Pauwels' Boeven en burgers

DIT boek van den dichter François Pauwels bevat een reeks schetsen waarvan de onderwerpen aan de praktijk van den advokaat Pauwels zijn ontleend en waarin de schrijver het verderfelijke systeem van de celstraf in beeld brengt.

Verderfelijk? Niet voor iedereen. Niet voor sterke naturen zooals Jan Kolkmeyer (lees Jan Bolkestein) er één is, en in de eerste schets: ‘Het Debuut’ wordt geteekend als ‘de lef-gooser’, de branie, de Koning van den Dijk. Van Jan verwachtte men ‘daden’ en door ‘de lef-kraak’ bij Vergoor (lees Begeer) kwam hij dan ook met het gevang in aanraking. Maar Jan tuchtte goed, hij kon tegen de cel, - schrijft Pauwels, - en trotsch-verbitterd verzekert hij zijn verdediger:

‘De kast heeft mij niet klein gekregen, maar ik de kast. En al sluiten ze me zeven jaar op, dan zal ik ze uitzitten met 'n lach, op den rand van m'n krib!’...

Of iets verder:

‘De lik conserveert .... als je d'r niet gek wordt, wor je d'r vet.... en dat is bij mij 't geval....’ Bovendien heeft Jan in de gevangenis zijn vrijen tijd besteed om talen te leeren; hij spreekt de moderne vlot en schrijft ze onberispelijk, zoodat hij zelfs met Nieuwjaar aan zijn verdediger een in keurig Fransch gesteld schrijven zendt waarbij de moeder van Jan, in opdracht van haar zoon, een pakje doet, inhoudende .... een flesch eau-de-cologne en... een baars!

Men ziet, dat ‘de lik’ nog niet iedereen te-gronde richt en op een figuur als de door Pauwels geschetste geen nadeeligen invloed uitoefent. Integendeel. Jan regenereert er. Hij pleegt de diefstallen niet uit geldnood, - zijn moeder zit er warmpjes in en heeft zelfs een villa buiten - maar meer uit sportieven lust. Begeerte naar persoonlijke verrijking bestaat bij hem ook niet. De houding van Jan tegenover zijn verdediger in het advokatenkamertje is er een van levens- en menschenkennis. De taal die hij spreekt klinkt beschaafd. En het moet dan ook voor den jurist Pauwels, die in zijn kwaliteit van advokaat bezwaarlijk een zwerversbestaan kan leiden, verpletterend geweest zijn uit den mond van zijn cliënt te vernemen, dat hij in de eerste plaats niet aan de duiten moest denken. - Wat hadt U gedacht te honoreeren? - (vraag van P.)

Antw. K. - ‘U begrijpt, ik verlang uw moeite niet voor niets. M'n moeder, die op de zitting zeker vrij komt, zal dat wel met U regelen... Voorloopig moet ge U echter tevreden stellen met de reclame, die aan de zaak vastzit. Weet U, wat een koopman moet betalen om z'n naam in alle dagbladen gedrukt te krijgen? Duizenden. En dan lukt het hem niet zooals 't U lukken zal. Wanneer U me vrij krijgt, zal het heele land daarover schreeuwen. En krijgt U me niet vrij, dan zullen er genoeg zijn, die meenen, dat ge in hun zaak meer succes zult hebben. 't Moet al heel raar loopen als U door mij geen praktijk, geen groote praktijk krijgt... Dat zal aan U-zelf liggen... De kans geef ik U... ieder krijgt een kans in het leven... Weet U deze te gebruiken... dan is uw naam gevestigd... Laat daarom de duiten-kwestie voorloopig rusten!’

[p. 30]

Men ziet, dat die ‘Kolkmeyer’ nog zoo achterlijk niet is!

Hij vindt het beter zich te laten verdedigen door een ‘groentje.’

In heel zijn houding tegenover den verdediger spreekt superioriteit, is hij de meerdere van den advokaat, die nog alles te leeren heeft. Ook van den z.g. ‘boef’.



illustratie
Mr. François Pauwels

Tot een onsterfelijk kunstwerk is dit boek niet gegroeid. Het is iets anders dan dat. Het zal wakker schudden, strijd opwekken. Elk weldenkend mensch, die tegen een verouderde rechtspraak en eenzame opsluiting is, zal na lezing dezer schetsen versterkt worden in het oordeel, dat de celstraf voor de misdadigers, uitgezonderd heroïsche en in hun soort geniale naturen als Jan Kolkmeyer, in dezen tijd van ‘Nieuwe Gedachte’, - ‘Dageraad,’ - enz. vernietigend werkt.

