[p. 25]

Al pratende met...
J.W.F. Werumeus Buning



illustratie

TOEN ik Buning te Amsterdam ging opzoeken had juist Emmy van Lokhorst in de Groene Amsterdammer over hem geschreven. Ze somde op, wat Buning zoo allemaal kende. Het was werkelijk verbazingwekkend. Maar de grootste indruk had de volgende passage op mij gemaakt:

‘Kunt gij, alleengelaten in een keuken met zestien pannen, groente, melk en eieren, Russische soep maken?..

Dat kan Buning. Hij blijft geruimen tijd onzichtbaar, en als hij verschijnt, doet de Bortsch met hem zijn intrede. Wat in de keuken met zestien pannen is gebeurd, zal tot op den oordeelsdag mysterie blijven, maar niemand heeft tijd om erover na te denken, want de Russische soep overstelpt ieders aandacht. Hebt gij wel eens Turksche koffie gezien? Geroken? Geproefd?! Neen, neen, niet eenvoudig maar zwarte koffie of koffie die in een koffiepot is gezet; maar echte Turksche koffie die het kopje tot op een derde vult met drab, maar die gedurende twee derde kopje alle aardsche verrukkingen op uw gelaat doet weerspiegelen. Kunt gij zulke koffie, Turksche koffie maken? Kunt gij Chaslik bereiden? Hebt ge van uw leven Italiaansche risotto gemaakt? Dat kan Buning, dat kan Buning! Buning is een toovenaar.

Beter dan de beste barman weet hij een onnoemelijk aantal fantastische cocktails te bereiden, waarvan het recept zijn persoonlijk geheim blijft. En het kookboek dat Conrad's weduwe de wereld schonk werd in zijn bekwame hand een gevaarlijk wapen voor de club der Cent Kilos.

Hij heeft eenige vrienden die ook culinair ontwikkeld zijn en skilled labourer op dit gebied. Niets is leerzamer voor hunne echtgenooten en onderscheiden vriendinnen dan een gedachtenwisseling mee te maken tusschen Buning en zijn vrienden over het stoven van konijn in rooden wijn en het aan het braadspit roosteren van kalfsniertjes.’

Waarom dit deel van Emmy van Lokhorsts artikel zoo'n grooten indruk op me had gemaakt? Omdat mijn kennis van de kookkunst zich bepaald had tot het maken van stamppot, het bakken van spiegeleieren en het koken van rijst, en mijn smaak uitging naar fijnere gerechten. En die fijnere gerechten zou ik nu proeven, want Buning had me ten eten gevraagd, welke invitatie ik graag heb aangenomen. Voor dwepende juffertjes moet het een teleurstelling zijn te lezen, dat een dichter... koken kan. Maar voor mij, die de dichters, door mijn gesprekken, heb leeren kennen met al hun eigenaardigheden, was de kennismaking met Buning een prettige verrassing, want ik leerde een mensch kennen en niet een wezen, dat alleen over poëzie praten kan.

Ik leerde niet alleen Buning kennen, maar ook zijn vrouw en zijn zoon. Om de beurt kwamen, voor we aan tafel gingen, Buning en zijn vrouw bij me zitten praten, want één moest op het eten letten. Maar toen Buning te lang met mij in gesprek bleef in zijn gezellig interieur kwam zijn zoontje van een jaar of vijf binnen en zei:

‘Jobs, ik zou maar even in de keuken komen kijken, want anders mislukt het.’

En mevrouw Buning kwam ook binnen om te verklaren, dat ze niet wist wat ze met de paddestoelen moest doen.

Toen gaf Buning college. Ik heb het goed onthouden, maar aangezien we op dat oogenblik nog niet aan ons interview bezig waren, schrijf ik het recept hier niet op, want ik weet veel te goed, dat sommige menschen heel, heel geheimzinnig zijn met hun recepten, ja zelfs valsche recepten geven. Het eind was, dat Buning toch zelf naar de paddestoelen met gefruite uitjes moest kijken.

