Aanteekeningen en berichten

DE Vlaamsche letterkundige Omar Wattez is 70 jaar geworden. In zijn woning te Schaarbeek mocht hij van zijn vele vrienden talrijke blijken van sympathie ontvangen. Het gemeentebestuur van Schaarbeek besloot zijn naam aan een straat te geven, terwijl verder, èn door het Algemeen Nederlandsch Verbond en de Vlaamsche Vereeniging van Letterkundigen huldebetoogingen werden voorbereid.

Trots zijn hoogen leeftijd heeft Omer Wattez, als lid van de Kon. Vlaamsche Academie, waarvan hij vroeger voorzitter (bestuurder) was, en als voorzitter van de groep Vlaanderen en de afdeeling Brussel van het Algemeen Nederlandsch Verbond, nog steeds een zeer werkzaam aandeel aan de cultuurbeweging in het Vlaamsche land.

 

* * *

 

Onder zeer veel belangstelling heeft de dichter G.W. Lovendaal te Grave zijn tachtigsten verjaardag gevierd. Onder de vele telegrammen van gelukwensch was er een van den minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.

 

* * *

 

De Uitgeverij C.A. Mees te Santpoort maakt bekend, dat na langdurige onderhandelingen eindelijk een reorganisatie is tot stand gekomen, waarbij een geregelde maandelijksche verschijning van Wendingen gewaarborgd is. Voorts is het drukken van het tijdschrift aan een andere drukkerij toevertrouwd, op zoodanige basis, dat de beste resultaten voor de uitvoering te verwachten zijn. Het eerste nummer is thans ter perse en zal uiterlijk binnen vier weken verschijnen.

De redactie stelde het volgende belangwekkende programma op voor deze achtste serie (1927): Beeldhouwkunst; Architectuur plan West te Amsterdam; Moderne Nederlandsche meubelen en interieurs; Moderne Nederlandsche wandschilderingen; drie extranummers gewijd aan Scandinavische architectuur; Tooneel; en wat zich verder nog als actueel belangrijks zal voordoen.

 

* * *

 

‘Aan den valreep’, in den trein tusschen Amsterdam en Den Haag, was er nog gelegenheid voor een gesprek met Henri Ghéon, den vorigen dag voor het bijwonen van een vertooning van zijn Genesius naar Amsterdam gekomen, en nu op weg naar Brussel om een primière van St. Franciscus door het Vlaamsche Volkstooneel te zien - aldus ‘Het Vaderland’.

Naast den schrijver van Genesius, van den ‘Opgeknoopte’, spreekt dan vooral de ijveraar voor de onder zijn leiding ontstane, in zeer bepaalde richting doorwerkende, katholieke tooneelbeweging in Frankrijk. Hij reist er met zijn klein gezelschap van toegewijde werkers; er zijn erbij, die schilderen, die schrijven; men brengt een drie, vier stukken per seizoen uit; leden van den troep zorgen voor de decors, de costumes; Ghéon zelf geeft voor alle onderdeelen persoonlijk de eerste aanwijzingen. Ghéon noemde één van zijn acteurs: Henri Brochet, die bij hem de Elckerlyc speelde (in Ghéons bewerking) en die zelf ook schrijft en dan weer door zijn gezelschap wordt gespeeld. Zoo moet het worden, zegt Ghéon: uit de samenwerking van het gezelschap moet alles voortkomen: ‘We zouden aldus zelfs een troep van auteurs moeten hebben’. Langzaam begint deze beweging door te werken; er is één ding, waar het op aankomt: begin niet in het wilde te experimenteeren, ga uit van een solide basis, dat wil zeggen een standpunt. In de realiseering hoeft geen tendenz te liggen, iedere vertooning stelt trouwens haar eigen eischen - al leidt Ghéons streven vanzelf naar vereenvoudiging. - Men is in de eerste plaats acteur en men zoekt tooneelspel; maar laat men aanvangen met een vasten geestelijken inhoud, een geloof. Men is in dit geval katholiek: vanzelf krijgt dus het werk dien inslag. Zoo begon men te werken in eigen milieu, bracht naar buiten wat er gemeenschappelijk aan geloof en idealen leefde, en dringt langzamerhand door in wijderen kring. Maar vóór alles wil Ghéon, dat zijn gezelschap is ‘un laboratoire d' art scénique’ - een werkplaats van tooneelkunst.

Ghéon's werk wordt in Vlaanderen veel gespeeld; wat Ghéon in Vlaanderen interesseert, is het eenvoudige publiek, het publiek uit de provincie, dat - omdat het eenmaal zoo'n sterken zin voor dramatiek bezit - zoo toegankelijk blijkt voor alle oprechte pogen op tooneelgebied, dat onbevangen een werk in zich kan opnemen. En dan het sterke leven en de vaak treffende prestaties van de amateurs-gezelschappen in Vlaanderen. Ghéon meende, hierin een karakteristieke uiting van tooneelleven te vinden van alle ‘Noordelijke’ landen, van Holland ook! Men moest hem die illusie ontnemen: jammer; dit ingespannen werken door dilettanten schept op den duur een publiek, een belangstelling; vaak is daar het uitgangspunt van een tooneelvernieuwing te zoeken.