‘Ieder mensch, ook de zwaarste misdadiger, heeft recht op een menschwaardige behandeling,’ - schrijft Pauwels in zijn woord ‘vooraf’. En wij verwachten, dat iemand, die zoo schrijft, ook in het dagelijksch leven zal strijden tegen het kwaad; met de daad zal toonen, dat het woord hem ernst is. Wij verwachten van Pauwels actie, strijd, zoowel met de pen als met inzet zijner geheele persoonlijkheid om den inhoud van zijn boek waarheid te verleenen, waaruit blijkt, dat de zaak hem heilige ernst is en de celstraf geen middel werd om er een serie min of meer ‘artistieke’ schetsen uit op te bouwen.

Een literaire mooischrijver wil de heer Pauwels niet zijn. En is hij dan ook niet. Dat hij als plastisch kunstenaar te kort schoot, blijkt uit zijn eigen mededeeling in het voorwoord.

‘Ik gevoel, dat ik ben te kort geschoten. Men moet over een machtiger pen dan de mijne beschikken om de cellulaire opsluiting in al haar wreede en domme ploertigheid te benaderen’.

Zoo is het. Machtig is Pauwels' pen nog niet. Wel scherp, geestig, gevoelig, hoonend, humoristisch, hekelend. En meermalen blijkt, dat hij de mate van zijn gaven onderschat. In ‘De dwaze Rechter’, een sterke schets, raakt zijn psychologisch vermogen om het leed uit te beelden van een rechter, die, als gevolg van een weddenschap, een week-lang celstraf zal moeten ondergaan, aan het machtige. Wie het vermogen bezit zóó in de ziel van een mensch te kunnen dringen, zóó de ellende te laten gevoelen welke de eenzame opsluiting bij een rechter als ‘de Bup’ veroorzaakt, beschikt over een in de toekomst ‘machtige’ pen. Vroeger was ‘de Bup’ altijd het eerst met zijn oordeel klaar: ‘'n zeldzame schooier... zoo'n vent moest opgeknoopt worden... is de kast veel te goed voor!’ Later, na 'n week van vrijwillige opsluiting, is de Bup gelouterd. De zenuw crisis welke dan volgt brengt hem tot de ware en milde menschelijkheid. De man wordt een held, die zich tegen alles en allen verzet. Geen advokaat kon pleiten als hij. Vooral wanneer het ging om iemand buiten de gevangenis te houden. Tenslotte wordt hij ‘weggewerkt’ en gaat aan 't farmen in Canada Dat was altijd een ideaal van hem geweest. Hij sprak dan met breed gebaar: ‘Ik heb ruimte noodig!’

De schets is kunstmatig van samenstelling, uit de verbeelding opgebouwd en geschreven, maar in de uitwerking doorlééfd. Evenals Multatuli, Heyermans, e.a. kunstenaar waren, maar geen kunstenaar wilden zijn, omdat uit hun verontwaardiging over sociale misstanden de met warmte geschreven stukken tevoorschijn kwamen, zoo is ook Pauwels de man, die als prozaïst belangrijker werk levert dan de vervaardigers van novelletjes, romannetjes, versjes, gelijk de boekenmarkt ze bij hoopjes ten toon stelt. Hij beschrijft zijn sujetten met gevoelig mede-leven, hetgeen den ras-artiest eigen is. Hij verloochent ook het theaterbloed niet, dat van vader en moeder in zijn aderen stroomt. Meermalen is in dit werk een theatrale mise-en-scène aanwezig welke aan die van het tooneelstuk denken doet. Zelfs de indicaties van gemoedsbewegingen zijn dan niet vergeten. Pauwels' stijl is vermengd met eigenschappen uit de oude en de nieuwe school. En nu komt er een schijn-schoon maskertje om den hoek gluren, nl. dat Pauwels geen mooischrijver wil zijn maar toch hier en daar woord-fraaie taal lanceert, die aan de schrijfwijze der ouderwetsche poëeten denken doet. B.v. ‘Bandoer kwam door het poortje en de zon vlijde haar troostende hand op zijn donker voorhoofd’.

Hoe doet de zon dat? Beeldspraak uit de zoetromantische periode welke door de Tachtigers als rhetoriek, - en terecht! - voldoende is gelaakt. Of: ‘Men zou de opmerkingsgave mijner waarde stadgenooten te kort doen, indien men aannam’,

[p. 31]



illustratie
Verkleinde reproductie van het door HESKES ontworpen reclamebiljet

enz. Kletsstijl uit den tijd toen er nog gezapig gepraat werd in de literatuur.