Ik kan u verzekeren, dat het goed eten was, maar wat meer zegt: het was een buitengewoon gezellige maaltijd. En toen alles genoten was trok ik naar de werkkamer van den dichter. Een smal kabinetje; aan beide muren boeken, bij het raam een schrijftafel. Een kast vol boeken over tooneel, een andere over danskunst, een derde met litteratuur. Buning zat voor den lessenaar, een groote man met een

[p. 26]

vroolijk gezicht. Toen ik hem daar zoo zitten zag dacht ik aan zijn verzen, die ik zoo lief heb om den toon, die er uit klinkt. Elk goed gedicht heeft zijn eigen toon, iets dat echt is, waaraan men het herkennen kan. Buning heeft dien toon in zijn verzen. Lees b.v. dit sonnet uit In Memoriam:

 
Zoo teedere schade als de bloemen vreezen
 
Van zachten regen in de maand van Mei,
 
Zoo koel en teeder heeft uw sterven mij
 
Schade gedaan, die nimmer zal genezen.
 
 
 
Eens, toen wij na den nacht te saam verrezen
 
Lagen de rozen vochtig en gebroken, ik en gij
 
Wisten dien langen nacht den regen; ik noch gij
 
Konden van teerheid immermeer genezen.
 
 
 
Gij hebt de witte en roode rozebladen
 
Gebeurd in uwe smalle hand, - zij vielen
 
Vochtig en sidderend weer in 't diepe gras.
 
 
 
Hoe zal dan 't hart van even teedere schade
 
Genezen, nu om u de rozen vielen,
 
Nu uwe handen stil zijn, diep in 't gras.

Wat was natuurlijker, dan dat ik aan Buning begon vragen te stellen over zijn eersten bundel In Memoriam. Hij verwees me naar de studie van P.N. van Eyck in De Gids van Mei 1925. ‘Van Eyck heeft het, al schrijft hij moeizaam en zwaar, volkomen zuiver aangevoeld’. Buning haalde het tijdschrift te voorschijn en daarin las ik o.a.: ‘Bunings “In Memoriam”, verzen van herinnering aan den dood van een geliefde, in één gedicht, van genezing’. Het karakter van het gedicht als geheel, en dat van de gedichten afzonderlijk, blijkt de trouwe weerspiegeling van het karakter en het gebeuren der innerlijke genezing. Dat deze, door het heengaan der droefenis, begonnen is, zingt het inleidend gedicht. Wat de droefenis deed heengaan, hoe de genezing geschiedde lezen wij in de eerste afdeeling. De tweede brengt de dichterlijke samenvatting van het door de genezing gewonnen levensbesef. In de beide slotgedichten wordt de geliefde dan, op tweeërlei wijs, en zonder droefenis, nu nog een laatste maal voor ons opgeroepen.

‘In de hel, als zondaars, plaatst Dante hen die daar van zich zelf getuigen:

 
Tristi fummo
 
Nell'aer dolce che dal sol s'allegra,
 
Portando dentro accidioso fummo.

Een verwant besef doet Buning in zijn inleidend gedicht de als in een intieme verhouding gretige overgave aan persoonlijke droefenis een “duister, roekeloos beminnen” noemen’.

‘Ik heb indertijd wezenlijk aan dat oordeel bij Dante gedacht, bekende Buning, en ook deze gedichten in drie, niet zooals de bundel aangaf in twee, stukken geschreven. In Juli 1916 was het eerste stuk klaar. Het tweede deel heb ik in den Haag geschreven, toen ik in de opleiding was voor onderofficier. Dat was in den winter van 1916 op 1917. Ik had toen een paar schaatsen die naar verkiezing kapot gingen en kon daardoor nogal eens uitknijpen. Het derde stuk heb ik vrijwel op één Zondag in dat voorjaar thuis geschreven. Als ik schrijf, schrijf ik meestal aan één stuk door. Dat deed ik toen, dat doe ik nu nog. Daarna werk ik er natuurlijk nog aan. Op dat middenstuk heb ik veel meer gewerkt, in den Haag, dan op de andere deelen. Ik had meer tijd’.



illustratie
J.W.F. Werumeus Buning8
(Portret uit ‘Erts’. Uitg. v. Looy)


‘Men heeft den invloed van Leopold op u sterk naar voren gebracht’.

‘Ja, dat is zoo, maar toen ik de eerste verzen schreef kende ik Leopold niet. In December leerde ik hem kennen. De invloeden, die ik zelf in dien tijd voelde, waren het monotone van Péguy, en de Italiaansche dichters voor Dante, door Rossetti vertaald.

Ik had vroeger eerste verzen laten lezen aan Janie Holst, die me toen zei: schei er maar mee uit. Toen heb ik hem de eerste verzen van In Memoriam laten lezen. Ik heb me volkomen vergist, zei hij, en hij heeft me ook verder veel goeden

[p. 27]

raad gegeven en er ook voor gezorgd, dat ze in De Gids kwamen’.

