Necrologie

Xavier Privas †

DE chansonnier Privas, die dezer dagen stierf, werd 27 September 1863 te Lyon geboren. Hij schreef een groot aantal gedichten, o.a. Chansons Chimériques, Rondes pour les enfants Tages, Chansons vécues, Chansons françaises, waarbij hijzelf muziek maakte. Een groot deel zijner laatste werken heeft hij in samenwerking met zijn vrouw Francine Lorée geschreven.

Xavier Privas is hier indertijd - het zal ongeveer 18 jaar geleden zijn - met zijn vrouw en Leon de Bercy in het Cabaret te Scheveningen in den zomer tweemaal opgetreden. Wie hem toen hebben gehoord, zullen hem niet zijn vergeten. Privas was een robuste Franschman met kalen schedel en donkere snor en sikje. Hij begeleidde zichzelf aan de piano en liet zijn liederen krachtig en melodieus de zaal in klinken. Hoe sterk klonk zijn lied: Si tu veus être libre et fort, dat Fabricius zoo goed in Drentsch dialect heeft vertaald.

Hoe goed waren zijn Chansons des heures en zijn Problème. Niet voor niets was Privas tot Prince des chansonniers uitgeroepen.

Die cabaret-avonden te Scheveningen waren van de besten

[p. 41]

die men er in jaren had bijgewoond, en ook zijn vrouw met haar teedere stem en Leon de Bercy hebben veel aan dat succes bijgedragen.

Zijn dood zal zeker velen treffen, die hem toen gehoord hebben en met genoegen kennis met hem maakten.

In ‘De Telegraaf’ geeft Ellen Forest persoonlijke herinneringen:

Een zonnige winterdag in Antwerpen: een kleurig affiche met 'n leuken grooten kop, naast 'n snoezig meisjeskopje. ‘Xavier Privas en Francine Lorée dans leur programme’. 't Was ergens op de Keiserlei in een groot café. Jong waren we, jong als de dag, want de man, dien we daar hoorden zingen, leek ons al oud. Veertig is oud voor 19! Negentien was zij, een schichtig blank duifje naast haar grooten man!

Ze zongen ‘Les Heures’, ‘Les Thuriféraires’, ‘Le Testament de Pierrot’. Het was geen zingen; die man zong niet: rhythmisch en krachtig zei hij zijn ziel uit - en hield de heele zaal gevangen door zijn woord en stem. Zij zong: ‘Quand les enfants ont des joujoux’. Als 'n fijne kerkspits, die ten hemel reikt, was haar jonge, niet sterke stem - innig en warm, met een teederheid die tranen wekte. Dan hij weer: ‘Travaille!’

 

* * *

 

De jaren zijn over mij heengegaan - maar noch hun verdriet noch hun geluk hebben me dat oogenblik kunnen doen vergeten. We werden vrienden. Twee jaar later, in Holland, sprak ik van Gelder en vertelde hem er van. Nog dienzelfden zomer kwam Xavier en Francine met Léon en Anne de Bercy in het Cabaret te Scheveningen. Ze logeerden bij mij - en 's avonds na het cabaret kwamen er vrienden en werd er gepraat. Xavier vertelde van de eerste jaren van den ‘Chat Noir’ - toen Richepin, Harancourt en zoovelen die later leden werden van de Académie Française, hun proza of poëzie kwamen voorlezen op den kleinen zolder in Montmartre of er hun liederen kwamen zingen. Daar zat dan, in zijn speciaal voor hem gebouwden stoel, de enorme Sarcey, de groote fijne criticus. Steinlen hing er zijn prenten. Abel Faivre en veel anderen. Daar was ongewilde armoe en ongewilde kunst. Daar hing de onvergetelijke ‘Pierrot’ en zijn van smart verwrongen mond zong ‘Bonsoir Madame la Lune’ en daar kwam Paul Delmet en reet alle harten vaneen met zijn schrijnend ‘Les petits Pavés’.

Later zijn Paul Delmet's Chansons als ‘geestig’ voorgedragen - hij zelf heeft ze echter ‘navrant’ bedoeld.

