Over Paul Verlaine
Paul Verlaine, het leven van een dichter, door Arthur van Schendel. Meulenhoff, Amsterdam 1927.

UIT zijn leven van Shakespeare was reeds gebleken welk een volmaakte biograaf de heer van Schendel is, voornamelijk van het leven van een kunstenaar, wiens bestaan deels onbekend, deels legendarisch is. Men moet werkelijk een dichter zijn met een uiterst fijn intuïtievermogen om, aan de hand van enkele vage gegevens, uit den tekst zelf van het oeuvre, de figuur te doen herrijzen van een genialen kunstenaar, wiens menschelijk bestaan niet zoozeer van dat van andere menschen uit zijn tijd verschilde. Zulk werk is een schoon spel van den geest en van het gevoel, en sedert enkele jaren zijn dergelijke werken zeer in de mode. Met genoegen mag men vaststellen dat de ‘Shakespeare’ aan alle dergelijke en thans beroemde biografieën is voorafgegaan en dat het met alle mij bekende producties uit de Fransche litteratuur, zonder eenige uitzondering, te zijnen voordeele kan worden vergeleken. Ik meen niet dat dit, in een ander literair genre, van eenig ander Nederlandsch boek kan worden gezegd.

In zijne biografie van Paul Verlaine heeft de heer van Schendel hetzelfde doel beoogd al in zijn Shakespeare. Maar zijne taak was hier oneindig moeilijker. Het leven van Verlaine is thans zeer goed bekend; van de bijzonderheden van dit getourmenteerd bestaan is, sedert de jongste werken van den heer M. Coulon over de dichters Verlaine en Rimbaud en van den heer J.M. Carré over laatstgenoemden poëet, niets meer verborgen. De eenvoudige biografie van Verlaine, dat is: een chronologisch relaas zijner levensomstandigheden, eene zakelijke opsomming van alle bekende feiten, zooals de heer J.M. Carré schreef over Rimbaud, en laatst de heer F. Porché over Baudelaire, heeft de heer van Schendel ons niet gegeven. Het was trouwens ook niet zijne bedoeling. Zijn werk is in de eerste plaats het ontroerend verhaal van de omstandigheden, waarin de dichter Paul Verlaine verkeerde toen hij zijne onsterfelijke gedichten schreef. Daarom is de titel van het boek: ‘Verlaine, het leven van een dichter’. Van het leven eens dichters is het boek van den heer van Schendel waarlijk een zuivere spiegel. Niemand kan als hij, in zijn kristal-helder proza, dat zulke diepe resonnanties heeft, de natuur doen vermoeden van die geheime kracht, die den dichter tot zingen noopt, noch ons zoo duidelijk doen gevoelen in welke delicate atmosfeer een eeuwige zang zijn oorsprong vindt. Men heeft slechts de laatste bladzijden van dit boek te lezen, waarin de auteur het treurige leven van Verlaine overschouwt, om zich te overtuigen hoe diep hij de essentie van die zuivere dichtersziel kan begrijpelijk maken aan hen die nog in de lage landen vertoeven. Aldus beschouwd - en ik herhaal het: dit was de bedoeling van den schrijver - is deze biografie een meesterlijk werk.

Het eenig bezwaar dat ik tegen het boek heb is dan ook geenszins van literairen aard. Het is het volgende: dit boek is niet de biografie van Paul Verlaine, zooals ik mij dien dichter voorstel. Het is wel het leven van een dichter, voor zoover zijn leven in direct verband staat met zijne literaire productie. Maar het literaire standpunt is niet het eenige. Op die wijze bekeken zou het leven van Rimbaud, die op zijn twintigste jaar bleef zwijgen, sedert dien datum onbelangrijk zijn. Ik ben daarentegen overtuigd dat het pas naderhand waarlijk belangrijk werd. Al ware het slechts omdat het een verklaring geeft van de voorafgaande periode. Het komt mij overigens voor dat de heer van Schendel in zijn boek Rimbaud wel een beetje onrecht aandoet. Dit schijnt wel het lot te moeten zijn van alle Verlaine-biografen, te beginnen met Lepelletier3. Van beide dichters was Rimbaud ongetwijfeld de meest intelligente en de meest sterke personaliteit. Was hij ook de grootste dichter? Ik moet constateeren dat zijn invloed nog zeer levendig werkt op de tegenwoordige generatie en dat daarentegen Verlaine als kunstenaar reeds tot het verleden behoort. Dit bewijst op zichzelf niets. Maar elk boek over Verlaine of Rimbaud brengt steeds opnieuw de kwestie Verlaine-Rimbaud naar voren. En steeds worden wij aangespoord om partij te kiezen, omdat het hier ten slotte om een beginsel gaat waar de richting van de tegenwoordige poëzie van afhangt. Maar welke ook de opinie weze, die men over het conflikt - ik bedoel het poëtisch conflikt - tusschen Verlaine en Rimbaud heeft, het essentieele bezwaar tegen deze ‘Verlaine’ ligt niet in de vooringenomenheid van den auteur met den dichter. Hij bemint Verlaine als dichter, en die liefde is vanzelfsprekend voor iedereen die waarlijk de poëzie liefheeft. Of liever hetgeen vanzelfsprekend is, dat is de liefde voor een groot deel van Verlaine's gedichten. Maar, zal men hier in het midden brengen, men kan toch den mensch niet scheiden van den dichter. Inderdaad, en juist daarom was de taak van den heer

