Al pratende met...
Louis F. Schudel

GIJ, mijn lezers, die er, hoop ik, aan gewend zijt geraakt om mij hier pratende te vinden met allerlei letterkundigen, zult een oogenblik vreemd opkijken als gij dezen naam boven het artikel vindt en u wellicht afvragen: Schudel? Schudel? Connais-pas.
Zoo ondankbaar is nu eenmaal een mensch. Want zonder den heer Louis F. Schudel zou, menschelijkerwijze gesproken, Den Gulden Winckel niet bestaan. De heer Schudel is namelijk de op-
richter van dit maandschrift (en van de Hollandia-Drukkerij), en nu het vijf en twintig jaar geleden is, dat het eerste nummer verscheen, mag een terugblik niet ontbreken.
Gerard van Eckeren vroeg mij om met den heer Schudel te gaan praten, omdat deze wel eenige herinneringen uit dien eersten tijd ten beste wilde geven, maar makkelijker kon vertellen dan schrijven. En aldus reisde ik op een Zaterdagnamiddag naar Soest, waar de heer Schudel woont.
Het was bar weêr, Hollandsch winterweêr uit de laatste jaren; dus geen sneeuw viel geluidloos, maar regen kletterde tegen de ruiten van het lokaaltje. Aan de halte Nieuwe Weg zou de heer Schudel mij opwachten, maar hij kende mij niet en ik hem evenmin. De zaak kwam echter spoedig voor elkaar, want er stond slechts één heer te wachten: grijze snor en sik, pet op en cape om. Een buitenman. Ik stapte op hem af, en de eerste woorden, die de heer Schudel tot mij sprak, brachten mij even van streek. Ik had nl. gedacht, dat alle ijdelheid me vreemd was en ziet, het bleek onjuist.
‘Ik zou u niet herkend hebben’, zei de heer Schudel na de kennismaking. ‘Uit die caricatuur van u in Den Gulden Winckel had ik me een heel andere voorstelling van u gemaakt: een ouwe heer met snorren als van den Duitschen Keizer. En u is nog jong’. Dit compliment monterde mij na die vrij troostelooze treinreis en het unheimische voorkomen dat Soest me in den winderigen, natten avond bood, danig op, en naast den kleinen kittigen buitenman liep ik over den plasbedekten landweg, tot we aan een huis kwamen onder een zwaar rieten dak schier verborgen. Maar binnen in de groote woonkamer, die door een allerleukste indeeling tevens studeerkamer is, brandde gezellig een open haard met blokken. Aan een raam stond de schrijftafel van den heer Schudel en vóór hem, tegen den muur, een kast met boeken. Natuurlijk neusde ik even.
‘Kijkt u gerust rond’ zei de heer Schudel, schoof een stoel naast de schrijftafel en ging er zelf vóór zitten. Ik keek, en tot mijn verbazing zag ik zeer veel medische werken in de open boekenkast staan.
‘Dat is zoo mijn liefhebberijstudie. Ik heb er altijd veel voor gevoeld, reeds als jongen. Mijn eerste patient was mijn moeder. Ik was toen, geloof ik, 18 of 20 jaar’.
‘Hebt u in de medicijnen gestudeerd?’
‘Neen, dat niet. Tenminste wanneer u universitaire opleiding bedoelt. Maar in m'n vrijen tijd studeer ik al sinds jaren, en nu ik niet anders meer om handen heb, wijd ik me er geheel aan’.
‘De Hollandia-Drukkerij is door u opgericht, is het niet?’
‘Ja, dat is wel eigenaardig gegaan. Oorspronkelijk was ik in het wijnkoopersvak, maar toen ik later geheelonthouder werd, waren die twee niet goed vereenigbaar. Toen ben ik in de levensverzekeringsbranche gekomen. Dat ging beter. Maar op een dag moest ik voor een vriend een werkkring zoeken. Ik ben Theosoof en had De Geheime Leer van Blavatsky willen vertalen en uitgeven. Een heel stuk van de vertaling was al af, maar van de uitgave is niets gekomen. Toch was deze poging tot uitgeven de directe aanleiding voor de oprichting der Hollandia-Drukkerij. Want toen de drukkerij opgericht was, had mijn jonge vriend werk en gaf ik er de levensverzekering aan’.

Louis F. Schudel
Oprichter van Den Gulden Winckel
‘Hoe kwam u zoo tot het uitgeven van Den Gulden Winckel?’
