[p. 2]



illustratie
Dessin de Creixams

[p. 3]

Manuscript in een jaszak gevonden

Kroniek van de Bekering van bodor guila buitenlander

Als zodanig gepubliceerd door

Eddy du Perron.

Met een Portret van de Bekeerling door Creixams; en een Medische Verklaring van Dr. L. Billencratz.

Met een woord vooraf door J.H.W. Veenstra vertaald door

Arjaan van Nimwegen

Kwadraat-Utrecht 1988

[p. 4]

isbn 90 6481 093 1

© 1923, Erven Du Perron, Dronrijp

© 1988, Nederlandse vertaling Arjaan van Nimwegen, Utrecht

© 1988, Woord vooraf, J.H.W. Veenstra, Loenersloot

 

Druk: Nauta bv, Zutphen

Grafische vormgeving: Rinke Doornekamp, Utrecht

 

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande toestemming van de uitgever.

No part of this book may be reproduced in any form without written permission from the publisher.

[p. 5]

Europa proeven

Op 28 september 1921 zette in Marseille een gezin voet op Europese bodem dat wat gewoontes en levensinstelling betreft, door en door Indisch kon worden genoemd. Het was het gezin Du Perron, bestaande uit man, vrouw en hun 21-jarige zoon. De in Nederlands-Indië geboren vader had nog enige Europese leerjaren achter de rug terwijl de moeder, geboren op het Maleisische eiland Penang en opgegroeid op Java, Europa niet kende evenals de schrijflustige maar op school mislukte zoon, die aan dit werelddeel wilde fantasieën verbond over een bevlogen kunstenaarsbestaan.

Via Dijon en Parijs reisde het gezin naar Brussel en betrok in de randgemeente Ukkel een huurhuis. Het was vanzelfsprekend dat de Belgische hoofdstad als tijdelijk bedoelde verblijfplaats werd gekozen. Niet alleen had grootvader Du Perron er na zijn pensionering gewoond maar ook een eveneens uit Indië afkomstige zuster van vader Du Perron woonde er nu als weduwe. Zij had zich aangeboden als spil voor alle nog in de lucht hangende toekomstplannen.

Het was deze mevrouw Henny-Du Perron - voor de familie tante Toetie - die het op zich nam zoon Eddy te introduceren in het Brusselse culturele milieu. Immers, tussen alle schoolmisère door was Eddy als opstellenschrijver geprezen, had hij een roman van Dumas père vertaald en gepubliceerd gezien in een dagblad, had hij bij een ander dagblad - met tegenzin - vier maanden journalistieke arbeid doorworsteld en, wat zwaarder woog, waren er in een weekblad enkele gedegen artikelen van historische aard van hem opgenomen.

Het culturele milieu in Brussel was toen in hoofdzaak

[p. 6]

Franstalig. Hoewel Eddy van huisuit wel de oppervlakkige en wufte aspecten van de Franse cultuur had leren kennen, ontbrak er nogal wat aan de finesse. En om die te bereiken was een perfecte kennis van de Franse taal in woord en geschrift een strikte voorwaarde. De jongeman zou dus taalles moeten hebben. En liefst zo gauw mogelijk want hij had aspiraties om zich op korte termijn te gaan verdiepen in de Franse cultuur, die hem al in Indië als het nec plus ultra voor ogen had gestaan, en wel dáár waar de bronnen het krachtigst welden: in het toen zinderende Parijs zelf. Een bevoegde taallerares was ook bij de hand. De gezelschapsdame van tante Toetie had een zuster, Loulou Artot-van der Hecht geheten, die èn taallessen gaf, èn in een cultureel milieu verkeerde. Al een maand na aankomst begonnen de lessen bij deze lerares thuis aan de Maurice-laan in Elsene, een andere Brusselse randgemeente.

