Kroniek van het proza
De Nederlandsche roman in de laatste vijfentwintig jaar
(Enkele kantteekeningen)

III

IN 1905 verscheen het eerste nummer van ‘De Beweging’. En in het Maart-nr. van 1907 geeft Verwey daarin zijn beschouwing over de kwart-eeuw verloopen ‘sinds in ons land de strijd voor een nieuwe poëzie begon’. Die strijd was, verzekerde Verwey, niet voornamelijk een strijd voor gedichten. Poëzie is in eerste instantie een gemoedstoestand en een geestesaanleg. ‘Een mensch die geen poëzie in zich heeft nadert het dichtst aan wat wij ons van de verdoemden in de hel voorstellen. Een leven zonder poëzie lijkt ons de hel zelf’.

Een leven zonder poëzie was het leven in den gemiddelden Nederlandschen roman na '80, gelijk wij zagen, nochtans zoo zoetjesaan geworden. Zelfs van Eeden joeg Windekind op de vlucht voor Markus (Kleine Johannes II en III, 1905/1906), en och, deze Markus blijft met al zijn verheven, idealistische denkbeelden te zeer op den beganen grond. Waren deze ‘vervolgen’ een teleurstelling - Johan de Meester verraste met zijn ‘Geertje’ (1906). Daar was, meende men, ‘de poëzie’ dan weer! of liever, er was, naast realisme: romantiek; er was zelfs een extatische vervoering voor de liefde, de liefde van de vrouw voor den man, ook al blijkt hij haar onwaardig; een hartstocht die ‘blind’ is, maar toch eigenlijk helder-ziende, omdat hij het persoonlijke geluk, dat voelen, denken en willen omsluit, met het fanatiek belijden der martelaren tot het middenpunt van het Al stelt, waartegenover al het andere in het niet verzinkt. In Geertje's egocentrisch geluksbegeeren openbaart zich de primitieve wijsbegeerte van het oerinstinct, verschrikkend en waar, paradoxaal en symbolisch. Door de groote levenswet van het heiligend Offer wordt verzoening gedaan over wat rauwe natuurlijkheid scheen.

De roman is met dat al een wat onevenwichtig boek gebleven, wijl er ‘realisme’ en ‘romantiek’ te weinig in zijn versmolten. De werkelijkheidsbeschrijving is te uitvoerig-fotografisch, de romantiek wordt te zeer als romantiek herkend. Intusschen is Geertje een breken met de haast tot conventie geworden begrippen omtrent ‘de werkelijkheid’ in de litteratuur, en om de figuur van zijn heldin een boek van veel meer dan voorbijgaande waarde. In hetzelfde jaar verschenen twee belangrijke werken: van Oordt's ‘Warhold’ en van Suchtelen's ‘Quia Absurdum’. Albert Verwey karakteriseert ze in De Beweging aldus: Warhold: de verwording en ondergang van een zinneleven. Quia Absurdum: de zelfbevrijding van een menschegeest. Inderdaad. Of het echter juist is wat Verwey daar op volgen laat, dat wij allen beide deze verbeeldingen beleefd en ‘achter ons’ hebben?

Ik geloof eerder dat deze verbeeldingen universeel zijn, geen betrekkelijkheden tegenover elkander stellen, maar de constellatie van den menschelijken geest blootleggen in haar functioneele en eeuwige vormen.

Hetzelfde wat v. Schendel, maar dan minder breed, we zouden zeggen: intiemer en huiselijker, in zijn Zwerver verliefd bereikte: dat wij de personen zien als boven zichzelve uitgegroeid, als de vergroote psychische schaduwen van zich zelf, vinden wij in ‘Warhold’ terug. Verwey karakteriseert het zoo treffend: ‘Wie Warhold leest voelt zich in een zachtkleurige zwoelte, in een willekeur van losse en toch gebonden bewegingen. Stem klinkt er bijna niet uit op.... Wat de personen spreken doet er dan ook minder toe, dan wat zij gebaren, en de gebaren zijn groot en vrij...’ (Boeken, menschen en stroomingen. De Bew. Mei 1907). Het is of v. Oordt de ontoereikendheid van deze luidruchtige wereld heeft beseft en het Mysterie zoekt, dat in de stilte achter alle ding zich openbaart.

