Engelsche letteren
John Gould Fletcher. ‘The Tree of Life’ (Chatto and Windus) ‘Branches of Adam’ (Faber & Gwyer).
DIT boek (‘The Tree of Life’) bevattend acht en vijftig gedichten over liefde, leven en dood, heeft zijn ontstaan te danken aan het wanbegrip, dat als men de gebeurtenissen des levens er maar op z.g. moderne manier uitflapt, deze wel door de vermeende hoogspanning der daarin besproken gevoelens tot poëzie zullen worden. Hier is de gewone doem van zwakpoëtische naturen aan het werk: het lijdend voorwerp ziet de gebeurlijkheden des lots, die hem zoo fel en raak troffen, in zulke voorwereldlijke en bovenmenschelijke afmetingen, dat hij er aanstonds in schrik en wanhoop van afziet hun het bit eener strenge rythmiek tusschen de tanden te wringen; en daarom, en ook, om meteen de triomf der z.g. ‘natuurlijkheid’ te vieren, doet hij zijn vers voortkronkelen met de heete kolking van lavastroomen, en gilt het de menschheid in de ooren uit de in angst opgesperde monden der middernachtelijke stormwinden. Waterhoozen worden u naar het hoofd geworpen om één zijner tranen weer te geven, stormen staan in slagorde gereed om zijn woesten toorn te verkondigen. Opperhoutvester der gansche aarde, laat hij de boomen en struiken weenend, snikkend, juichend, vlammend en krimpend in rouw- en bruiloftsstoeten en eindelooze processie's voorbij trekken. Hij droomt dat hij orkestdirecteur is, en gebaart in werkelijkheid boven een grommenden chaos. Dit alles zijn de treurige naweeën van een verkeerd begrepen wijsbegeerte, die leerde dat het heelal slechts een soort uitslag van ons denkvermogen zoude zijn, en dat wij het daarom naar willekeur in onze gedachten, droomen en daden zouden kunnen verwerken; een misvatting, gretig aangegrepen door zelfzuchtige naturen, die op dit sein gewacht hadden om den Kosmos te gaan plunderen. - Met dit alles wil geenszins gezegd zijn, dat de dichter de natuur niet zou mogen aanwenden om zijn gevoel af te beelden: dit is een alleszins geoorloofde poëtische truc; als de dichter het natuurlijk rythme der schepping slechts niet verstoort; maar dit andere gedoe, dat vrije, onafhankelijke elementen tot heerendienst verplichten wil, en hun dan bij wijze van belooning een stel menschlijke deugden en driften opdringt, is waarlijk weerzinwekkend:
of:
of:
of:
of:
De natuur op deze wijze te knechten is wel bar, maar om zoo iets te schrijven als:
in het jaar, dat Herman van den Bergh de ‘Vlam’ publiceerde, is toch wel bar.
Dat het vers van dezen dichter - ik houd dit woord voor het gemak nu maar aan - naar vormloosheid streeft, is dan ook natuurlijk. Het is niet alleen vrij meer, maar losbandig. Zijn regels stormen elkaar achterna, als horden wegloopende schooljongens op 't sein van vacantie. Bij elk nieuw vers komt opnieuw de helsche lust om de regels nu eens anders te gaan indeelen. Verder is ieder vers in hooge mate ‘een huisgezin, tegen zich zelven verdeeld’. Wanneer men de volgende regels neemt:
dan ziet men, de voeten van dit vers natredend, dat allerlei metri elkaar afwisselen, of liever: tegenwerken. Wordt een oogenblik zonder meer de quantitatieve grondslag aanvaard, waarmee de dichter door middel van vervanging in zijn voeten een ietwat vreemde verhouding van kort en lang handhaaft, dan is na eenig kijken dit gedicht te bezien als een veldslag tusschen de z.g. jamben en trochaeën m.a.w. een gelijktijdig optreden van vloed en eb, een ten hoogste tegennatuurlijk verschijnsel. Groote dichters hebben altijd met gelijkstroom gewerkt; de verdorven geesten van vele modernen zijn transformatoren waarin de gelijkgerichte stroomkracht der scheppingsdrift wordt omgezet in een dwaas en uitputtend vuurwerk van elkander verslindende vonken.
