Maandkroniek

Huldiging van Josine A. Simons-Mees

Ten huize van de tooneelschrijfster mevr. Josine A. Simons-Mees in het Prinsevinkenpark te 's-Gravenhage heeft een intieme huldigingsplechtigheid plaats gehad. Een deputatie, bestaande uit eenige letterkundigen en bestuursleden der Wereldbibliotheekvereeniging, boden de schrijfster een fraaie, door den heer Georg Rueter geschilderde oorkonde aan van onderstaanden inhoud:

‘In het tooneelseizoen 1891/92, dus juist 35 jaar geleden, is door De Rotterdammers de première gegeven van

[p. 71]

Droomleven, het eerste belangrijke werk van Josine A. Simons-Mees. Ter herinnering aan deze voorstelling, gevolgd door zoo talrijke vertooningen van de fijne en menschkundige tooneelstukken der zelfde talentvolle schrijfster, wordt haar deze oorkonde aangeboden door allen, wier handteekeningen er zijn bijgevoegd’.

De omstreeks 700 handteekeningen uit Noord- en Zuid-Nederland, waaronder die van de meest vooraanstaande letterkundigen, tooneelspelers, beoefenaars van andere kunsten, geleerden en leiders van onze openbare gedachte, waren als een kaartregister verzameld in een door mej. M. Rueter zeer kunstig bewerkt kistje.

De plechtigheid had, in overstemming met den eenvoudigen aard der jubilaresse, een intiem en huiselijk karakter. Weinige waren aanwezig, maar zooals één der woordvoerders bij de overhandiging het uitdrukte: de inhoud van het kostbare kistje getuigt ervan dat zeer, zeer velen wel heel graag aanwezig hadden willen zijn, om de bescheiden schrijfster van De Veroveraar, De Paladijn, Sint Elisabeth en zoo vele andere treffende en uitnemende kunstwerken, eens een oogenblik zelf te doen beseffen wat zij in de 35 jaren van haar schrijfstersloopbaan als kunstenares voor ons Nederlandsch tooneel en, wat misschien nog méer beteekent, als diep meelevend mensch voor onze Nederlandsche kultuur heeft tot stand gebracht! Het initiatief tot de huldiging was genomen door Ina Boudier Bakker, prof. R. Casimir, mej. M.A. De Goeje, D.Th. Jaarsma, dr. M.B. Mendes da Costa, Frans Mijnssen, Annie Salomons, jhr. dr. Nico v. Suchtelen en het bestuur der Wereldbibliotheekvereeniging.

Twee Vlaamsche Huldigingen

Verleden jaar hadden er Hugo Verriest-feesten plaats te Ingoighem. Dit jaar maakt Deerlijk, het geboortedorp van Hugo Verriest, zich gereed om den ‘pastor van te lande’ te herdenken. - De gemeenteraad van Deerlijk heeft een hulpgeld van 1000 francs voor de Verriest-feesten eenparig goedgekeurd, terwijl het comité op Zondag 6 Maart jl. keurstukken uit het Mariaspel van Halle, onder leiding van den componist M. Moortgat, heeft laten uitvoeren om het fonds te stijven.

Aan den beeldhouwer Léon Hervein te Moeskroen, dorpsgenoot van Hugo Verriest, is het ontwerpen van den Verriest-gedenksteen, die op het geboortehuis zal worden geplaatst, opgedragen. Het arduinen middenstuk zal den volgenden tekst dragen:
Hier werd geboren op 25 November 1840
de zoetbespraakte Priester-Vlaming
HUGO VERRIEST

 

In het rechterzijluik wordt een kelk, in het linkerzijluik een leeuw gebeiteld.

De onthulling zal plaats hebben op Zondag 14 Aug. a.s.

 

* * *

 

De feestelijke huldiging van den dichter Willem Gijssels heeft 23 April te Antwerpen plaats.

