Boekenschouw

Oorspronkelijke werken

Richard Elton. Drama's in zakformaat. Boek en periodiek. - R.J. Goddard, den Haag. (210 blz.) f 2.40

De inhoud van dit boekje bestaat uit een aantal alleraardigste en vlotgeschreven gesprekjes, ieder een ‘gevalletje’ op zichzelf. Het heele bundeltje achterelkaar uit te lezen, is niet aan te bevelen; de ‘drama's’ voldoen beter elk op zichzelf. Als dagblad-lectuur (als zoodanig zijn ze ook verschenen) komen ze dan ook veel beter tot hun recht. De dialoog is meestal vlot, de ‘gevallen’ zelf zijn nog al eens flauw. Een van de beste uit een oogpunt van dialoog is wel het vermakelijke: ‘Een hagelbui’, een onschuldig ruzietje tusschen man en vrouw, dat geweldige proporties dreigt aan te nemen.

Ook ‘de Anonieme brief’ is uitstekend geschreven.

Wilma. Moeder Stieneke. Uitgeversmaatschappij Holland. - Amsterdam, 1926. (210 blz.) f 2.50; geb. f 3.50

Wilma, de gevoelige, ongekunstelde schrijfster geeft hier de levensgeschiedenis van een jonge vrouw. Stieneke is de oudste dochter uit een domineesgezin, waarvan de moeder het middelpunt is. Voor haar man en haar kinderen geeft zij haar heele leven, haar gansche hart. ‘Hoe mooi was ze zoo en hoe sterk in haar overgave! mooier nog dan wanneer ze bezig was met de kinderen. 's Avonds in rust leek het, of ze haar liefdevollen arbeid naar buiten tot zachte gedachten samenvoegde achter dat hooge voorhoofd, om zich zoo te bereiden voor den dag van morgen... Wat beteekenden zijn wijsheid en begrijpen waar de menschen zoo hoog tegen opzagen bij deze zuivere liefde van een vrouw, die tot in haar diepste wezen “moeder” was...’

In Stieneke, het oudste meisje, openbaart zich al vroeg een vast, nobel karakter. Wanneer ze zestien jaar is komt ze thuis om haar zwakke moeder te helpen. Verlangen naar ‘iets bereiken’ zooals haar vriendinnetjes heeft ze niet: ‘De heerlijkheid van het leven bestond toch niet in 't “iets bereiken”, maar in 't iets bezitten, iets-zijn, waardoor je leven vanzelf uitgroeide in zijn eigen richting’. Stienekes verlangen gaat naar de liefde van haar neef Paul en ze meent wel dat hij, die haar ‘moeder Stieneke’ noemt, ook háár liefheeft. Wanneer de moeder stervend is wordt haar Stieneke's liefde geopenbaard. Hoe bijzonder fijn, ontroerend innig is deze kleine episode beschreven, waar Stieneke met haar stervende moeder het ontluiken van een kastanje-knop gadeslaat. En wél voorvoelt de moeder ‘den donkeren strijd met het leven’ voor Stieneke, die niet ten onder zal gaan. Want Paul houdt niet van Stieneke maar van Elly, het jongere zusje, en ‘moeder Stieneke’ moet een goed woordje doen voor de jongelui bij haar vader. Hoe moeilijk wordt Stienekes leven. ‘De liefde had haar heele wezen in bezit genomen, het getransformeerd, in een bepaalde richting doen groeien: nu stond ze voor een zwaren muur met haar levende liefde. Opwaarts - neerwaarts? in de diepte graven, in de hoogte stijgen?... Ze had lief, en nooit zou ze haar liefde dooddrukken. Ze had het leven gezien dat bij haar wezen behoorde en dat was de waarheid! Al haar arbeid thuis leek de preparatie voor dat leven, het was echt en goed, dat liet ze zich nooit ontnemen. Want zooals haar liefde voor Paul had gezongen, zou ze nooit meer zingen, dat lied werd maar éénmaal in je leven zóó gezongen... Zóo worstelde moeder Stieneke, en het leven kwam haar te hulp, in moeders zware zegening, die zij ontvangen had, en die haar trouwe antwoord moest zijn aan het leven’...

[p. 24]

En zoo wordt Stieneke een moeder voor velen; altijd staat zij klaar, altijd weet zij zichzelf weg te cijferen, en in dit bestaan, dat zoo heel anders is dan zij zich haar leven heeft gedacht, vindt zij haar geluk. Heel fijn en met een innige liefde is het figuurtje van moeder Stieneke voor ons neergezet. Ook de vader, de krachtige persoonlijkheid die Stieneke in haar moeilijken strijd weet te steunen, is knap geteekend. Het is een boek dat van een waarachtige innige vroomheid is doortrokken.

