bestaan kan berusten. Ik heb mij nu voorgenomen om in Augustus hard te werken (hier, eerst met Menno, dan met Marsman misschien) - en dan in September een maand lang geheel alleen op reis te gaan, God weet waarheen, ('t Klinkt romantisch!)

In zeker opzicht is de verzoening van mijn moeder met Sim one voor mij een gemak: ze zien elkaar nu tenminste en kunnen dan ook bij elkaar blijven. Maar aan den anderen kant heb ik vooruit ook wel weer de zekerheid dat het tòch op nieuwe beroerdigheid uitloopt Verder heb ik door verschillende dingen in de gaten gekregen dat ook Méral heel best een smeerlapje zou kunnen zijn, met wien een geval als toen met dien neef1921 zich best zou kunnen herhalen. Ik kan je hier geen details geven, maar het is vrijwel zeker, en vreemd, ik voel het - soms midden in den nacht, dat hij absoluut een vijand zou kunnen worden; iets wat ik tot dusver nooit had.

Enfin, un homme averti ... In afwachting ben ik blij dat ik hier zit, tusschen allerlei paperassen, en in gemoede Coster slachten kan - altijd figuurlijk! Die goeie Dirk eigenlijk, in menig opzicht is het toch een brave man ... Van Nico Donkersloot kreeg ik een trouwpapier, en een verzoek om een boek over Gide te bespreken. Ik heb hem nu geschreven1922 om hem aan zijn verstand te brengen dat ik dat eene stuk voor Menno schreef en hoe de verhouding tusschen hem en mij is. Ik hoop dat het tot hem doordringt.

Nu, Truida dear, vergenoeg je hiermee. Hou je goed; veel liefs van je

E.

 

P.S. Dat ‘veel liefs’ begint me te vervelen! Maar ik kan toch niet zetten: ‘innig omhelsd’ of ‘vele kusjes’?

1920Zie Bw TB-DP 1, p. 121-122.
1921Neef Herbert; zie Vw 3, p. 431-433.
1922Deze brief bevond zich niet in het LM gedeponeerde correspondentie.
vorige | volgende in deze correspondentie
vorige | volgende in alle correspondentie