In het hulde-comité hebben zitting genomen, als voorzitters: Lode Baekelmans en Herman Teirlinck; als ondervoorzitters: Ernst Claes en Emiel Hullebroek; als secretaris: Frits Francken, en verder, als leden, o.a. nog E. de Bom, Karel Candael, Paul Gilson, dr. De Gruyter, J. Beuckeleers, August de Boeck, P. Kenis, Toussaint van Boelaere, R. Veremans, Pol de Mont, F. Timmermans, Jef van Hoof, A. Hans en vele andere Vlamingen uit de letterkundige en artistieke wereld.

Elise Knuttel-Fabius 1857 - 7 Maart - 1927

Maandag wordt, aldus Het Vaderland van 5 Maart jl., onze kinderschrijfster mevr. E. Knuttel-Fabius zeventig jaar. Ouden en jongen, die haar boeken hebben gelezen, vrienden en kennissen die het voorrecht hebben - 't is een kleine kring - haar persoon te kennen, zullen met vreugde deze tijding vernemen, omdat we er uit persoonlijke ervaring kunnen bijvoegen, dat de jubilaresse in volkomen gezondheid en met een benijdenswaardige opgewektheid den feestdag tegemoet gaat.

't Kostte moeite haar te naderen, en ware het niet, dat wij papieren konden meebrengen van haar tienjarig redactieschap aan Jong Vaderland, zelfs Het Vaderland had onverrichterzake moeten terugkeeren.

We werden ontvangen op de werkkamer, en twee minuten waren voldoende, om de mooie ziel van deze pretentielooze vrouw te begrijpen. Ze heeft nu werkelijk heelemaal niets van een femme savante. Ze is er omdat ze er is, en ze schreef kinderboeken omdat ze ze schreef. Ze schreef uit haar moederlijk hart en met haar moederlijk hart. Dat ze onze litteratuur verrijkte; dat er gewichtige paedagogische theorieën bestaan en dikke boeken daarover; dat er is een verschillend beoordeelde jeugdbeweging; goed, maar daarover maakte de Moeder-Schrijfster het zich niet te druk. Haar kenbron was het moederhart en Fantasia hielp haar een beetje.

Al pratende kwam er wat meer los over dat moederhart. 't Is een met leed worstelend hart geweest en daarom leerde het veel en ging het diep voelen, en het schrijven werd soms dat overladen hart een weg der ontkoming. Het fijne boek Der ziele wonderland werd op die wijze geboren. Het vertelt van Keltische sprookjes, maar het bracht ook verlichting aan een door het verlies van een dochter geprangde moederziel. En zoo ligt er voor ons gevoel een heilige sfeer over dit werk.

Het was voor ons de eerste persoonlijke ontmoeting, maar zelden hebben we een dergelijke wezenseenheid gezien tusschen persoon en werk. Beide volkomen pretentieloos, beide bescheiden uit natuurinstinct, maar beide zoo heerlijk geadeld door Liefde en Leed.

Het is dan ook alleen bij wijze van herinnering, dat we even bij het zeer omvangrijke literaire werk stilstaan en ons bepalen tot een kritieklooze opsomming.

De romans Marianne en Om 't Geluk dateeren nog uit den meisjestijd, maar van de moeder zijn: Van Lichtstraaltjes en donkere wolken, Aan de Rivier, Het pleegkind, Kinnie en haar vrienden, Op Duinzicht, Moed, Het Boek van Hans, Onder de Korenmaat en Moed.

Het laatst genoemde boek moet ook geboren zijn uit een dergelijke behoefte als waaraan Der Ziele Wonderland zijn ontstaan te danken heeft.

Verder schreef zij, tien jaar als redactrice, in Jong-Vaderland kostelijke kinderverhalen, terwijl ze met het zeer bekende werk Oude Kinderboeken zich voorgoed - als 't nog noodig ware geweest! - het eeredoctoraat in de kinderschrijfkunst verwierf.

Tijdens de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid, welke van zeer veel belang is geweest voor de emancipatie der Nederlandsche vrouwen, verscheen van haar een brochure over Vrouwenarbeid.

