Kroniek der poezie
Nijhoff's verbeterde ‘Wandelaar’12
BIJ alle waardeering voor Nijhoff's meesterschap kan ik moeilijk ontkennen, dat de zorgvuldige herlezing van ‘De Wandelaar’ in zijn verjongden staat voor mij een min of meer groote teleurstelling geworden is.
Het is niet onmogelijk, dat ‘De Wandelaar’ door zijn bijzondere beteekenis voor de ontwikkeling van het jongste geslacht een tijdelijke functie heeft vervuld, welke zijn innerlijke waarde overtrof. Nijhoff's bundeltje was, om zoo te zeggen, het achterlicht van den trein, dien wij vóór ons zagen vertrekken, en wij zijn begonnen in den waan, dat wij dien trein gemist hadden. Tegenover ‘De Wandelaar’ stonden wij iets te gunstig vooringenomen, want het was ons aanknoopingspunt, een lot dat het misschien met Herman v.d. Bergh's ‘De Boog’ heeft moeten deelen. Ik aarzel niet te constateeren, dat ‘De Wandelaar’ in poëtische waarde door enkele jongere rivalen opzij gestreefd is, die echter op hun beurt weer ruimschoots overtroffen werden door den tweeden bundel: ‘Vormen’, waarin Nijhoff tenvolle zijn meesterschap bewezen heeft. ‘De Wandelaar’ was de aanloop, ‘Vormen’ de sprong. Juist echter om de fundamenteele eenvormigheid van beide bundels - Marsman heeft hierop reeds terecht gewezen - dreigt er een veel hachelijker isolement te ontstaan: het phenomeen-Nijhoff als zoodanig.
Of er nu werkelijk een zekere geleidelijke ontwikkeling in de poëtische levensbeschouwing van elkaar opvolgende geslachten schuilt, of dat het individueele karakter spontaan opkomt (en enkele sterke karakters een toevallig geslacht vormen), doet minder ter zake. Het feit blijft, dat de poëtische levensbeschouwing van den dichter Nijhoff bepaald wordt door een voortdurende antinomie tusschen wereld en innerlijk, tusschen de realiteit en de rusteloos daarom- en daaroverheen koersende gedachte; en tevens, dat deze tegenstelling in zijn diepsten grond katastrophaal is te noemen. Zoowel onder verzet en vaak steunzoekend beleden in ‘De Wandelaar’, als langzamerhand tot een eigen, heldere positiviteit gered in ‘Vormen’, blijft de kern een breuk, het vers een brug daarover.
Naar zijn geestelijk gehalte genomen, was de inzet van Nijhoff's vers reeds volwassen en voorgoed bepaald. Hij begon met een inzicht, dat het eindstadium was van een reeks ontwikkelingen, welke vóór het eerste vers uit ‘De Wandelaar’ moeten zijn doorloopen. Ja, hij begon daar, waar vele anderen eindigen en waartoe sommigen niet eens geraken. Onvoldragen was dan ook slechts de puurpoëtische kracht van zijn vers, en hiervoor heeft Nijhoff in ‘De Wandelaar’ zijn vruchtbare leerjaren gekend.
Vroeger, toen ik als het ware van den anderen kant tegen ‘De Wandelaar’ aankeek en vóór alles de noveerende werking bewonderde, scheen mij zijn uiterlijke zijde, de dissonant, essentieel. Ook nu herlees ik die verzen nog als een soort plotseling tumult: een nachtelijke ruzie, schervengerinkel, harde woorden, een feest dat zichzelf teniet doet en het morgengrauwen achter de glazen. Meer dan vroeger schijnen mij dit echter uiterlijke symbolen toe, waarachter het innerlijk zich telkens versteekt. Er zit een noodelooze, nog niet geklaarde onrust in dit onophoudelijk in travesti optreden in zijn eigen verzen, dat tenslotte zelfs de verschrikkelijke waarheid bewijst, dat men schoonheid maken en schoonheid liegen kan. Soms zoekt men hier Christus en vindt alleen het crucifix. Soms meent men muziek te hooren, maar men telt intusschen de instrumenten, hoe uitzonderlijker hoe beter.
Zeker heeft Nijhoff ook in ‘De Wandelaar’ reeds verzen gegeven, die onaantastbaar schoon blijven, onder welken gezichtshoek men ze ook beschouwt. En dan denk ik aan de vele verzen, waarin de nood zelf voor den vorm van den nood te groot was, aan de motieven, die in de rechtstandig geschreven strophe uit ‘Vormen’ zoo klassiek werden: de zelf-objectiveering, het koel-wijze naast-zichzelf-gaan-staan uit de eerste verzen van ‘De Wandelaar’. En vooral ook de zachtere, gemeenzame berusting in den keten der geslachten: de liederen tot de moeder en tot den zoon.
Een kleine bloemlezing van deze beste verzen, dat had de blijvende winst van ‘De Wandelaar’ naast ‘Vormen’ kunnen zijn.
In plaats daarvan - en hiertegen vooral kanten zich mijn bezwaren - heeft Nijhoff een deel van den opzet van ‘De Wandelaar’ en een aantal verzen opzichzelf ingrijpend gewijzigd.