‘Waarvoor bent u eigenlijk opgeleid?’

‘Ik heb eerst jaren in Amsterdam gestudeerd voor notaris. Maar dat was me te droog. Toen al voelde ik me erg aangetrokken tot het tooneel en ik heb onder Roelvink gewerkt aan de decorafdeeling op het Leidsche plein. Als een meesterwerk van toen beschouw ik een groote Russische kachel, die ik later als tooneelrecensent nog heb teruggezien...

Dat vak leverde niets op. In December 1915 ben ik toen aan de Telegraaf gekomen onder Thijs Vermeulen. In De Gids verscheen toen mijn eerste vers “Atlas”.

Mijn werkzaamheid aan de Telegraaf werd onderbroken door de mobilisatie, en tot 1919 was ik in dienst. In Brabant kreeg ik toen opeens bezoek van Pom Nijhoff, die luitenant was. Dat was een grappige kennismaking. Na de mobilisatie ben ik weer bij de Telegraaf teruggekomen.

De drie langere verzen uit Enkele Gedichten heb ik in drie dagen achter elkaar geschreven. Ik had toen in een heelen tijd niet gedicht, ten minste geen groote verzen’.

‘Hoe kwam u er toe uw verzen in zoo'n beperkte oplage uit te geven in de Palladiumserie?’

‘Jan Greshoff als agressief bibliomaan had net zoo lang aan mijn hoofd gezeurd tot het gebeurde. En Jacques Bloem wou natuurlijk graag, dat er weer een “plaquette introuvable” ter wereld kwam’.

‘Zijn de “Enkele Gedichten” even gunstig ontvangen als uw eerste bundel?’

‘Neen, men vond die gedichten te Vondeliaansch... en te oppervlakkig. Er is inderdaad een invloed van Vondel. “Adam en de dieren” is op een grappige wijze ontstaan. In “Leven en Werken” was een gobelin afgebeeld van Adam - Den Gulden Winckel heeft ze later eens gepubliceerd - en mej. Knappert had er bij geschreven, dat wij een dergelijk primitief geheel toch niet meer kunnen waardeeren. Daar heb ik me dekselsch kwaad over gemaakt, dat die juffrouw zoo iets dorst te schrijven. Ik zat op het Leesmuseum en ben dadelijk aan dat gedicht begonnen, en toen ik thuis kwam heb ik het afgemaakt.

Dat was bewuste reactie. En van dat oogenblik af ben ik weer aan het schrijven gegaan’.

‘We mogen mej. Knappert dus wel héél dankbaar zijn.’

Een lachje en onverstoord ging Buning verder:

‘Sinds dien tijd ben ik geleidelijk doorgegaan.’

‘En nu is “Dood en Leven” verschenen Het viel me op, dat van de Zes sonnetten, die daarin voorkomen, de eerste en zesde 15 regels tellen.’

‘Dat zag ik ook, toen ik ze geschreven had. Ik voor mij vond, dat het niet stoorde, en waarom zou ik er dan aan gaan vijlen en hameren? Ik had dien 15en regel blijkbaar noodig. “In memoriam Patris” heb ik geschreven vlak na “Enkele gedichten”. De verzen van “Dood en Leven” zitten nog vast aan “In Memoriam”, maar ze vormen een geleidelijken overgang. Dat heb ik onbewust gedaan, en pas later opgemerkt, zooals dat gegaan is, toen van Eyck schreef, dat ik “In Memoriam” in drieën had verdeeld. Ik dacht toen ook: ja, hij heeft gelijk.’



illustratie
Ver van de litteratuur
Buning smaakt strandgenoegens
Camperduin zomer 1925


‘Wat denkt u over de jonge dichters?’

‘De jongeren werken misschien te veel volgens een vooropgezet programma, en dan voel ik wel eens een gemis aan zelfvertrouwen bij hen. Ze hebben een grooten angst om een beroerd vers te schrijven.’

‘Van wie verwacht u iets?’

‘Van Marsman en Slauerhoff vooral, en ook van Anthonie Donker, den Doolaard en Jan Engelman.’

‘En van de ouderen?’

‘M'n vrienden zijn Nijhoff, Roland Holst en Bloem; die staan me ook het naast in hun werk. En vergeet u vooral niet te schrijven, dat ik Jacqueline v.d. Waals mooi vind. Zij is veel te weinig gewaardeerd en volkomen over het hoofd gezien.’