In de Deutsche Revue XXII (Febr) schreef zij een interview met Jozef Israëls, en de schilder vereerde haar een zeer mooi teekeningetje, dat op een eereplaats in de studeerkamer hangt.

Nu en dan heeft de schrijfster ook de lier van de wilgen genomen en haar gedachten in dichtvorm vertolkt.

Richard Hol, Ulfert Schults, George Bijerle en Arnold Spoel hebben Knuttel Fabius-gedichtjes getoonzet.

Maar de Kinderschrijfster blijft nummer één en nog altijd zéér gezocht. Van Hans is pas een nieuwe druk verschenen en er moet een vervolg op komst zijn. Verder moeten er - natuurlijk weten we dit niet van haar zelf - nog twee kinderboeken bij den uitgever ter beoordeeling liggen. Nog één ding ten besluite. Toen we nog even in deze mooie, gave, trots veel leed altijd opgewekte vrouwe- en

[p. 72]

moederziel trachtten te peilen, dachten we opeens door onwillekeurige assimilatie aan Spinoza, en toen kwam de ons van het eerste oogenblik af sympathieke vrouw pas goed los. Aan de voeten van Spinoza zat zij, en zijn levensles Laetari et bene facere volgde zij, en zijn gelukzaligheid in God beleefde zij.

H.D. Tjeenk Willink spreekt:

Een van de aardige feuilletons die M.J. Brusse in de N.R.C. aan het Uitgeversbedrijf gewijd heeft, is die waarin hij van zijn ontmoeting met den rasechten uitgever H.D. Tjeenk Willink verhaalt, een soort dat helaas aan het uitsterven schijnt te zijn:

‘De boeken zijn mijn goede vrienden, die ik verlang om mij heen te zien in mijn kamer’... En, ja - uitgever bèn je dan ook, of je bent 't niet. Zit 't je in 't bloed, heb je 't van huis uit meegekregen, dan - zeg ik met mijn vader - sta je er ook mee op en ga je ermee naar bed. Ik schaam mij haast om 't te zeggen: ik heb er genoeg aan; ik heb er geen liefhebberijen bij: ik verzamel geen oud-blauw, geen schilderijen, geen kunstvoorwerpen... nee, de uitgeverij is mijn dagelijksche werk. Zij geeft mij bovendien mijn ontspanning in 't aangename verkeer met de auteurs, met mijn vakgenooten, - in redactie-vergaderingen met de redacteuren van de tijdschriften, in de besprekingen van onze vakbelangen, in de gezellige maaltijden daarna. En nu kun je zeer zeker óók naarstig de menschen achteraan-reizen, om ze zakelijk op te zoeken, - maar ik voor mij heb aan een gezellig diner, in de conversatie met mijn buren in tram en trein vaak mijn licht opgestoken, soms belangrijke plannen voor nieuwe uitgaven opgedaan, - menigmaal die plannen met anderen bezegeld. Want de goede relaties, de vriendschappelijke omgang in kringen van intellectueelen, het verkeer met allerlei belangrijke menschen, bij wie je zoo noodig om raad kunt aankloppen, - dat vormt alles de sfeer om een uitgeverij tot bloei te doen geraken, en hierdoor is het ook zóó prettig om uitgever van je vak te wezen, vooral wanneer je je hierbij hebt aangewend om je niet te ergeren en voor alles wat je soms wedervaart een redelijk, een menschelijk motief aan te nemen.

Zoo opgevat, vult de uitgeverij ook volkomen je leven. Ik voel mij niet op mijn gemak als ik op reis niet te lezen heb in proeven van werken, die bij mij zullen verschijnen. En nu geef ik toe, dat proeven-corrigeeren niet de ideale manier van lezen is, - toch, als ik bijvoorbeeld een boek over scheikunde uitgeef, welk vak ik op het gymnasium nu eenmaal nooit heb geleerd, dan krijg ik onder 't corrigeeren er meer begrip van, dan een ander die 't onopengesneden in zijn fondskast laat staan. Al wil ik eerlijk bekennen, dat er soms in de door mij uitgegeven tijdschriften wel eens uitvoerige artikelen verschijnen over onderwerpen, die mij 'n beetje onwennig, 'n beetje moeilijk aandoen, - en dàn, in vertrouwen gezegd, wacht ik wel eens af tot er een overzicht van verschijnt in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, om daaruit, in dien beknopteren vorm, tòch te weten te komen wat er in staat.