Of: ‘Het provinciestadje werd in de plotseling opengebloeide lente tot een teeder en liefelijk kleinood...’ Terwijl iets verder de meidoorn z'n rose en witte bolletjes toont en de koesterende zon deze kleuren door-één-weefde.

Met die ‘troostende hand’ en dat ‘liefelijk kleinood’ zijn we weer in de literaire theetuinen van ten Kate en Beets aangeland, vlak bij de teedere taal van de bloemzoete poëeten, die in de Grassprietjes van Van Eeden voldoende werden geparodieerd, op de wijs van:

 
De schoonste bloemen, plukkend, mengelend,
 
Met bonten zwier ze strikkend, strengelend.
 
Wie zoü u kunnen haten,
 
O, J.J.L. ten Kate!?
 
Dicht op, dicht op, ten Kate,
 
Je kunt het toch niet laten!
 
Dicht met zang en snarenspel,
 
Dicht ten Kate, J.J.L.

Ik citeer uit het hoofd en de volgorde dezer spotregelen kan ook anders zijn. Deze kritiek is noodig, omdat de heer Pauwels beter schrijven kan en het dan ook doet. Van een bakvisch met strikjes en lintjes, die uit een groentenwinkel afkomstig is, wordt verteld:

‘Ze had den blos van een wortel en de veelkleurigheid van een mand gesorteerd fruit.’

Dat is frisch gezien en origineel geteekend.

Naast deze détail-kritiek moet onmiddellijk worden erkend, dat er een menschelijke stem door dit werk trilt, dat Pauwels' boek een sociaal boek is en iets zal bijdragen tot de verbetering van het lot van de rampzaligen, die in de eenzaamheid treuren. Figuren gelijk Pauwels ze schetst in ‘De Machtige’ zullen met het Predikbeurtenblad in de hand uitsterven. Dom en satanisch machtsvertoon houdt nooit lang stand. En gevoellooze doktoren zooals er één in ‘De Heler’ wordt geschetst, zullen na lezing van dit geschrift iets van binnen hebben te herzien. Daarom is dit boek van veel meer belang dan de talrijke amusementsverhaaltjes, welke ons dagelijks aangenaam paaien en ‘knus’ bezig houden. Vooral in dialogen typeert Pauwels uitmuntend. Dan gevoelen we, dat de ondergrond van zijn wezen een melancholische is; dat achter het satirische masker, achter spot en grijns, - de gevoelige ziel van den kunstenaar leeft.

Lach-wekkend is De Parel.

Dit is het verhaal van een zaakwaarnemer en particulier detective, die bij den advokaat P. op bezoek komt, zijn levensloop vertelt, gevangenisstraf zal moeten ondergaan doch vrijgesproken wordt. Later komt Nehemia Barro met een geschenk aanzetten als bewijs van dankbaarheid voor de verkregen vrijspraak. Maar de parels blijken valsch te zijn.

De bewerking van het slot is levendig en geestig. Van zulke stukjes bestaan er te weinig in onze Letterkunde, die over het algemeen heel braaf en zeer degelijk maar grenzenloos vervelend is.

In Elizabeth Bas heeft de schrijver met soberheid van taal een gezin geschetst waarvan de vrouw van haar man scheiden wil, omdat hij volgens haar een dronkaard is. Na dertig jaar getrouwd te zijn eischt de vrouw 'n scheiding, omdat haar eene dochter verloofd is met een grossier in zuidvruchten en de ander met den assistent van een professor zal trouwen. Het gezin wil hooger-op. De man moet er uit.

In deze schets wordt fijn en raak een stuk tragisch leven gebeeld. Ook zij bewijst, dat de Nederlandsche schrijver voor 'n Tschechow, 'n Guy de Maupassant, niet behoeft te wijken.

Boeven en Burgers verdient veel en algemeen gelezen te worden. Het is in ieder geval belangrijker werk dan dat van de meeste boekenmakers en strooperige roman-fabrikanten.

Menigeen zal er in dezen tijd van strijd en actie kracht uit putten om met volharding te vechten tegen een vermolmde wetgeving, tegen een verouderd

[p. 32]

strafstelsel, tegen kanarievogeltjes en bloemetjes in de cel, die het daar evenals hun medegevangenen niet lang uithouden.

 

FRANS HULLEMAN