Het lag geheel in Nijhoff's lijn om dit te doen. Een vers - het is door hem critisch reeds genoeg betoogd en poëtisch nog eens gestaafd in dat prachtige ‘Steenen Kindje’ - bezit een autonoom leven. Het is als een zoon, dien men verwekt en grootgebracht heeft om hem met den vaderlijken zegen voortaan zijn eigen weg te laten gaan.
Nu verleidt dit Nijhoff tot een gevolgtrekking, die ik niet kan aanvaarden: dat men dan ook later, binnengaand in het eenmaal opgerichte tempeltje, de primaire ontroering terug kan roepen en zoo, met de noodige ernst en toe-
wijding, zijn zwakheden ‘alsnog’ kan verhelpen. Dit komt mij voor in principe fout, in de praktijk althans hoogst-gevaarlijk te zijn. Het is alsof men een kreupel kind de beenen wil breken in de verwachting dat het dan gezond zal worden!
Baudelaire verwierp de inspiratie geheel en veronderstelde alleen een genegen stemming. Blijkens het voorbericht tot den tweeden druk van ‘De Wandelaar’ moet Nijhoff deze opinie ongeveer deelen. Bij het opnieuw in bewerking nemen van oude verzen wordt dit echter een soort operatie onder narcose, met het groote gevaar dat de patient er in blijft! Men kan hoogstens - zooals Baudelaire trouwens ook alleen deed - met eenige puur-technische omzettingen volstaan, als men dan uit piëteit voor het aanvankelijk organisme het vers niet mèt zijn gebreken wil laten voortduren. Aan absolute inspiratie (het woord is wat men ervan maken wil) hoeft men ook dan niet te gelooven. Veranderingen kort na het ontstaan van een vers, behooren nog tot het creatieve proces en zijn meest vervangingen van het ten-naaste-bije door het onfeilbare woord, dat onderbewust of vaag bleef. Veranderingen na jaren, hoe welluidend zij ook in de ooren mogen klinken, blijven echter aanslagen juist op de integriteit van het vers... literatuur. Men moet dan altijd - om een term uit een aan onze dichtkunst blijkbaar zoo verwante wetenschap te kiezen - een nieuw gevoel ‘hineininterpolieren’. Nijhoff heeft getracht dit verwijt te anticipeeren door zelf op het gevaar van ‘kalefateren’ (het woord is helaas al te juist!) te wijzen. Dat het hier om ‘slapende maar werkzaam gebleven varianten’ gaat, is bij den ingrijpenden aard van verschillende wijzigingen niet goed aan te nemen.
In den aldus gezuiverden ‘Wandelaar’ is naar mijn meening naast geringe technische verbeteringen (weinig storend echter in den ouden trant) vrij veel verknoeid en nog meer duister geworden. Alleen ‘Bruckner’ werd, door een juiste overschrijving van de (vroeger vlakke) tweede strophe, een gaver, fonkelend sonnet. Maar belangrijke schade werd aangericht in den cyclus ‘De Vervloekte’, de wrangste en in zijn ongaafheid het persoonlijkste deel van ‘De Wandelaar’. Deze cyclus heet thans ‘Ineengebroken’ (het woord ‘breken’ is zeker een dozijn maal ingevlochten in de nieuwe editie: een bewijs hoe een op een bepaald oogenblik obsedeerend woord oude en vaak betere uitdrukkingen eenvoudig wegperst!). Het vlijmende sonnet ‘De Vervloekte’ zelf kwam te vervallen, II en III werden tot één sonnet aaneengesmeed (de kwatrijnen van III werden met eenige veranderingen de terzinen van II!), IV kreeg een nieuwe plank ertusschen, V en VII werden gesupprimeerd, VIII en IX weer vereenigd. Ik wilde, dat ik ruimte genoeg had om te bewijzen hoe vaak die zucht naar concentratie hier werkelijk een soort grafschennis werd! Om nog een voorbeeld te noemen: neem het oude sonnet VI, dat aanvankelijk een volkomen gaaf sonnet was, thans zijn octaaf-rijmen mist. Of Nijhoff hecht dus niet aan het integrale wezen van het sonnet als vers en knutselde er destijds maar een (wat ik na zijn andere sonnet-verkrachtingen ga gelooven), òf hij moet zelf erkennen, in VI het integrale sonnet, en dus het vers, verminkt te hebben.
Voorts zijn, mede in den vulkanischen vernieuwingsdrang, het goede vers ‘De Heilige’ en het gedicht, dat ik na ‘De Pen op Papier’ maar den ‘Rattenvanger’ zal noemen, geheel verdwenen, terwijl de ‘Zingende Soldaten’ een van zijn meest typische en in onze ooren reeds zoo gewende regels moest verruilen voor een veel minder sterk sprekenden sluitzin. En er zijn er meer zoo.
Moge Roland Holst en Werumeus Buning en wat wij nog meer aan kostbaarheden uit onze jonge literatuur bezitten, ons voor zulke Steinach-proeven gespaard worden! En wanneer met den loop der jaren Nijhoff ook ‘Vormen’ zou willen sloopen, moeten wij maar een comité-van-actie maken, of curateele aanvragen.
HENRIK SCHOLTE
vorige 