Maar in beginsel lees ik alles wat er bij mij uitkomt. En daar ben ik in opgevoed, - bij de correctie van de proeven. Mijn vader, - ik herinner mij, als onze familie nu en dan in den gezelligen tentwagen met den bak er achter, in de omstreken van Haarlem uit toeren ging, - dat mijn vader dan steeds de voorkeur gaf aan de plaats naast den koetsier.... om zelfs daar rustig voort te corrigeeren. Ja, nòg zie ik hem daar zitten op den bok, toen wij in 1885 een tocht ondernamen in zoo'n huiselijk vehikel, op weg naar Leiden, waar wij bij een neef, die er studeerde, de Maskerade zouden bijwonen.... met proeven in zijn hand. En op mijn twaalfde jaar corrigeerde ik al méé proeven, want het sprak voor mij vanzelf, dat ik, evenals mijn vader, in den boekhandel zou gaan, waar dan ook àl mijn belangstelling toen reeds naar uitging, alsof er voor jongens geen andere vakken bestònden. En dat ik 't droevig vond, als ik maar zoo weinig of soms heelemaal geen fouten in die drukproeven kon ontdekken. Maar volkomen ontmoedigd was ik, wanneer soms bleek, dat mijn vader, om mij tevreden te stellen, van die slippers mij dan maar een waardeloos stel had gegeven, - als ik ze terugvond op een plaats, waar nutteloos gecorrigeerde drukproeven dan toch óók nog een nuttige bestemming kunnen vinden.

Ja, de uitgeverij was het leven van mijn vader, dat nu en dan ook het gezin vervulde. Ik weet nog, dat in een prospectus, dat in tienduizend exemplaren aanstonds verspreid moest worden, de prijs van het werk iets te hoog bleek gesteld. En dat de heele familie toen een ganschen Zondag druk bezig was om over dezen fouten prijs de kleine papiertjes met den goeden prijs heen te plakken. Want de uitgeverij ging vóór alles bij mijn vader, - en in dit opzicht was hij ook streng voor mij, die immers later bij hem in de zaken zou komen. Wanneer ik mijn vacanties van het gymnasium ging doorbrengen in Zwolle, bij mijn oom, den uitgever, die daar toen ook nog een boekwinkel had, dan verlangde mijn vader dat ik na de eerste week van volkomen vrijheid mijn ochtenduren leerzaam zou doorbrengen op 't kantoortje achter die debietzaak, - waar ik inderdaad heel wat kennis van boeken heb opgedaan. Alleen na mijn eindexamen stond mijn vader mij een paar maanden toe van onbezorgde ontspanning. Maar hierop volgde dan ook mijn leertijd in den boekhandel, die - overeenkomstig de ouderwetsche traditie - tot in alle onderdeelen vooraf voor mij geprojecteerd was, gedurende de vijf jaren, die ik hier te lande en in 't buitenland besteden zou om mij te bekwamen, van 't letterzetten en den prentdruk af, in de techniek en de usancen van den boekhandel en uitgeverij. En alleen in dien tijd heb ik er wel eens aan getwijfeld òf er waarlijk geen mooier en boeiender vak ter wereld zou bestaan, omdat ik toen nog te jong was, en te onervaren, natuurlijk, om de noodzakelijkheid in te zien van de ook wel eens weinig amusante bijkomstigheden. Maar sedert is die twijfel dan ook nooit meer bij mij opgekomen, - want, inderdaad, voor de toegewijden bestáát er geen mooier vak, - wanneer je er tenminste volkomen in opgaat, zooals ook mijn vader deed.