Was het Robbers niet, die bij v. Oordt's verscheiden herinnerde aan Bierens de Haan's kenschetsing van ‘Het

[p. 65]

Wijde’ (Idee-Studies), het wijde dat in v. Oordt was, niet als het onbestemde en vage, doch als de grenzeloosheid van al het begrensde, het eeuwige in tijd en ruimte. Men heeft het werk van v. Oordt te gemaniereerd, te gekunsteld genoemd, en inderdaad doet ‘Quia Absurdum’ gewoner en natuurlijker aan. Het staat, als Verwey zegt, ‘dichter bij ons.’ Er is in dit boek veel meer beweging van onrust dan in ‘Warhold’; het leven is er nog niet verstild tot wijsheid, maar naar wijsheid wordt met inzet van een strevend menschbestaan ernstig en bang gezocht. Het is het proces eener bewustwording van de ziel, die blind, wanhopig en verrukt, in een wankele ijlte, een duizelend grijpen, zoekt naar de indentiteit, de eenheid van zichzelve in al het verdeelde en verbrokkelde.

Zoowel Warhold als Quia Absurdum is geboren uit die metafysisch monistische wereldbeschouwing, welker aandrang op de geesten te sterker werd naarmate de ontoereikendheid van het empirisch monisme der moderne wetenschap duidelijker moest blijken.

Wat krachtige en van den droom der schoonheid actief vervulde persoonlijkheden als van Suchtelen en van Oordt tot plastische uitdrukking brachten waren afgemeene gevoelens, ‘booze geesten in de lucht’ zou Dr. A. Kuyper zeggen, die omstreeks dienzelfden tijd in zijn befaamde Bilderdijkrede tegen de litteraire strooming van 't orgaan der protestantsch-christelijke jongeren ‘Ons Tijdschrift’ zijn waarschuwende stem verheft en spreekt van ‘belijders van 't theïsme, die zich afsloven om bij de pantheïstische school van '80 te worden ingelijfd.’ En in een later artikel, in O.T. zelf, verklaart Dr. Kuyper, om nadere toelichting gevraagd, dat de school der tachtigers niet kon gekarakteriseerd worden door wat in alle eeuw aan alle dichters als het wezen der poëzie gemeen was, maar door datgene wat hun kunstschool van vroegere scholen onderscheidt; niet door het wezen der poëzie dus, dat voor allen indentiek is en blijft, maar door hun kunstopvatting. Waarbij hij dan tot de min of meer zonderlinge conclusie komt dat de 80ers wel eindigen moesten met in het wezen der kunst zelf een innerlijke vervalsching aan te brengen. (O.T. Maart 1907.)

Het gevaar bleek voor de aanhangers der oude dualistische opvattingen omtrent God en wereld wèl prangend te zijn geworden, dat zich hare voornaamste vertegenwoordiger in eigen kring ter harer verdediging aldus in casuistieke bochten had te wringen. En de kreet van Adel Anckersmith: ‘dat het nu maar eens uit moest zijn’ (Calvinisme en Snobbisme in de Literatuur) was in al zijn onwelvoegelijke heftigheid de kreet van een conscientie, die het in de veranderende geestelijke atmosfeer te benauwd kreeg.

Het fatale was maar, dat hij voorloopig met dien kreet alleen zou blijven staan te midden van rechtzinnig geloovige geestverwanten, wien de moed, misschien ook wel de overtuiging ontbrak om hun dualistisch standpunt prijs te geven en in de diepste diepte van hun wezen God te herkennen. Vooralsnog (en 't is eigenlijk tot den huidigen dag zoo gebleven) zouden de pogingen van de protestantsch-christelijke jongeren tot het scheppen van den essentieel christelijken roman tot onvruchtbaarheid gedoemd blijven, al dienen wij hier aan te stippen dat in datzelfde jaar G. Schrijver bezig is aan zijn ‘Lichte Last’. Is het de humor van het toeval dat ongeveer ter zelfder tijd waarin Quia Absurdum verscheen J. Steynen in de 1e afl. van ‘De Maand’ de vraag stelt (hij deed het in een bespreking van Vermeylen's ‘Wandelende Jood’) bij welke hedendaagsche schrijvers hij het tastend naderen van de onbewuste diepten der menschenziel kan vinden? Hoe het zij: ook hij kan nog onweersproken de klacht slaken, dat over 't algemeen de Hollandsche roman ‘zonder geestelijke onrust en bangen hartstocht, zonder diepte, inhoudloos’ is. De traditie blijkt taai... onder de vele middelmatigen, die nu intusschen, in dezen terugblik over 25 jaar, verwaarloosd kunnen worden. Mogen wij het ook de redacteuren van ‘De Maand’: J. Steynen en zijn vriend Pieter v.d. Meer doen? Steynen zwijgt de laatste jaren en P.v.d. Meer zocht en vond sedert zijn Sturm und Drangperiode reeds lang andere wegen die, naar wij mogen aannemen, hem het Mysterie des levens, de diepte van alle zijn nader brachten.

