Onze taal in Indië

Dr. G.J. Nieuwenhuis: ‘Bronnenboek voor het nieuwe Taalonderwijs in Indië’. - Uitgave J.B. Wolters, Weltevreden 1925.

WANNEER men eens nagaat hoe ver het Nederlandsch taalgebied zich uitstrekt buiten de grenzen van ‘het Rijk in Europa’, zal men waarschijnlijk alleen maar beteekenis hechten aan het Vlaamsche deel van België, waar onze taal door ongeveer vier millioen Vlamingen gesproken wordt.

De taalverwantschap met Zuid-Afrika is van weinig of geen belang meer, ondanks het feit dat een kleine, doch hardnekkige propaganda het lang verloren contact poogt te herstellen. Het Afrikaansch moet noodzakelijk steeds meer van het Nederlandsch gaan vervreemden, want in oorsprong is het niets anders dan de taal van eenige onontwikkelde, dialect-sprekende boeren, en in zijn groei is het dat gebleven, uitsluitend voortbouwend langs de lijnen van een primitieve gemeenschap. De moderne tijd heeft hierin geen verbetering gebracht. Het Engelsch, dat cultureel veel hooger staat, liet zijn invloed langzamerhand gelden, en zal dit steeds krachtiger doen, naarmate de oude antipathie tegen het Britsche bestuur gaat verdwijnen.

Heel anders is echter de verhouding tot Indië. Zoolang er een innig contact met het moederland blijft bestaan, is het onmogelijk dat het Nederlandsch hier tot een Indische taal zou verwilderen, omdat door den grooten toevloed van ontwikkelde Hollanders de taal voortdurend zuiver wordt gehouden. Maar deze geregelde ‘taalverversching’ is dan ook een absolute eisch, hetgeen niet alleen blijkt uit de geschiedenis van het Afrikaansch, maar ook uit de koloniale historie van Indië zelf.

In den Compagniestijd was het een heel gewoon verschijnsel, dat er in hoogere kringen dagelijksch Maleisch of Portugeesch werd gesproken, en er waren zelfs predikanten, die verklaarden veel beter in deze talen te kunnen preeken dan in het Hollandsch. Nu moet men daarbij wel in aanmerking nemen, dat het beschavingspeil van onze koloniseerende voorouders niet bijster hoog was. Zij kwamen hier echter ook niet met cultureele bedoelingen, waarin het voornaamste verschilpunt ligt met de

[p. 33]

vroegere Portugeesche kolonisatie, die wèl een cultuur bracht, hetgeen zich verrassend openbaart in den buitengewoon taaien invloed van de Portugeesche taal, die nu pas na ruim drie eeuwen van Nederlandsch gezag aan het uitsterven is.

In den loop van de 19e eeuw begon onze taal eindelijk een grooteren invloed te krijgen. De uitbreiding en verbetering van het Europeesch onderwijs, de veel snellere verbinding met het moederland, de invoering van de moderne techniek, waardoor de Indische maatschappij een meer Westersch karakter kreeg -, al deze factoren saamgenomen, hebben de ontwikkeling van het Nederlandsch in deze streken krachtig in de hand gewerkt.

Zoo is het ten slotte de hoogere verkeerstaal van Indië geworden. De taal, die elke naar vooruitgang strevende inlander noodzakelijk moet beheerschen om zich naar Westersch plan te kunnen vormen. Het is de taak van het Nederlandsch: den weg naar het Westen voor de Indische volkeren open te leggen, want geen enkele Indische taal kan hierbij vervangend optreden, zoolang haar cultuur-niveau het onze niet nabijkomt, en geen enkele vreemde Westersche taal mag die taak overnemen, omdat, op historische, economische en politieke gronden, alleen het Nederlandsch aangewezen is om die te vervullen.