Elisabeth Ortiz Echaguë-Smidt. De Put der Oude Estancia. - Haarlem, H.D. Tjeenk Willink & Zoon, 1926. (274 blz.). f 3.90; geb. f 4.90

Deze roman, ‘een eersteling’, zooals de schrijfster in haar ‘Woord vooraf’ vertelt, is bijzonder vlot, beschaafd en goed geschreven. De beschrijvingen van het Argentijnsche leven in de ‘pampa’, op de ‘estancia's’ zijn verreweg de beste gedeelten te noemen uit het boek. Het verhaal, de ‘roman’ zelf is weinig belangrijk, is althans weinig belangrijk ‘gemaakt’ voor den lezer. Ook is er in de compositie geen strakke vaste lijn te bespeuren. Eerst wordt ons als hoofdpersoon in de bladzijden van het boek Jan Prinsen beschreven, die in de verdere gebeurtenissen absoluut geen rol meer speelt. Dan is het Paul van Lanschoten en naderhand is Lotte Fournée, later Lotte van der Speeken de figuur die domineert. Lotte is eerst in Argentinië verloofd met Paul, doch ze voelt dat ze niet genoeg van hem houdt (ook dit wordt slechts terloops meegedeeld) en ze verbreekt haar verloving, wanneer ze weer uit Argentinië in Holland terug is. Naderhand trouwt ze dan met een Vlaamschen schilder, Peter van der Speeken. Het beste en ook werkelijk verdienstelijk geschreven gedeelte is het verblijf van Lotte in Spanje, wanneer haar man voor werk in Buenos-Ayres is. De beschrijvingen zijn hier bijzonder suggestief en ook Lotte's verliefd flirten met de knappe Spaansche jongelui is alleraardigst. Naderhand gaat Lotte met haar zoontje ook naar Argentinië, waar zij met haar man op de oude estancia Santa Isabél wonen. Ook in dit gedeelte zijn rake beschrijvingen. Als debuut is dit zeker wel werk met goede kwaliteiten.

Vertaalde werken

Vivi Laurent. Vivi's reis. Een jaar als dienstbode in Amerika. Avonturen van een Zweedsche studente. Met illustraties van de schrijfster. - A.W. Sijthoffs Uitg. Mij., Leiden (274 blz.) f 2.25; geb. 2.95

Dit reisverhaal, dat bijzonder vlot van taal is en dat eerder door een journaliste geschreven lijkt dan door een heel jong meisjestudentje, geeft het relaas van ‘Vivi's’ reis door Amerika. Vivi gaat met een vriendin, die ze per advertentie oppikt, op reis om ‘zich op haar eigen houtje alleen door het leven te slaan, als een landlooper, een avonturier, met alle winden mede te waaien, en je door het lot maar te laten voortdrijven’.

De twee meisjes besluiten zich als dienstboden te gaan verhuren, en Vivi komt in allerlei Amerikaansche gezinnen. Buitengewoon aardig vertelt ze van haar verschillende betrekkingen, en ze doet heel wat menschenkennis op, en niet alleen als dienstbode, ook als fabrieksmeisje en als ‘knoopenschilderes’ op een atelier. Te veel is het te merken dat Vivi niet echt voor haar brood werkt - of zou het heusch zóó gemakkelijk zijn in Amerika een goed loon te verdienen? Wèl is Vivi letterlijk van alles op de hoogte (wat wel eens een beetje kriebelig maakt: al die volmaaktheid!) maar ervaring als dienstmeisje zal ze toch allicht niet gehad hebben. Enfin - ze kan overal uitstekend voldoen en gaat vaak met haar ‘ma'am’ zeer vriendschappelijk om. Ten laatste komt ze in Salt Lake City, waar ze in een voorname familie gaat dienen, en veel in aanraking met de mormonen komt. Aardige dingen vertelt ze over den mormoonschen godsdienst.

‘Van het eten tot de kleeren is alles voorgeschreven. De Mormoon moet op het bloote lichaam zg. “garments” dragen, een kleedingstuk dat lijkt op een hemdbroek met lange mouwen, reikend van den hals tot de wreef van den voet. De beteekenis van dit voorschrift is om verkoudheid en longontsteking te voorkomen. Een Mormonendame kan dus nimmer een gedecolleteerde japon, korte mouwen of zijden kousen dragen. Haar “garments”, die dan te voorschijn zouden komen, zouden onherroepelijk het effect bederven. -

Een leuk staaltje van echt ‘Amerikaansche mentaliteit’ geeft het volgende stukje. Er zal een diner worden gegeven voor vijftien personen. 's Avonds van te voren komt de oude mevrouw ‘grootmama’ in de keuken:

‘Vindt je de eetkamer niet een beetje klein?’

‘Ja - dat is zeker’.

‘Wat zeg je van het idee om den muur tusschen jouw kamertje en de eetzaal weg te laten breken en de eetkamer zoo te vergrooten?’

‘Een geniaal idee. Wanneer wordt de muur afgebroken?’

‘Ik denk zoo morgenochtend vroeg, we eten pas om 6 uur’. - - - - - - - - - - - - De werkman en Willy hameren en bikken dat het huis dreunt en ik sta te koken. Het wordt twee uur, het wordt drie uur, planken en steenen versperren de eetzaal, noch haantjes, noch salade, noch maïs zijn klaar. Opeens bedenk ik dat er geen schoone servetten meer zijn - dan maar dadelijk wasschen. Maar de waterleiding was afgesloten - och, lieve hemel!...

‘Willy gauw, draai het water open, ik moet de groote wasch doen. Versta je me?’

‘Boem - boem - verbeeld jij je dat het nog droog wordt? Nee, die is goed! - boem!

Vijf uur... de muur is gesloopt,... zes uur.

Hoera, het lijkt wel de bioscoop. Een prachtige eetzaal, zachte tapijten, schemerlicht, fonkelend kristal, dampende servetten (toch bijna droog!).

De gastvrouw in zijde en met prachtige juweelen knikt het keurige dienstmeisje vriendelijk toe, vragend.

Het meisje knikt onmerkbaar, en fluistert ‘dinner is ready’. -

Het fleurige verhaal is verlucht met rake, humoristische penteekeningen, die blijk geven van een groot vermogen tot typeeren. -