Als wij thans op boeken als Steynen's ‘Verbijsterden’ en v.d. Meer's ‘Het Geheim’ terugzien, dan lijkt ons hun streven naar verinnerlijking geforceerd en onwaar, meer op het mysterieuze uit, dan op het mysterie.

Dat intusschen het letterkundig leven dier dagen toch niet zoo duf en vlak was als de heeren van ‘De Maand’ (meer uit reactie dan uit innerlijken drang geboren) ons wilden doen gelooven mogen nog enkele andere feiten in herinnering brengen. ‘Vlaanderen’ verscheen nog, al heeft het nooit recht gebloeid; Bolland gaf in zijn ‘Aesthetische Geestelijkheid’ een proeve van stelselmatige ontwikkeling van den schoonheidszin als voorlooper op een grondige studie van aesthetische begripsleer; Maria Viola schreef in 't orgaan der Roomsch Katholieke jongeren ‘Van onzen Tijd’ haar altijd opmerkelijke critieken. Naast de geesten gemoedsleegheid van menigen modernen beroepsboekenmaker vindt haar fijn onderscheidend vermogen onder 't werk van ‘gelooflooze literatoren’ nog veel, dat ‘als zuivere uiting van zielsverlangen, van tragisch trachten in geslagen hoogheidsdrang ontroert’. Zij ziet in het werk der generatie van '80, die den naturalistischen roman bracht, een redding van de realiteitsneiging, de menschelijkheid van het hollandsch-middeleeuwsche, in de 17e eeuw geleidelijk verloopen, uit den machteloozen greep der Romantieke beweging, al vermocht zij de universeele levenseenheid, waarin eenmaal dat menschelijke zijn schoon en veilig evenwicht vond, niet te herstellen. (V.O.T. April 1907).

Intusschen is er in die jaren een zoeken naar deze levenseenheid, en ook v. Deyssel, die eenmaal in de verrukkingen van den hartstocht om een schoone, natuurlijke wereld classiek geworden bladzijden schreef, stemt zijn ziel tot een stil en aandachtig luisteren naar de ritselingen van het Mysterie. ‘Uit het Leven van Frank Rozelaar’ verscheen in 1908.

[p. 66]

Dat niet alle tachtigers in den algemeenen geestelijken stroom naar verinnerlijking zich voegden toont de oudtachtiger Paap, wiens drakerige ‘Doodsklok van het Damrak’ in 1909 voedsel bood aan hen die terzijde van den heirweg der letteren bleven staan. Dezulken waren er in die jaren nog genoeg (zijn ze er heden ook niet?); zij schreven in hun tijdschriften ‘dat men boeken als Emants' Inwijding voorbij loopt, omdat er wezens als Tonia in worden beschreven, die “men” terecht schuwt in een boek’; zij vroegen maatregelen tegen de pornografie van ‘Een Huis vol Menschen’.

Bleken sommigen, tot hun schade, van '80 meer geleerd te hebben dan goed voor hen was; begonnen anderen die beweging reeds geheel te verloochenen - er waren er blijkbaar tevens te over, die in hun domheid en botte verwatenheid haar volkomen als lucht beschouwden; zij stonden op hun fatsoen en hun conventies en ontvingen als belooning De Doodsklok. Een volk krijgt de litteratuur die het verdient!

GERARD VAN ECKEREN