Als dagelijksche voertaal heeft het Nederlandsch evenwel een zware concurrent in het Maleisch, dat alleen zuiver gesproken wordt op Malakka en Riouw, maar verder over heel den Archipel, van Sabang tot Merauke, verbreid is in tal van sterk verbasterde dialecten. Toch zijn er millioenen Inlanders, zooals Javanen, Madoereezen en Soendaneezen, voor wie deze taal geheel vreemd is, en daarom zal het Nederlandsch geleidelijk-aan veld moeten winnen. De groote voordeelen, die de kennis er van voor den doorsnee-Inlander in het dagelijksch leven met zich brengt, zullen de keuze niet twijfelachtig maken. De Inlandsche wereld begrijpt dit, en legt zich tegenwoordig dan ook ijverig toe op het leeren van onze taal.

Het onderwijs heeft hier tot heden slechts in zooverre rekening mee gehouden, dat op de vele Hollandsch-Inlandsche scholen ruimschoots de gelegenheid werd opengesteld om Hollandsch te leeren, doch men verwaarloosde de noodzakelijkheid om het taal-onderwijs naar een anderen maatstaf in te richten dan het moederlandsche. De methode was gebaseerd op traditie -, zooals men zelf het vak ‘taal’ op de schoolbanken had geleerd, wilde men het hier aan Inlanders en Chineezen onderwijzen. Het leermateriaal bestond dus uit een boekerig taaltje, vol spelling-listigheidjes van het versleten stelsel De Vries en te Winkel. Verder begon men veel te vroeg met dit onderwijs, namelijk lang voor de kinderen hun eigen moedertaal voldoende begrepen, waaruit volgde, dat zij zich in geen van beide talen behoorlijk konden uitdrukken, wanneer ze later in het practische leven kwamen.

 

* * *

 

De nieuwe onderwijs-methode van Dr. Nieuwenhuis, die onlangs door de Indische Regeering voor haar scholen is aangenomen, wijst met nadruk op deze fouten, en toont de funeste gevolgen met tal van voorbeelden uit de practijk.

Door de meeste Indo's, Inlanders en Chineezen wordt er een taaltje gesproken, akelig-correct Nederlandsch, dat alleen maar ontsierd wordt door een sterk rollend Indisch accent. Maar er zit geen greintje leven in, niet de minste oorspronkelijkheid. Het is een stijve, duffe boekentaal vol bombast, die na afloop der schooljaren niet vermindert, maar eer toeneemt door de ambtelijke sfeer, waarvan de heele Indische samenleving doortrokken is. Echte Hollandsche spreekwoorden en zegswijzen worden graag gebruikt, want het klinkt zoo goed, maar de toepassing is dikwijls geheel onjuist, en kan leiden tot de grappigste combinaties, waarover de tòtòks zich in tal van moppen vroolijk maken. Dit komt omdat alles machinaal van buiten is geleerd; alleen de letterlijke beteekenis wordt gekend, maar zonder begrip van gevoelswaarde en strekking. Een jongen die aan zijn broer schrijft: ‘Met dezen heb ik de eer u mede te deelen, dat onze geachte vader den kraaienmarsch heeft geblazen’, weet dat de beteekenis geen twijfel overlaat, maar hij voelt niet zijn bespottelijke combinatie van twee verkeerde uitdrukkingen.

Een uitvoerige beschrijving van de nieuwe onderwijs-methode is hier niet op haar plaats, want het zou ons te veel brengen op het terrein van den vakman. Voor ons is slechts van belang dit stelsel in hoofdlijnen te kennen.

Dr. Nieuwenhuis gaat uit van het diepgaand verschil tusschen het leeren van moedertaal, vreemde taal en vreemde voertaal. De eerste wordt steeds natuurlijk geleerd, de beide anderen meestal kunstmatig. De mate van taalbeheersching kan zijn actief en passief. Actieve taalbeheersching wanneer men kan spreken en stellen, passieve wanneer men kan lezen en verstaan. Voor een vreemde taal is passieve beheersching bijna altijd voldoende. De vreemde voertaal vereischt echter actieve beheersching om het groote overwicht dat zij heeft op de landstaal. Het probleem van een vreemde voertaal treedt alleen op in landen met cultureele of politieke overheersching -, Latijn is wel het meest klassieke voorbeeld van de macht eener cultuur-taal. Het Nederlandsch speelt tegenwoordig in Indië tot op zekere hoogte dezelfde rol als het Latijn in de Middeleeuwen, en hetzelfde geldt voor Fransch en Engelsch in de Fransche en Engelsche koloniën.