 

* * *

 

Xavier was onuitputtelijk in anecdotes en beleefde verhalen. Door mijn kleine kamers klonk zijn stentor stem en zijn gulle, vette lach. - Ja, ze hadden hem ‘Prince des Chansonniers’ genoemd, zei hij: ‘Ah, mais les bougres - ils savaient très bien que d'un Prince je n'avais rien -! Je devais trimer ferme pour arriver à quelque chose. J'ai accepté pour Francine. Les femmes, c'est vaniteux - et, Diantre, “Princesse” ça lui allait!’

En vanmorgen las ik zijn dood!

Alweer een leegte, alweer een van de fiere oude garde die de dood ons ontrooft. Xavier Privas! Zijn naam stond voor: waarachtige kunst, echt Franschen humor, nooit falende kameraadschap; gulhartig en vrijgevig was hij de ‘vriend’ in den wijdsten zin des woords.

Zijn appartement op den Bd. Périchon was het rendezvous van al wat, buiten mode om, aan echte kunst deed. Na lezing van het doodsbericht was mijn hoofd en hart vreemdelijk helder en leeg. Dan kwam het moment waarop ik fel realiseerde dat iets afgebroken was. Nooit (oh, de weemoed van dat woord) nooit zullen we hem meer in ons midden zien - zijn zakdoek in de hand om zijn enorm voorhoofd af te vegen. Zijn geste.

Nooit zullen we hem meer zien binnenstappen, hoed in de hand - hij was ouderwetsch beleefd! - met 'n: ‘Eh bien, on y est, on y reste!’

De laatste jaren had hij veel verdriet gehad. Hij deed zijn best om met de jongeren mee te leven. Er waren er velen die hem nog waardeerden - maar anderen (niet de besten) waren hooghartig, modern, en ignoreerden hem... Dat deed hem pijn om de kameraadschap, niet uit ijdelheid.

Want deze Prince was de simpelste, nederigste, eenvoudigste mensch, dien men denken kan. Dòl op kinderen. In Scheveningen nam hij mijn, toen heel kleine, meisje mee naar Carré of naar 't strand, en dan vergat hij Parijs, zijn kunst, alle groote menschen, en lachte om een clown of 'n aap als 't vroolijkste kind.

‘Si je vais au théatre’ zei hij ‘je vais pour rire et pour pleurer à chaudes larmes, cela me fait du bien’. Eens maar heb ik hem diep ontmoedigd gezien. Dat was ongeveer vier jaar geleden op een avond in de ‘Noctambules’. Hij was moe en zijn stem faalde. Toen stond in zijn trouwe, lieve oogen het wanhopige bewustzijn dat het uit was - uit -! Dat, als 't nog eens goed zou gaan, als vroeger, het een zwanezang zou zijn vóór de alles ontzenuwende, verlammende rust van den ouderdom.

 

* * *

 

Dien avond, we waren met hem en onzen goeden vriend Hyspa, was Privas stil, terwijl we ergens op Montmartre ons kleintje koffie dronken. Op een gegeven moment zei hij: Ik had niet begrepen dat het uit was - maar nu weet ik het - et c'est triste!

Toch heeft hij nog gezongen, de arme, want arm was hij, geldvergaren had hij nooit gekund. Als hij aankwam na een moeizame reis in de Métro (de tijd van taxis was lang voorbij) was hij zóó bezweet dat hij zich heelemaal moest verkleeden eer hij kon optreden. Moe en loom viel hij voor de piano neer en ‘zei’ nu de liederen, die hij vroeger ‘zong’. Hij was heesch en moe, maar zóó sterk is de macht van echte kunst, dat al 't applaus toch hèm gold en dat het publiek zèlfs zóó de waarachtigheid en schoonheid van deze ziel erkende.

Wij allen die hem gekend hebben, wij verliezen een zeldzamen vriend, wiens nagedachtenis echter fel genoeg zal zijn om ons in moeilijke uren te troosten zooals hij zèlf en zijn lied dat deden. Hij ruste in vrede!