Hoe weinig deze dichter overigens in de geheimen der poetica (veel verwaarloosde wetenschap!) is doorgedrongen, blijkt overduidelijk uit twee regels uit ‘Failure’:
Dit ‘brushed’ zit zóó wanhopig vastgewrikt, dat de vleugel gekneusd en verhavend wordt in een botsing, die een vluchtige aanraking bedoelde te zijn. In de eerste plaats krijgt ‘brushed’ hier een bijzonderen nadruk omdat in den tweeden regel het toongewicht plotseling van den tweeden naar den eersten lettergreep wordt teruggeworpen; en dat dan nog in een regel, die met zijn minder aantal lettergreepen door middel van een vertraagd voortschrijden het evenwicht met den voorafgaanden snelleren regel moet bewaren.
Of Adam ooit vlooien gehad heeft? Ik had mij dit nog nimmer durven afvragen; hoewel het iets zeer voor de hands liggends is.
Dat dit een eerste gedachte was na lezing van het lange, onregelmatige, woesteentonige gedicht, waarin Johan Gould Fletcher de verheven en veelomstreden gestalten der voortijden aan onze neuzen voorbijduwt, bewijst wel, dat hij erin geslaagd is, een oud en grootsch verhaal, dat zich voortbeweegt met den vasten onverstoorbaren gang van een zon op haar hemelreize, duchtig te bemodderen. Men moge in de eerste hoofdstukken van Genesis gelooven of niet - het allerminste, wat men er van zeggen kan, is: het is mooi, en het kan waar zijn; en is het niet waar, dan is het nog mooi.
Het verwringsel, dat J.G. Fletcher natuurlijk ‘een nieuw gezichtspunt op een oude mythe’ noemt, heeft de verdienste van zoo onlogisch te zijn, dat de noodzakelijke hersengymnastiek ter verwerking geen vijf minuten in beslag neemt, en men zich dan met volle borst op de dichterlijke verwerking kan gaan toeleggen. Het verhaal is als volgt: God schept Adam, en Lucifer waarschuwt God, dat Adam hem op een goeden dag de sterren uit de handen zal slaan, en raadt God aan, Eva te scheppen, om als plechtanker dienst te doen, dat Adam op aarde zal houden. Eva eet voor de grap (van verbod geen sprake!) van den bekenden appelboom, en beweert plotseling dat hij en zij goddelijk zijn, vanwege het hooge voedingsgehalte der appelen. Daarna pas komt Lucifer, en vertelt aan Eva dat Adam haar vijand is, en haar tot zijn slavin zal maken:
Zij gaat er meteen al gillende vandoor, en alle dieren beginnen plotseling te bakkeleien. Adam wordt wakker, rent haar na, vindt haar niet, en gaat God staan vervloeken; hij wil de natuur vernietigen, doch Lucifer slaat hem knock-out. God komt ten einde raad zelf de warboel bezien, verduurzaamt de beide beruchte boomen in eeuwig ijs, bekent zijn onmacht tegenover Lucifer, om den mensch te verlossen, en eindigt met een verwijt aan Adam, waar nog geen woord over gesproken is: ... ‘since Man sought Me not face to face’.
De drie verdere boeken zijn naar rato: in de voorrede steelt Kaïn het vuur uit den hemel, maar in het gedicht doet hij het uit een vulkaan. Als hij naar liefde verlangt, geeft hij eenvoudig een schreeuw, en een vrouw vliegt den grond uit. Noach wil communistische arbeidstoestanden invoeren:
en woont in Gomorrah, waar hij als krijgsgevangen timmerman den tempel van Baäl moet bouwen. De regenboog verschijnt niet, zooals heden ten dage, opeens in zijn volle breedte, maar in zeven verdiepingen, éen voor éen.
- Ik lees in een litterair kletsblaadje dat deze dichter zijn werk gaat voorlezen in de Vereenigde Staten. Na de drooglegging is elke stimulant daar blijkbaar goed genoeg!
A. DEN DOOLAARD
vorige 