‘En het proza?’

‘Als proza groot gebouwd is en boven het prozaïsche uitkomt dan hou ik er van; maar het Hollandsch genre-stukje... Ik hou veel van Jac. van Looy bijvoorbeeld, omdat het zoo goed en groot Hollandsch is. Dat is iets, die Hollandsche traditie,

[p. 28]

die ik zoowel in eigen werk als in dat van anderen te vaak mis. En die traditie voel ik wel degelijk.’

‘Wat verstaat u onder Hollandsche traditie?’

‘Ja, dat is nou bliksems lastig in eens te zeggen. Poëzie is zeer verwant met religie. Ik heb het altijd zoo vreemd gevonden, dat men in Nederland alleen denkt aan religieuze poëzie als het over religieuze onderwerpen gaat. Dat is heelemaal niet noodig. Het zit voor een deel in den toon. Ik zou haast willen beweren: de innigheid van toon. Als die toon in Holland beroerd is wordt ze knus. Dat moet het natuurlijk niet zijn. Dien juisten toon hoor ik evenwel in de gedichten van de Middeleeuwers, van Marnix, en dan Revius en Stalpaert en anderen, Vondel, Poot, Breeroo, die onze jongeren te weinig kennen. Daar zit dan overal die zekere toon in van het beste Hollandsche vers. Jammer, dat dat tegenwoordig vaak ontbreekt. Men is bang om zulke invloeden te ondergaan, om een meester te hebben. Ik voor mij heb er geen bezwaar tegen. Als men kracht en talent heeft krijgt men toch een eigen toon te pakken.

De groote traditie is er; revolutionaire stormen zijn noodig, maar desondanks zal die groote traditie zich voortzetten in de echte kunst. Dat kon men zoo prachtig zien op de Fransche schilderkunsttentoonstelling te Amsterdam.

De lyriek is de gemakkelijkste poëzie, daarom zijn er zooveel lyrische dichters. Maar de lyriek staat hoog in ons land. Ik heb met Nijhoff de overtuiging, dat de Hollandsche poëzie van '80 af en vooral die van '90 (Henriëtte Roland Holst, Leopold en Boutens) ten minste even hoog, zoo niet hooger staat dan de buitenlandsche.’

‘Zit u te dicht bij De Vrije Bladen om er iets over te zeggen?’

‘Welneen, waarom? De jongeren van die groep zijn hier onder den invloed geweest van de moderne Duitschers. Dat heeft ons valuta-poëzie gebracht, en toen stond de franc laag, zoodat de jonge Franschen aan bod kwamen. Maar dat is niets. Cocteau is al van zijn ultra's teruggekomen en schreef alweer Raciniaansche strophen. Wij raken er ook al uit. Dat kunt u in De Vrije Bladen zien, de groote pierebak van de Nederlandsche dichters om te leeren zwemmen! Daar zijn zeer goede verzen in gepubliceerd. Paradise Lost van Marsman b.v. is zeer mooi’.

‘U zit zoo midden in de prijsvragen en hebt onlangs zelfs den Thieme prijs gekregen, hoe denkt u over prijzen voor schrijvers?’

‘Ik acht ze, in tegenstelling met veler meening, zéér nuttig. Vooral in Nederland, waar een meer officieele erkenning nu eenmaal groote beteekenis heeft. Misstanden, die een prijssysteem negatief doen werken, kent men in ons land niet. Wij zouden er overigens nog best eenige prijzen bij kunnen gebruiken, bijvoorbeeld een voor meer beschrijvende poëzie, een voor korte novellen, twee zwakke punten’.

In verband met deze meening lijkt het me aardig om hier een klein deel aan te halen uit de uitspraak der jury, waarbij aan Buning de D.A. Thieme-prijs werd toegekend. Daarin lees ik: ‘Het verheugde haar, dat hij als dichter van nauwelijks dertig jaar reeds verzen had gepubliceerd, waarvan men voorbeelden te over zal aantreffen in zijn bundels In Memoriam, Enkele Gedichten en Dood en Leven, waarin de moderniteit van gevoels-expressie tot teedere innigheid van oprecht gemoedsleven werd verzacht en in schoone poëzie zich bezonken en verstaanbaar uitsprak. Het verheugde haar dat zijn uiterst taalgevoelige stem geschoold en verfijnd bleek te zijn door de studie van zulke vaderlandsche dichters als Vondel en enkele andere gestalten, op wie te steunen den nakomeling tot eer strekt, en wier Nederlandsche traditie in de poëzie, waarvan men gelukkig weer met meer zekerheid mag gaan gewagen, door Werumeus Buning werd hooggehouden en voortgezet’.