[p. 12]

van Schendel zoo moeilijk. In zijne voorrede vestigt hij er de aandacht op ‘hoe wonderbaarlijk de poëzie haar wegen vindt’. Wonderbaarlijk is dit zeker. Maar waarom? Omdat men zou kunnen onderstellen dat de omstandigheden van Verlaine's loopbaan, normaal gesproken, een hinderpaal hadden moeten zijn voor de volledige ontluiking zijner poëzie. Het is een feit dat zijne volmaaktste en meest verhevene gedichten ontstonden in die periode van zijn leven, waarin de dichter, uit den greep zijner buitensporige hartstochten tijdelijk bevrijd, het eenvoudig leven leidde van een zeer gewoon mensch. Dit blijkt trouwens ook uit de biografie van den heer van Schendel. Maar het zijn juist die andere perioden waarover de biograaf onvolledige inlichtingen geeft. Hij verklaarde dan ook vooraf dat hij ‘voor alles het beeld van den dichter onbesmet wilde toonen’. Dit voornemen getuigt van eene groote piëteit en verdient allen eerbied. Maar is dit absolute standpunt wel het goede voor een biograaf?

Verlaine was een groot dichter (althans in een deel zijner bundels); maar, om het rechtuit te zeggen: op het gebied der dronkenschap en der ontucht was hij ook zeer ondernemend. Dit wou de heer van Schendel in zijne biografie niet verzwijgen, en hij zegt het in zeer kiesche, bedekte termen. Ik zou daarop hier niet wijzen indien er niet een tijd geweest was, dat sommigen zich over dit samengaan van dichterlijke gaven en menschelijke zwakheid verheugden. Dit doet gelukkig de heer van Schendel niet. Maar waar hij spreekt over de al te zeer bekende omstandigheden die hij ‘de bitterheden’ noemt ontbreekt naar mijne meening toch iets aan het boek. Ik houd niet van moraliseeren. Maar evenmin van verwarring. Een twintig jaar geleden prees men Verlaine vooral als een dichter, die altijd de bevelen van zijn instinct en van zijn hartstocht volgde, overtuigd als men was, dat er geen zuiverder dichtkunst bestond dan die, waarin het temperament van den dichter als mensch zich met al zijne moreele gebreken bandeloos uitsprak. Dit standpunt is niet onaanvechtbaar. (Maar nu betreed ik het terrein van de Poésie pure dat, zooals iedereen weet, eigendom is van abbé Brémond. En de Goden verhoeden mij den priester-didacticus op dit terrein te volgen).

De voorstelling die de heer van Schendel zich van Verlaine maakt, als dichter en als mensch, is de typische voorstelling van zijne generatie, die over het leven en de poëzie geheel anders oordeelt dan de generatie die op haar volgde. Dit is trouwens een algemeen verschijnsel. En het is grootendeels kwestie van mode. Een deel van Verlaine's werk lijkt thans verouderd, en wel juist datgene wat men een kwart eeuw geleden het mooiste, het nieuwste vond. Dat is niet het geval met Rimbaud, en evenmin met Baudelaire, wiens werk alweer zooveel ouder is. Zien wij ook niet dat er eene reactie is tegen de halve miskenning van Moréas? Het boek van den heer van Schendel geeft aanleiding tot vele en heilzame bedenkingen...

Laat ik, om te sluiten, niet vergeten te zeggen, dat de auteur in het eerste hoofdstuk een literair-historisch overzicht geeft van het tweede Keizerrijk, waarin de geestelijke anarchie van dit tijdperk meesterlijk in het licht wordt gesteld.

J. VAN NIJLEN

3Het boek van Lepelletier werd besproken in D.G.W. 7e jrg. blz. 17-20, alwaar men ook een viertal portretten van den dichter vindt opgenomen. (Red. D.G.W.)