En daar, nog maar een week of acht later, raakte de jonge Indischman tot over zijn oren verliefd. De cultuur in haar optimale en meest aantrekkelijke Parijse gedaante, bleek er een vertrouwde huisvriendin. Ze heette Clairette Petrucci en was opvallend knap, intelligent en artistiek begaafd. Ze was een kleindochter van de destijds bekende dierenschilder Verweé, die weer bevriend was geweest met de vader van mevrouw Artot, eveneens kunstschilder. Haar vader was de adelijke socioloog en later vooral sinoloog Raphael Petrucci, schrijver van o.a. een Encyclopédie de la Peinture Chinoise. Deze had een Franse moeder en trouwde met een Belgische schildersdochter.

Het gezin woonde aanvankelijk in Quinto bij Florence. Aan het begin van deze eeuw trok vader Petrucci naar Parijs, maar hij overleed vroegtijdig - met een leerstoel aan de Sorbonne in het vooruitzicht. Sindsdien woonde zijn vrouw met hun twee dochters afwisselend in Quinto, waar de familiewoning als buitenhuis was aangehouden, en in Brussel, waar de vader enige tijd een leerstoel in de sociologie had gehad.

Met Clairette kwam cultureel Europa overdadig op de onwennige Indischman af. Zij had schilderles gehad aan de

[p. 7]

Parijse academie van de Grande Chaumière. In en na de Eerste Wereldoorlog had zij daar omgang gehad met de jonge kunstenaarsbent van de Rive Gauche, die zich toen (en later) als de modernisten bij uitstek afficheerden. Ze bezat bundels van de toen jonge dichters als Cocteau, Apollinaire, Max Jacob, Blaise Cendrars en wie er nog meer de aandacht had getrokken, namen die Du Perrons verbijsterde oren en ogen vulden. Dàt was dus het hedendaagse Parijs. Zo totaal anders dan de 19e eeuwse romantische kunstenaarswereld, die hij zich via de lectuur van Murger en Du Maurier en via de verhalen van zijn vader ginds in het cultuurarme Indië had voorgesteld.

Het verloop van de verhouding met Clairrette doet hier minder ter zake maar kan niet geheel onbesproken blijven. Ze vond hem aardig, ze verbaasde zich over zijn romantische, onpraktische en tegendraadse instelling, maar haar gevoelens gingen niet verder dan die van vertedering voor deze haar soms hevig shockerende vreemdeling. Ze peinsde er niet over met hem te trouwen, ondanks zijn herhaalde aanzoeken. Kort na hun kennismaking verloofde zij zich met een jonge Franse beeldhouwer met wie zij al enige tijd een relatie had. De van hoop vervulde Du Perron werd hierdoor hevig in het gevoelige hart geraakt. De verloving werd overigens weer verbroken. Eerst in december 1923 trouwde de aanvankelijk niet trouwlustige Clairette met de vijf jaar oudere beeldhouwer Marcel Wolfers. Du Perron hield er een verlammende depressie aan over. Toch bleven beiden tot de jaren dertig met elkaar corresponderen. In het eerste deel van Du Perrons brievenverzameling treft men hiervan nog enkele teruggevonden sporen aan.

Artistiek verwerkte sporen van de relatie met Clairette zijn er in Du Perrons letterkundige werk overvloedig, uiteraard geretoucheerd en met niet-historische gegevens opgesierd. Clairette stond model voor de Mirette uit de beide versies van Du Perrons oudste dichtbundel, De behouden prullemand, en werd als Mariette even vermeld in het hierbij gaande Manuscrit. Ze stond achter de Musa van Het roerend

[p. 8]

bezit, de André Maricot van de roman Een voorbereiding en de Teresa van zijn meesterwerk met autobiografische inslag Het land van herkomst. Maar even belangrijk als deze inspirerende uitwerking was het feit dat zij Du Perron liet kennismaken met de moderne Franse literatuur en vooral met de moderne literaire technieken.