Het spreekt vanzelf, dat de vertooning van Genesius door het Vereenigd Tooneel het eerste onderwerp van

[p. 43]

gesprek was geweest. Ghéon was er zeer mee ingenomen en sterk geboeid door Van Dalsum: ‘een zeer groot acteur!’ Via Van Dalsum kwam het gesprek nog even op het werken met maskers. Ghéon gebruikt het masker graag, zooals in Genesius (en hij bewonderde dat van Hildo Krop), als een tooneeleffect, een expressiemiddel. Maar niet voor een heelen avond; dat moet monotoon worden, en men kan de soepele en beweeglijke gelaatsmimiek onmogelijk missen.

Er staat bij Ghéons gezelschap voor binnenkort o.a. een stuk van Yeats op het programma, in het Fransch: ‘Le Sablier’.

De trein stopte: Den Haag.

* * *

Niet alleen in Nederland, doch ook in het buitenland is de belangstelling voor de herdenking van den 250-jarigen sterfdag van Spinoza zeer groot. In Frankrijk, waar sinds Victor Delbos (1862-1916) de wijsbegeerte van Spinoza in hoog aanzien staat, heeft een comité, waartoe mannen als Bergson, Bréhier, Brunschvicq, Léon en Lévy Bruhl behooren, tot belangstelling in de herdenkingsplechtigheden opgewekt. Onder dezen invloed heeft Frankrijk dan ook niet geaarzeld zich op schitterende wijze te doen vertegenwoordigen: de Parijsche universiteit vaardigt af den hoogleeraren Delacroix en Gustave Cohen, nadat haar vorige rector Paul Lapie, die aanvankelijk met de vertegenwoordiging belast was, haar door den dood was ontvallen. Tevens deed de universiteit door een geldelijke bijdrage van haar belangstelling blijken. Ook het Institut de France en andere aanzienlijke instellingen zullen vertegenwoordigd zijn. De Italiaansche regeering zal zich doen vertegenwoordigen door den waarnemenden minister van onderwijs prof. Emilio Brodrero. De universiteiten zorgen eveneens voor vertegenwoordiging.

Reeds deden verschillende gevestigde gezanten van hun belangstelling blijken, zoodat met vertrouwen kan worden verwacht, dat het beoogde doel, n.l. dat de plechtigheden een waarlijk internationaal karakter zullen dragen, bereikt zal worden.

Ook het Institut de coopération intellectuelle neemt aan de herdenking deel.

De minister van onderwijs zal eveneens bij de plechtigheid in de Rolzaal en de opening van de Domus Spinozana aanwezig zijn.

Het ligt in de bedoeling om voor hen, die bij de inwijdingsplechtigheid, waarbij een reeks van sprekers uitbinnen- en buitenland van hun belangstelling in de Domus Spinozana als het belangrijkste aandenken aan den grooten wijsgeer in Nederland zullen doen blijken, tegenwoordig zijn, na afloop van het Spinozistencongres de gelegenheid open te stellen om het huis te bezichtigen, voordat het met het oog op de restauratie weder gesloten wordt. Ter herinnering aan deze plechtigheid heeft de Societas Spinozana een medaille laten slaan, waarvan de eene zijde de beeltenis van Spinoza naar het z.g. Wolfenbuttler portret vertoont, de andere zijde de Domus Spinozana aan de Paviljoensgracht.

Voorts verschijnt van de Societas Spinozana een boekwerk, dat uit nagenoeg alle landen een bijdrage bevat over de beteekenis van Spinoza.

 

* * *

 

De uit den Elzas geboortige Fransche letterkundige Frank L. Schoell is hoogleeraar in Californië, doch toeft voor eenigen tijd in Frankrijk, onder andere in verband met de uitgaaf zijner Fransche vertaling van den Poolschen roman ‘De Boeren’, het meesterwerk waar Reymont den Nobelprijs mee heeft gewonnen. Daar ginds in de landen van over zee maakt hij de Fransche letteren meer bekend en ijvert zijn internationale kennis van talen en van letteren voor den roem van den grooten Pool. In Rotterdam, waar de schrijver den voortreffelijke Duitsche vertalingen van Reymont Poolsch consul is, heeft hij voor de ‘Poolsche Vereeniging’ en voor de vereeniging ‘Nederland-Frankrijk’ een voordracht over Zola en Reymont gehouden. De zaal van het Notarishuis was stampvol belangstellenden, dames en heeren van allerlei leeftijd.

Wie had het ten dage dat Van Deyssel zijn opstel van hoogste literaire lyriek over La Terre schreef, kunnen vermoeden, dat een zaal met jonge meisjes eenmaal in ernstige belangstelling luisteren zou naar een vergelijking van gestalten uit Zola's roman met figuren uit het Boerenepos van Reymont?

Wij vernamen van Prof. Schoell, dat Reymont, als velen in Polen en Rusland, den invloed van het Fransche Naturalisme, van Zola en Maupassant sterk heeft ondergaan. Zelfs heeft hij een Boerenroman geschreven, die volkomen naar Zola's trant was, waarom de Pool hem heeft verscheurd en verbrand, hoewel hij daar groote materieele moeilijkheden door heeft gekregen. Want hij was het naturalisme van Zola gaan haten: hij wilde zichzelf zijn en werd zichzelf. Wat er nochtans van op La Terre gelijkends in menige gestalte, in menige gebeurtenis bleef in den lateren Boerenroman van Reymont, dien, waarvan nu een gedeelte algemeen bekend is geworden, wees de heer Schoell punt na punt aan, om vervolgens de verschillen en het algemeene onderscheid aan te wijzen in het definitieve werk van den Pool, die kerksch was en ook in anderen zin geloovig, en wiens muzikale zin hem tekst naar muziek van zijn landgenoot Chopin deed schrijven.