‘Van het uitgeversvak wist ik wel iets af, ik heb mij altijd aangetrokken gevoeld tot boeken; daar zal ik u straks wel van vertellen. Ik woonde in Utrecht en lag met influenza te bed. Toen kreeg ik eensklaps het denkbeeld om een klein goedkoop tijdschrift op te richten met korte boekrecensies en een boekenlijst met korte karakteristieken van elk boek. Dat moest gaan, meende ik. De kranten gaven in dien tijd nog niet zooveel recensies en het duurde dikwijls heel lang voor een bespreking werd opgenomen. Bij de tijdschriften duurde het nog langer. Dat was niet in het belang van de uitgevers, die er voordeel bij zouden hebben als de menschen gauw wisten wat de inhoud van hun boeken was en hoe het oordeel van bevoegden luidde.
Ikzelf kon dat niet doen. Daarom ging ik met mijn plan naar het Bureau van het Nieuwsblad van den Boekhandel, waar ik heel vriendelijk ontvangen werd. Daar bleek mij, dat de redacteur van dat blad, de heer de Rochemont, hetzelfde denkbeeld
reeds lang koesterde. Wij kwamen overeen, dat hij zou medewerken voor de boekenlijst, maar ik moest ook een redacteur hebben. Wie zou dat moeten zijn? Enkele namen werden mij genoemd, maar toen ik bij die heeren kwam, bedankten ze een voor een. De Rochemont raadde mij toen om eens naar Smit Kleine in Doorn te gaan. Ik toog daarheen en het bleek mij, dat deze joviale, aardige baas voor mijn plan voelde. Zoo werd Smit Kleine redacteur. Zooals ik u reeds zeide, zou de Rochemont voor de boekenlijst zorgen. Wie zou dat

F. Smit Kleine
Redacteur van Den Gulden Winckel gedurende het tijdvak 1902-1907
(portret uit den oprichtingstijd)
beter hebben kunnen doen dan hij? Hij was de niet-genoemde medewerker-redacteur en zou in alles behulpzaam zijn.
De eerste redactie-vergaderingen werden te Utrecht gehouden in “De Liggende Os”. Dat café is nu verdwenen, want het Jaarbeursgebouw staat thans op die plek. In de serre van dat café kwamen Smit Kleine, de Rochemont en ik geregeld bijeen. De samenwerking was voortreffelijk in het begin, maar al spoedig werd de Rochemont ziek, kwam dikwijls veel te laat op vergaderingen, stuurde alles op het laatste nippertje. Ja, dat was heel jammer. Gelukkig bleef het met Smit Kleine prettig samenwerken.
Toch is het tijdschrift niet heelemaal geworden zooals ik het mij oorspronkelijk gedacht had. Ik zei u al, dat ik mij een zeer goedkoop geschriftje had voorgesteld. Maar de heer Smit Kleine wenschte een omslag en illustraties, en hoewel het geheel daardoor zeker veel aantrekkelijker werd, diende de prijs daardoor hooger te worden, al bleef het altijd nog erg goedkoop. Langzamerhand is in den loop der jaren het karakter nog meer veranderd. De boekenlijst is heelemaal verdwenen. Die rubriek heeft nooit willen vatten. Het was toch zoo practisch, dat een uitgever zelf zijn boeken kon inleiden.
Toen tot oprichting van het blad besloten was, moest het een titel hebben. Ik had er oorspronkelijk geen, en toen is Smit Kleine met “Den Gulden Winckel” komen aandragen, wat ik altijd een gelukkige vondst heb gevonden. Hij stelde ook de inleiding op, waarboven hij “Portaal” schreef. Aan het slot zeide hij: “Wij wenschen, kloek en knap, geholpen door onze vrienden in de Nederlandsche schrijverswereld, gesteund door die in onze uitgeverskringen “Den Gulden Winckel” te doen worden de middenplaats van het verkeer der boekenvrienden in Groot Nederland en verbeiden het oogenblik dat van hier de stuwkracht uitga, die boeken en boekenvrienden nader samenbrengt en den handel drijft tot winste voor zich-zelf bij het wonne scheppen voor anderen”.
Veldheer teekende een omslag, waar ik nooit erg ingenomen mee geweest ben, en zoo is op 15 Januari 1902 Den Gulden Winckel in 10.000 exemplaren gedrukt en verspreid. Men zag het blad overal: op de leestafels van alle hotels en koffiehuizen, aan de stations in de wachtkamers, in de leeskamers van onze groote mailbooten, in België en in Zuid-Afrika. En het had succes. Deze groote verspreiding - en niet alleen van het eerste nummer - heeft er veel toe bijgedragen om niet alleen het blad, maar ook de Hollandia-Drukkerij bekend te maken bij schrijvers, schrijfsters, vertalers en ook bij het groote publiek.