Al in februari 1922 ging Du Perron verwerkelijken wat hem in Indië voor ogen had gestaan en waarvoor hij van zijn toen zeer bemiddelde ouders een volstrekte bewegingsvrijheid had bedongen. Na enige omzwervingen in Zuid-Frankrijk vestigde hij zich in maart in het Parijse Montmartre; als de bohémien van eertijds, compleet met zwarte flambard en ruige trui.

Onmiddellijk trachtte hij orde te brengen in het wirwar van nieuwe ervaringen, dat de afgelopen maanden hem hadden opgeleverd. Behalve dat hij als een razende de modern geheten literatuur kocht en doornam, probeerde hij ook de eigen persoon tegenover zich te plaatsen. Hij begon aan zijn autobiografische roman Een voorbereiding, maar hield er algauw mee op. De kennismaking met de zeer belezen maar ook zeer kritische Franse journalist en literatuurvorser Pascal Pia, die hem nog nauwer in aanraking bracht met de nieuwe Franse literatuur in persoon en geschrift, maakte het hem des te moeilijker om positie te kiezen te midden van al dat bizarre nieuwe.

Gedurende mei en juni 1922 schreef hij dan dat even merkwaardige als baldadige Manuscrit trouvé dans une poche; in het Frans, want de even tevoren nog in Quinto bezochte Franstalige Clairette moest het kunnen lezen. ‘Kroniek van een bekering’ was de veelzeggende ondertitel en de bekeerling heette zogenaamd Bodor Guila, een buitenlander, die volgens de toelichting afkomstig was van ‘Betawi’ (= de toen inheemse naam voor Batavia op ‘Poulo-Djawa’, het eiland Java in het Indonesisch). De zichzelf verdubbelende Eddy du Perron, die de Edgar Allen Poe van MS. found in a bottle al vroeg tot zijn lievelingsauteurs rekende en André Salmons Manuscrit trouvé dans un chapeau als re-

[p. 9]

cente lectuur vermeldde, had zogenaamd alleen het manuscript van de buitenlander bezorgd.

De kenner van het Indonisisch kreeg via de naam van de verzonnen schrijver nog een extra vingerwijzing. In die taal is bódóh namelijk dom of onwetend, is gila gek en betekent main bódóh bovendien nog: voor de gek houden. Wie ook die naam nog wil vertalen kan er Gek voor 't Lapje van maken. De tweede vingerwijzing is de opmerking op de titelpagina dat aan het geschrift een portret is toegevoegd van de ‘bekeerling’ en gemaakt door Du Perrons op Montmartre opgedane vriend, de kunstschilder Creixams. En dat portret stelt dan de jonge Eddy du Perron in hoogsteigen persoon voor. Uiteraard is deze Creixams de in het Manuscrit genoemde man met de letter x in zijn naam.

Hoewel deze zogenaamde geschiedenis van een bekering tot het modernisme wat de genoemde personen betreft weinig toelichting behoeft, vragen enkele cryptische aanduidingen om uitleg. De genoemde Tristan moet wel de ironische dichter Tristan Derème zijn. De man die via de omweg van Cendrars en Pascal wordt opgevoerd is de hier eerder genoemde Pascal Pia, die een van Du Perrons beste vrienden zal worden en naar wie hij vaak, als naar een kompas, zijn houding bepaalde. De persoon in Italië is natuurlijk Clairette, ook even opgevoerd als Mariette. Het bij afkorting genoemde Transsibérien duidt op Cendrars La Prose du Tanssibérien, een geschrift dat beoogde een nieuwe relatie te vestigen tussen poëzie en schilderkunst, ‘poème-objet’ werd genoemd en tot het simultanistisch proza gerekend.