[p. 34]

De bestudeering van den sterken taal-invloed, dien elke politieke, maar vooral elke kultureele overheersching met zich brengt, heeft de ‘paedagogie van de vreemde voertaal’ in het leven geroepen. Dr. Nieuwenhuis heeft zijn stelsel hierop gebaseerd, en de beginselen toegepast in zijn nieuw programma voor den achtjarigen cursus van de Hollandsch-Inlandsche school.

De beide eerste jaren wordt er alleen onderwijs gegeven in de landstaal, de beide volgende jaren is de landstaal nog hoofdzaak, maar wel wordt van het Nederlandsch al een beetje als vreemde taal geleerd. De vier laatste jaren is het Nederlandsch eindelijk de vreemde voertaal, die met een geleidelijk afnemenden steun van de landstaal wordt onderwezen. Grammatica wordt in het geheel niet gegeven. Verbuiging en spelling worden uitsluitend visueel behandeld, want in dit stelsel wordt een groote waarde toegekend aan het ‘woordbeeld’. Verder moet er een eigen locale kleur aanwezig zijn om een zuiver begrip mogelijk te maken, en veel kinder-fantasie moet in de leesstof worden verwerkt om begripsverruiming in de hand te werken.

Vóór alles komt het echter aan op de talenten van den onderwijzer, die geheel zelfstandig zijn lessen moet geven, zich richtend naar een algemeenen leiddraad, welke hem tot niets bepaalds bindt. Hij moet in alles met zijn leerlingen meeleven, hij moet de kinderzielen volledig begrijpen, maar vooral moet hij hen kunnen boeien. Met de meerdere of mindere suggestiviteit van den onderwijzer staat of valt heel dit individualistische stelsel. Wordt het onderwijs werkelijk goed gegeven, dan is het waar wat de schrijver in zijn voorbericht zegt: ‘Het nieuwe taalonderwijs vraagt oneindig veel meer toewijding, studie, aandacht en tijd van den onderwijzer dan het oude’.

 

* * *

 

Uit dit alles blijkt, dat er een scherpe tegenstelling bestaat tusschen de oude onderwijsmethode en dit nieuwe stelsel. Vroeger een starre, levenlooze dogmatiek -, nu een jong en ongebonden idealisme. Een tegenstelling die zich vooral krachtig uitspreekt in het afschaffen van allen grammaticalen dwang, en niet minder in de zelfstandig-geworden positie van den onderwijzer, die niet langer aan den leiband hoeft te loopen van vervelende, stijve taalboekjes. Men behoeft zich niet te verwonderen, dat het systeem van Dr. Nieuwenhuis in onderwijskringen veel beroering heeft verwekt. Naast een gulle waardeering heeft het ook veel scherpe critiek ondervonden, en dat kon moeilijk anders, want de voorgenomen hervormingen zijn van te ingrijpenden aard om onverschillig te worden aangezien.

De tegenstanders geven toe dat het bestaande onderwijs zich moet aanpassen aan de gewijzigde omstandigheden, maar zij bestrijden den vrijzinnigen geest van het nieuwe, en veroordeelen het heele systeem als onpractisch idealisme. Hier is wat voor te zeggen, want inderdaad worden hier de capaciteiten van het Indische onderwijzerscorps op een zware proef gesteld, waarvan de uitslag niet verzekerd is. Dan zijn er nog tegenstanders - zooals het gewezen taal-monarchje Croes - die om persoonlijke reden zich harnasten. De nijd van gevallen goden, die niet willen inzien dat hun glorietijd voorbij is. In Indië zijn heel veel van dergelijke persoonlijke veeten...

Ten slotte zijn er de voorstanders, die het pleit gewonnen hebben, want het nieuwe systeem is officieel erkend, en sinds kort in werking getreden.

Laten we hopen dat het de resultaten mag bereiken, waarnaar het streeft. Dit kàn, wanneer het althans niet aan zijn eigen grootheid ten onder gaat.

Weltevreden.

 

AUG. VAN DE VEN