Maar om verder te gaan. De drukkerij werd naar Baarn overgebracht, omdat ik daar een geschikt terrein kon krijgen. De vergaderingen met de redactie werden ook daarna in Utrecht gehouden.
Uit dien eersten tijd zou natuurlijk veel te vertellen zijn, van die kleinigheden, die je altijd bijblijven, maar ze zijn niet interessant genoeg om er uw lezers op te tracteeren.
Daar komt bij, dat tamelijk spoedig bleek, dat de lichamelijke en vooral de geestelijke toestand van de Rochemont van dien aard werd, dat een langer aanblijven van hem als medewerker niet mogelijk was. Dat was jammer, want hij was een uiterst bekwaam man. Gelukkig vonden we in Roos van den Berg, toentertijd bediende bij Van Gogh's boekhandel, een waardig plaatsvervanger voor het werk aan de boekentafel. Maar die eerste tijden zijn niet altijd van de prettigste geweest. Laat mij daarover maar liever zwijgen.
Smit Kleine was ook wel een eigenaardig man, maar met hem heb ik altijd heel prettig kunnen samenwerken. Hij had verbazend veel relaties en ik kan niet anders dan dankbaar herdenken wat hij voor het blad en ook voor mij als uitgever gedaan

Foto E.A.v. Blitz & Zn., Utrecht.
Het Vreeburg te Utrecht met het Hotel ‘De Liggende Os’ in welks serre in de eerste jaren de maandelijksche redactie-vergaderingen werden gehouden (op onze foto ziet men de bewuste serre achter de figuurtjes van de vrouw met het kind).
Het huizenblok, waarvan ‘De Liggende Os’ deel uitmaakte is voor eenige jaren gesloopt; thans staat er het Jaarbeursgebouw.
heeft. Hij bracht mij o.a. in aanraking met mevrouw B. de Graaf-van Cappelle, die “Hare Koninklijke Hoogheid de Vrouw” van Max O'Rell voor mij vertaalde, waarmee de Hollandia-Drukkerij zoo'n succes gehad heeft. En ook Maurits Esser heb ik door hem leeren kennen.
Toch heb ik altijd wel moeite gehad om Smit Kleine in het gareel te houden, binnen den opzet en den prijs van het tijdschrift, dat toen slechts 90 cent, franco per post f 1.20 kostte. Hij had flair om het blad aantrekkelijk te maken, maar wilde het grooter hebben dan mogelijk was voor dien prijs’.
- ‘Ging het goed met het blad?’
‘Ja, heel aardig. Het is er gauw ingekomen en dat had het aan de groote verspreiding van de eerste nummers te danken. In de onderwijswereld werd het veel gelezen. Daar zijn veel menschen die zich op de hoogte willen houden van de litteratuur. Hier vonden ze een tijdschrift, dat hen vlug en in beknopten vorm op de hoogte hield van alle nieuwe uitgaven en dat ze tevens in hun bezit konden houden. Andere tijdschriften waren daarvoor te duur. En die boekenlijst gaf den menschen veel, al moet ik er bijvoegen, dat in den loop der jaren de productie van boeken zoo groot werd, dat er veel meer boeken inkwamen dan de recensenten konden verwerken, zoodat ook hierin mijn oorspronkelijk denkbeeld, om de korte recensies volledig te doen zijn, niet geheel verwezenlijkt is geworden.
U vraagt of het tijdschrift goed ontvangen is? Ja, daar was ik zeer over tevreden. Maar het verschijnen heeft mij heel wat hoofdbrekens gekost. Eerst gaf ik een proefnummer uit, een soort van uitgebreid prospectus. Zooals ik u al zei, ben ik in Utrecht met mijn drukkerij begonnen. Al spoedig werd het daar te klein en gingen wij over naar het nieuw gebouwde huis in Baarn, in de Dallaan, waar de zaak - na dien tijd nog tweemaal uitgebreid - tegenwoordig nog gevestigd is. Maar 25 jaar geleden, juist in den tijd van het eerste verschijnen van Den Gulden Winckel, ging de drukkerij over. U kunt zich die drukte voorstellen. Er moest verbazend hard gewerkt worden om het nieuwe tijdschrift op tijd de deur uit te krijgen. Ik herhaal u: 10.000 exemplaren drukken en versturen, ook naar België, Frankrijk en Duitschland, om bij de uitgevers daar reclame te maken en zoo spoedig mogelijk buitenlandsche recensie-exemplaren te krijgen, dat was geen peuleschilletje! Die groote verspreiding hebben we zes maanden volgehouden’.