Een mini-gegeven, dat door een enkele opheldering begrijpelijk wordt, is het neussnuiten van de ik-figuur niet in Mariette's maar in de eigen zakdoek. De nonchalante Du Perron placht bij de gezamenlijke uitstapjes met Clairette telkens zijn zakdoek te vergeten, waarop zij gewoon werd in dergelijke gevallen een stapeltje van haar eigen neustextiel bij zich te steken. De Nieuwe Geest, die genoemd wordt in verband met de dichter Apollinaire - Du Perron waardeerde hem overigens later veel meer dan in eerste instantie - is de

[p. 10]

befaamde Esprit Nouveau: een van die allesomvattende en nietszeggende vernieuwingsbegrippen van na de Eerste Wereldoorlog, die nu verzonken geschiedenis zijn. Het ontbreken van leestekens was het gevolg van een impuls van Apollinaire, die ze spontaan schrapte op de proeven van een van zijn geschriften. Later keek hij daarop terug als een zinloze jeugdzonde, maar de buitenlandse navolgertjes zullen zich tot in lengte van dagen alleen daardoor al modern bij uitstek achten. Ik veronderstel verder dat de genoemde Charley de Nederlandse schilderes Charley Toorop is, die later ook tot Du Perrons vriendenkring behoorde. Ik neem tenslotte aan dat met Pedro en Jeff respectievelijk een willekeurige Spanjaard en Engelsman bedoeld zijn. Voor de overige namen van kunstenaars leveren de encyclopedieën desgewenst de personalia en andere gegevens.

Toen het half als brutale pastiche, half met de ernst van de ontdekker neergeschreven manuscript af was, moest Clairette natuurlijk een exemplaar hebben. Hij schreef het, typografisch in boekvorm ingedeeld, min of meer in schoonschrift over en offreerde het haar als proeve van ingewijd zijn in het nieuw ontdekte Europese modernisme. Clairette vond het een zoveelste blijk van zijn rare streken, maar ze heeft het geschrift door de jaren heen trouw bewaard (een fotokopie bevindt zich in het Letterkundig Museum en Documentatiecentrum in Den Haag).

Minder verrukt was ze over de ruwe en nog ergere woorden die ze, met haar keurige opvoeding achter zich, ronduit vies vond. Du Perron zwichtte voor deze désappreciatie, kuiste het manuscript zo dat er nog genoeg te ergeren overbleef en liet het resultaat in januari 1923 in eigen beheer en in een oplage van 500 exemplaren in druk verschijnen. Het stukje jeugdbravoure kon hem al spoedig weinig meer schelen. In een brief aan een Indische vriend noemde hij het later een hors-d'oeuvre en aan de Nederlandse letterkundige Roel Houwink schreef hij omstreeks dezelfde tijd: ‘Ik woonde toen sedert een maand of drie in Parijs en was tot een soort razernij gedreven door een overmaat van - met veel te veel

[p. 11]

logika gelezen - moderne literatuur. Zoo ontstond een pamflet opzettelijk in nog slechter Fransch geschreven dan mijn Fransch van dien tijd; het is in 500 ex. gedrukt geworden, maar de hele oplaag is verloren gegaan en ik heb er mij niet verder om bekommerd, op 't oogenblik bezit ik nog maar één exemplaar.’

Hij, of beter zijn alter ego Duco Perkens, heeft nog een tijdlang geëxperimenteerd met moderne literaire procédés en zienswijzen. Hij deed het heel wat serieuzer dan in het Manuscrit, eigende zich eruit toe wat bij zijn smaak en persoonlijkheid paste en keerde de rest resoluut de rug toe.

In het blaadje Het Woord van januari 1926 werd meegedeeld dat Duco Perkens was overleden. Maar aan Clairette Petrucci, die hem een aardige prater en tegelijk een ongelikte beer vond, had hij zijn proeve van Europeaanschap dan toch maar overhandigd.

 

J.H.W. Veenstra

[p. 12]
[p. 13]

Manuscrit trouvé dans une poche

Chronique de la Conversion

de bodor guíla

etranger

Publié tel quel par Eddy du Perron.

Avec un Portrait du Converti par Creixams;

et un Certificat Médical du

Dr L. Grattefesces.