Le Corre †

Te Rosporden, tusschen Quimper en Lorient, is op 75 jarigen leeftijd overleden Pierre Marie Le Corre, een zeeman die tot voorbeeld heeft gediend voor Loti's ‘Mon frère Yves’, Kermandec. Hij had in 1876, aan boord van de ‘Tonnerre’ kennisgemaakt met den grooten romancier.

Georg Brandes †

Georg Brandes, de groote Deensche essayist, die kort geleden nog zijn 85sten verjaardag vierde, is te Kopenhagen overleden. Eenige dagen tevoren had de schrijver een zware darmoperatie ondergaan en scheen het alsof hij zijn ziekte nog te boven zou komen. Na deze schijnbare verbetering in den toestand trad echter een verval van krachten in.

Georg Brandes werd 4 Februari 1842 te Kopenhagen geboren. Hij studeerde van 1859 tot 1864 aan de universiteit van zijn vaderstad en ondernam vervolgens groote reizen (1870/1871) door Europa. Tevoren had hij reeds eenige boeken gepubliceerd: ‘Aesthetische Studiën’ en ‘Critieken en Portretten’.

Op deze reizen ontmoette hij vele beroemde Europeesche geesten, o.a.: Ibsen, Nietzsche, Flaubert. In dezen tijd was het, dat hij zich vooral aansloot bij John Stuart Mill

[p. 42]

en Taine. Over Taine's aesthetische principes handelt ook zijn dissertatie (1870): ‘De Fransche aesthetiek in onze dagen’.

In 1871 vestigde hij zich als privaat-docent te Kopenhagen en hield aan de universiteit colleges over literatuur. Deze voordrachten uitgebreid en omgewerkt, werden zijn befaamde hoofdwerk: ‘De voornaamste stroomingen in de literatuur der 19e eeuw’ (1872-1890; 6 deelen). Hij deed in dit werk een scherpen aanval op de Romantiek en verdedigde hartstochtelijk het moderne Fransche radicalisme. Zijn werk wekte veel beroering en strijd in de letterkundige kampen.

Door dit omvangrijk en strèng-argumenteerend standaardwerk, gaf hij aan alle belangrijke schrijvers der Scandinavische landen gedurende zekeren tijd richting.

Om zelf een objectieven blik te krijgen op den strijd, dien hij had ontketend, verhuisde Brandes in 1877 naar Berlijn, waar hij tegelijkertijd de Duitsche taal en letterkunde bestudeerde. In de ‘Deutsche Rundschau’ publiceerde hij talrijke essays.

In 1883 keerde hij naar Kopenhagen terug, en hij is er blijven wonen tot zijn dood. Wel maakte hij gedurende dien tijd nog vele belangrijke reizen, b.v. naar Rusland en Polen, naar Italië, Griekenland, Spanje, Egypte, Marokko, Frankrijk, Tunis, maar zijn officieel domicilie is nooit gewijzigd.

Uit de geweldige reeks werken, die hij vóór en na zijn professoraat, in 1902, publiceerde, noemen wij: ‘Sören Kierkegaard, (1897), Ferdinand Lasalle (1877), Moderne Geister (1881), Ludwig Holberg (1884), zijn monumentale Shakespeare-studie (1896), zijn Disraëli, zijn boeken over Goethe, Voltaire, Napoleon en Garibaldi, over Julius Caesar, Michel Angelo, Homerus, Talleyrand. De door Georg Brandes ontketende beweging is in de literatuurgeschiedenis bekend als Der Durchbruch’. En al zijn de, door hem opgevoede, schrijvers, ook voor het grootste deel aan hem ontgroeid, het valt toch niet te ontkennen, dat geen criticus op de cultuur der Noorsche landen zulk een grooten invloed uitgeoefend heeft als Georg Brandes. Zijn geschriften, die op den wereldoorlog betrekking hebben, nemen een naar alle zijden zakelijk standpunt in Verschillende aanvallen op de politiek der geallieerden kostten hem de vriendschap met Clémenceau.