‘Na de litteratuur, het tooneel’, zei ik.

Buning was wat onwillig, speelde met een potlood en antwoordde:

‘Tooneel, tooneel, ja dat is een te groot gebied om er in drie woorden veel over te zeggen. Ik geloof, dat we in een tusschenperiode zijn. Iedereen kent het zwak: er zijn goede acteurs genoeg, er is talent genoeg, maar de ware menschen zitten niet bij elkaar; overal een paar menschen’.

‘Hoe komen we er uit?’

‘Natuurlijk komen we er uit. Het wordt beslist beter; zoo kan het niet blijven. We moeten b.v. een repertoire krijgen, dat beter bij den Nederlandschen geest past. Het is nu te kakelbont, te internationaal. Een speler moet vier verschillende stijlen in vier verschillende avonden spelen, alles bij ontstentenis van Nederlandsche tooneelschrijvers’. ‘Zegt u dat niet tegen de leden van den Bond van Nederlandsche Tooneelschrijvers!’

‘O, die hebben theoretisch gelijk, maar practisch leveren ze niet op. Alsof elke directeur niet dolgraag elk dragelijk Hollandsch stuk zou spelen? Laten we verder gaan. Het publiek heeft in het algemeen diepere belangstelling voor tooneel verloren. In een volksschouwburgje als de Plantageschouwburg of Flora is bij het meestal lagere genre een veel hechter verband tusschen het tooneel en de zaal als vaak bij artistieke voorstellingen, alle goede pogingen ten spijt.

Bij de Vlamingen is de toestand anders. Johan de Meester zit daar b.v. in een ideale positie. Hij heeft een volk, dat van tooneel houdt, hij heeft een kring van schrijvers, die om hem heen ontstaan is en spelers die een modern repertoire kunnen spelen naar hun

[p. 29]

eigen hart. Dat is iets anders dan hier. Of zoo'n tooneel in 't begin goed of slecht is doet er niet zooveel toe. Als men onder die omstandigheden kan blijven werken groeit het wel’.

‘En de dans?’

‘Ik geloof, dat de danskunst, die van Isadora Duncan afkomt, en de volgelingen van de Wigman en Labanschool, in een zeer kritieke periode staat, en dat we daartegenover zien, dat de beste elementen van het ballet en de groote nationale dans als die van Jodjana en La Argentina toch eigenlijk het ware zijn, omdat ze alweer de traditie achter zich hebben’. Buning verwees me naar zijn laatste werk ‘Dansers en danseressen’, waarin hij in Samenvatting en Overzicht o.a. schreef:

‘De plaats van den dans in de groote beschavingen van de oude wereld wordt eerst langzamerhand, nu men zulk een plaats voor de oudste menschelijke kunst weder wil verkrijgen, in vollen omvang beseft; men heeft op dien weg nog niet meer gezet dan de allereerste schreden. Maar het schijnt zeker dat, sedert het verval van de klassieke Europeesche wereld, nimmer met zooveel ernst en in zoo breede kringen naar een herstel gezocht werd als thans. Alle mogelijke zwakheden en uitwassen verliezen daarbij hun niet meer tijdelijke beteekenis; men mag niet verwachten dat een wereld, die het lichaam en zijn kunst zoozeer verwaarloosde en minachtte, zonder talrijke troebelen en vergissingen weer in het rechte spoor kan raken’.

‘Op de valreep nog één vraag: Heeft uw maatschappelijk werk invloed op uw artistieke werkzaamheid?’

‘Wat maatschappelijk werk en artistieke bezigheid betreft, daarin zal de een evenwicht kunnen vinden, de ander niet. Ik voor mij heb nooit kunnen inzien, waarom men, als van ouds, niet een roeping en een beroep zou kunnen vereenigen, tenminste in de litteratuur’.

Buning bracht me even naar de tram, en naar huis gaande kon ik er over nadenken, dat een dichter niet altijd in een ivoren toren woont, maar ook wel midden in het harde leven staat.

G.H. PANNEKOEK Jr.

8Een recenter portret van den dichter vinden de lezers op het omslag van November 1926.