‘Vertelt u nog eens iets over de Hollandia-Drukkerij’.
‘Ik zei u al, dat ik nooit drukker was geweest. Ik heb me zelf het vak moeten leeren, maar de buiten-
wereld heeft het nooit geweten. En Esser kwam nog wel bij mij om het vak te leeren! Ik heb hem toen aangeraden naar Joh. Enschedé te gaan, wat hij gedaan heeft. Daarna is hij in de zaak gekomen en ik heb heel prettig met hem samengewerkt, meer dan 18 jaar lang, en nooit hebben we een kwaad woord met elkander gehad. De Hollandia-Drukkerij werd toen een naamlooze vennootschap en Esser werd mede-directeur. Twee jaar later legde Smit Kleine

L.C.J. van Sandwijk
De zetter, die gedurende 25 jaar Den Gulden Winckel heeft ‘opgemaakt’. Hulde aan het beleid waarmee hij in een minimum plaatsruimte steeds het maximum copij wist samen te persen!
de redactie van Den Gulden Winckel neêr, en Gerard van Eckeren, die toch reeds medewerker was, voerde alleen de redactie, tot hij twee jaar geleden er den heer Greshoff inhaalde. U ziet, de geschiedenis van Den Gulden Winckel en die van de Hollandia-Drukkerij loopen nogal in elkaar.
Esser heeft, toen hij in de drukkerij werd opgenomen, voor de zaak gereisd, en ze vroegen hem toen wel eens: wie is toch die meneer Schudel? Men kende mij onder de vakgenooten niet. Maar als de wil er maar is, gaat alles tenslotte wel, al heb ik natuurlijk zoo nu en dan leergeld moeten betalen. Ook van reizigers die bij mij kwamen, leerde ik veel: ik liet ze praten en maakte onderwijl zelf mijn gevolgtrekkingen. Het gevolg was, dat ik niettegenstaande mijn geringe vakkennis toch in het bezit kwam van de beste materialen en hulpmiddelen. De groote Augsburgsche snelpers die ik indertijd mij aanschafte, loopt nòg uitstekend. U kunt zelf zien hoe goed werk zij levert: Den Gulden Winckel wordt er nog steeds op gedrukt.
Is het u wel eens opgevallen welk een eigenaardige plaats de Hollandia-Drukkerij inneemt in de uitgeverswereld? Dat komt omdat Esser uit orthodoxe kringen is voortgekomen en ik Theosoof ben. Die combinatie heeft haar stempel gedrukt op onze uitgaven. Wij hebben van alles in het licht gegeven: zoowel van Roomsche als Joodsche, van Moderne, Ethische en Gereformeerde zijde, ja zelfs van Vrijdenkers, en natuurlijk ook vele Theosophische brochures en boeken. Mijn eerste uitgave was “De Oceaan van Theosophie”, dat al lang uitverkocht is. Toen kwam de serie Pro en Contra. Met dat denkbeeld liep ik al rond vóór Esser kwam, maar samen met hem ben ik die reeks toen begonnen.

J. Boelens
De man, die gedurende 25 jaar Den Gulden Winckel heeft gedrukt.
We vonden het aardig om twee menschen tegen elkander op te laten keffen, zonder dat ze wisten waar de ander het over zou hebben. Er was natuurlijk ook iets tegen, omdat ze vaak naast elkander redeneerden. We hebben echter veel succes met die reeks gehad. Later volgden: Levensvragen, Kerk en Secte, Groote Denkers, Groote Mystieken, Groote Mannen, Groote Godsdiensten, Staten en Volkeren, Redelijke Godsdienst en tal van andere seriën. Daar tusschen door gedichten, romans en novellen, te veel om te noemen. Ik zei u al, dat ik niet onaardig debuteerde met “Hare Koninklijke Hoogheid de Vrouw”. Die boeken vlogen weg.
Voordat Esser er bij kwam deed ik alles in m'n eentje. De meeste uitgevers heb ik opgezocht om ze te interesseeren voor Den Gulden Winckel. Die bezoeken waren niet altijd even bemoedigend, want dikwijls moest ik hooren: “Och, dat blad zal geen lang leven hebben; dàt tijdschrift is al verdwenen, en dàt...” “Maar Den Gulden Winckel is toch maar in stand gebleven!” voegde de heer Schudel er triomfant aan toe.
Het is geen benijdenswaardige taak om jong uitgever te zijn, want je wordt achterna gezeten door jonge schrijvers en vertaalsters, die natuurlijk denken: daar kan ik het nog wel eens wagen’.
‘Zocht u zelf uit wat binnen kwam?’
‘Ja, de eerste jaren wel. Later deed mijn mededirecteur dat in hoofdzaak’.
‘Wanneer is precies de Hollandia-Drukkerij opgericht?’
‘Laat eens kijken, dat was in April 1899, en in 1902 begon Den Gulden Winckel. Nu het blad vergroot en verfraaid is, zijn er heel wat abonné's bijgekomen. Als u de eerste nummers vergelijkt met de tegenwoordige, ziet u, dat er een groot verschil in karakter gekomen is in den loop der jaren. Elke redacteur drukt er natuurlijk zijn stempel op. Zoo heeft Esser er mijn geliefde Boekenlijst uitgegooid, omdat hij meer plaats noodig had voor wat anders. De vroegere groene advertentie pagina gebruikte hij soms ook al voor het redactioneele gedeelte. Het blad neemt nog altijd een eigenaardige plaats in, maar het wordt nu in alle kringen gelezen’.
‘U spreekt zoo over het drukken van een eigen stempel en telkens komt u er op terug, dat het blad niet geworden is wat u er mee bedoelde. U liet dus de redactie vrij?’
‘Ja, dat deed ik. U denkt natuurlijk aan die groote quaestie die er indertijd met “de Groene” geweest is, dat begrijp ik. De uitgever is natuurlijk de patroon. Als de redactie lijnrecht tegen mij in was gegaan, dan zou ik niet geaarzeld hebben om de door mij betaalde redactie te ontslaan. Maar dat was gelukkig niet het geval. Die twee heeren gaven wel wat ik bedoelde, maar alleen in een ietwat anderen vorm. De redactie geeft richting aan het blad, dat spreekt, maar het gaat toch niet aan, dat een uitgever zijn blad moet zien ten onder gaan door de opvatting van den redacteur. De redactie mag zich een groote mate van vrijheid voorbehouden, maar mag nooit vergeten, dat zij in dienst is van den uitgever’.
‘Dan is dus de positie van Esser wel ideaal’.
‘Ja, die is zijn eigen patroon’.
‘Is u geheel uit de Hollandia-Drukkerij?’
‘Neen, ik ben er weer in als Commissaris. Ik ben er in 1922 uitgegaan. Toen ben ik met mijn familie naar Amerika getrokken, naar het Hoofdkwartier van de Universeele Broederschap en het Theosophisch Genootschap te Point Loma in Californië. U herinnert zich misschien, dat Daniël de Lange daar de laatste jaren van zijn leven heeft doorgebracht en gewerkt. Er is daar nog een troepje Hollanders. Daar ben ik ruim twee jaar geweest en heb er o.a. gewerkt als corrector op de drukkerij. Dertig jaar had ik er naar verlangd daarheen te gaan, en toen kon het. Het klimaat bevalt mij beter dan hier. Het is een land van druiven, vijgen, perziken, persimmons, sinaasappelen en citroenen. Point Loma ligt drie à vierhonderd meter boven de zee en het geheele jaar door is het er heerlijk warm. In 1924 ben ik teruggekomen. Ik moest helaas wegens familie-omstandigheden. En nu ben ik in 1926 benoemd tot Commissaris der Hollandia-Drukkerij. Esser was zoo gewoon alles met mij te behandelen en ik heb er nu tijd genoeg voor, naast mijn geneeskundige studiën.
Weet u wat een aardige bizonderheid is, die ik nog verzuimde u te vertellen? Dat groote werk van Blavatsky, De Geheime Leer, waarover ik 27 jaar geleden dacht om het uit te geven, maar waar ik toen niet toe kon komen, wordt nu toch door de Hollandia-Drukkerij gedrukt, al is het dan ook voor rekening van de Universeele Broederschap en het Theosophisch Genootschap’.
We bleven nog wat napraten, en toen bracht de heer Schudel me naar het lokaaltje. De wolken waren weggetrokken en een heldere maan scheen over het stille dorp.
G.H. PANNEKOEK Jr.
1 Januari 1927.
vorige 
